|
| |

Een club voor liefhebbers en/of bezitters van een zeiljacht van het Oostzeejol type Midget.


Op deze pagina kunt u genieten van de
reisverslagen die ons clublid Henk Oosterwijk regelmatig naar ons stuurt.
Henk maakt zijn reizen
aan boord van zijn
26’ Midget -SOGNO d'ORO-,
natuurlijk heeft Henk zijn toestemming gegeven om deze reisverslagen op onze
website te publiceren.
Klik hieronder voor de
verschillende verslagen:

Hieronder een paar foto's genomen in maart 2011

Bovenstaande foto is genomen door de zoon van ons clublid Dick
Westera, de -SOGNO 'd ORO voor de Panama sluizen.
_small.jpg)
Bovenstaande foto's zijn door een Engelsman in maart 2011 vanuit
de Panama sluis toren.
Natuurlijk volgen er meer, dus
blijf kijken !

2005
27 november 2005
Beste mensen,
Omdat velen van jullie zo hebben meegeleefd in die laatste dagen voor het
vertrek stuur ik jullie even tussentijds een kort berichtje en vier
foto's.

Sunset buiten Roompot.
Ben afgelopen dinsdag in een dag en een nacht van
Roompot naar Boulogne-sur-Mer gevaren. Daar lig ik nu nog want het is in de
afgelopen dagen in district Dover windkracht 7/8/9 geweest. Het neemt nu wat af
maar het is nog steeds een dikke 6 met uitschieters 7 en de zee is - zoals de
Fransen dat melden - agitée oftewel ruw. Ik vermaak me prima met Franse wijn,
baguette, camembert, goed boek en pijp. Hoef nergens te zijn en nergens naar
toe. Wil wel een keer naar Guernsey om te overwinteren, maar de tocht ernaartoe
moet leuk blijven.
Bij Calais verwelkomd door dolfijnen. Je noemt ze hier geloof ik anders, maar ze
zien er hetzelfde uit. Ze zwommen met zijn drieën een heel eind mee en sprongen
regelmatig uit het water. Verder prachtige zonsondergang en zonsopkomst. Het
leek wel de laatste echte mooie dag te zijn van de herfst.
Kijk naar de foto's, dan beleef je het een beetje mee. Heb de zonsondergang op
foto gezet, mezelf terwijk ik 'My Life' van Bill Clinton lees en de haven van
Boulogne-sur-Mer. Tijdens de zonsondergang ben ik op het voordek gaan zitten met
uiteraard een goed gevulde pijp.
Nou mensen, ik mail jullie weer als ik echt een grote stap heb gemaakt. Dat zal
dus wel op Guernsey zijn.


Guernsey in zicht.

Boulogne-sur-Mer
met de 26’ Midget -SOGNO
d'ORO- op de voorgrond.
Groeten,
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

13 december 2005
Beste mensen,
Vanmiddag om 14.00 uur (UTC) (13-12-2005) heb ik mijn winterbestemming Guernsey
bereikt. Van Roompot ben ik naar Boulogne-sur- Mer gegaan. En daarna via Dieppe,
Fécamp, Le Havre en Cherbourg naar Guernsey. Niet zoveel havens want ik heb
behoorlijke vaardagen/-nachten gemaakt. Aan de andere kant ligt Guernsey nou ook
niet zo ver weg van Nederland. Maar toch is het prachtig als je met je eigen
boot tussen de kale rotsen door manoeuvreert naar het eiland waar je de winter
wilt verblijven. Want het is wel oppassen hier. Laat ik alleen de dag van
vandaag eens kort beschrijven.
Ik ging weg met windkracht 6, want ik wist dat die later op de dag zou afzwakken
naar windkracht 5. Gisteren was het nog 7 geweest met uitschieters 8, dus de zee
was nog behoorlijk onstuimig. Ik vertrok om 06.40 uur en had berekend dat ik de
belangrijke stroming bij Alderney en ook verderop mee had. Bij Alderney noemen
ze het de Alderney Race en dat is niet overdreven. Ik klokte makkelijk een
snelheid van boven de tien zeemijlen per uur. En dat is echt hard als je weet
dat ik met mijn motor op maximaal toerental 6,5 mijlen per uur haal. Het is even
mikken en dan de glijbaan af. Maar als je verkeerd timed dan ga je met
grote snelheid terug naar waar je vandaan kwam. 's Middags klaarde het op en
werd het een prachtige tocht. Alleen op de genua gevaren, meer zeil was niet
nodig. Dan zou ik bovendien met de timing niet uitkomen. Want bij de haven van
Guernsey moet je een drempel over en dat kan alleen binnen 2 1/2 uur voor tot 2
1/2 uur na hoogwater bij Guernsey.
De havenmeester kwam me tegemoet in de buitenhaven. Toen ik hem vertelde
dat ik een aantal maanden in Guernsey wilde overwinteren wees hij me een prima
plekje aan. Ik lig op ca. 200 meter van het begin van het stadscentrum af.
Ik heb eerst bij een winkel in de haven een gastenvlag van Guernsey gehaald. Die
kon ik niet in Frankrijk kopen. Na het hijsen van de gastenvlag ben ik even de
boot op gaan ruimen. Daarna de stad in (St. Peter Port, maar hier noemen ze het
gewoon Town) en door de Anton Pieck achtige straatjes gelopen. Een compleet
andere wereld dan waarin ik de afgelopen weken heb verkeerd. Kinderen in
schooluniform en verder alles utterly Brittish. Bevalt mij wel.
Hier blijf ik misschien wel tot half mei en dan ga ik verder richting Spanje,
Portugal en Italië. De boot houdt zich prima en met mij gaat het ook heel goed.
Ben gewend geraakt aan het leven met getij, wind en stroming. Verveel me geen
moment. En nu ga ik Guernsey rustig verkennen. Daarnaast veel lezen en dingen
doen waar je normaal de tijd niet voor neemt maar die je altijd hebt willen
doen. Want naast het varen is gewoon leven ook belangrijk. 's Morgens een kop
koffie in het café drinken en de Guernsey Press lezen. En dan natuurlijk over
het eiland fietsen. Want de vouwfiets gaat nu gebruikt worden.
Mensen, ik wens jullie fijne feestdagen en alvast een heel gelukkig en gezond
Nieuwjaar. Ik heb de twee foto's gevoegd die ik vandaag bij de nadering van
Guernsey heb gemaakt.
Henk Oosterwijk
a/b 26’ Midget Sogno d'Oro

200 6
2 juli 2006
Hallo mensen,
Ja, ik bevind me op het moment in de haven van Andratx en dat ligt aan de
zuidkust van Majorca. Maar laat ik draad oppakken vanaf Nazare in Portugal, want
vanaf die plaats heb ik jullie het laatst een reisverslag verstuurd. Op 11 mei
vertrok ik van Nazare naar Peniche en Sines. Daarna reisde ik naar de Algarve en
deed daar Portimao aan. De kust verder volgend richting Gibraltar bracht mij
langs Culatra, Rompido, Chipiona, Cadiz en Barbate. En vanaf Barbate proberen
velen om door de straat van Gibraltar te varen. Maar dan moet de wind wel
meezitten. In de Straat kan het behoorlijk waaien en de windkracht is dan al
snel twee eenheden hoger. Dat kan neerkomen op windkracht 7-9 bij Tarifa. Daar
moet je snel voorbij zien te komen. Dan is er natuurlijk nog een aanzienlijke
stroming in de Straat waar rekening mee gehouden moet worden. De vloot die in
Barbate wachtte op westenwind deed dat al twee weken. Elke dag was er een
krachtige wind vanuit het oosten.


Links: Algarve Oortimao
Rechts:Andratx
Als je
op reis gaat zoals ik, dan moet je er goed rekening mee houden dat alles een
keer kapot gaat. En dan bedoel ik ook werkelijk alles. Massief zout water dat je
massaal over de boot krijgt dringt overal door en brengt schade aan. Maar de
voldoening na zo'n heftige ervaring is geweldig. Daar geniet je nog dagen van.
Je moet je alleen wel snel over zo'n verlies van 600 euro zetten. Een
verzekering dekt die schade niet en het leven gaat gewoon door.
In Barbate merkte ik dat er een grote zeilboot was met een viertal kranige
kerels die de beste apparatuur aan boord hadden. Zij hadden met hun geavanceerde
apparatuur uitgepluisd op welke dag en op welk tijdstip je het beste door de
Straat kon gaan. Ik had mijn eigen berekeningen gemaakt en hun plan was heel
plausibel. Ik ben hen gevolgd en heb de hele dag westenwind gehad en stroom mee.
Als je dat meemaakt dan moet je niet stoppen bij Gibraltar maar zo ver mogelijk
doorvaren, want het is vrij uniek op de Middellandse Zee. Ik ben dus
direct doorgevaren naar Estepona. Toen heb ik de Spaanse kust gevolgd tegen de
heersende harde oostenwind in. En toen ik een kaap rondde en richting noordoost
ging draaide de wind naar noordoost. Dagenlang dus tegen de wind opboksen. Elke
dag een haven aangedaan en dat bracht me langs Puerto de la Mona, Motril,
Almerimar, Almeria, San Jose, Garrucha, Mazarron, Torrevieja, Campello en Denia.
Op 12 juni kwam ik in Denia aan en dat is de uitgelezen plaats om af te meren.
Wat ik hierna ga doen weet ik nog niet. Ik heb de mogelijkheid om Menorca,
Majorca en Ibiza (de Balearen dus) helemaal te verkennen en dan uit de
Middellandse Zee te vertrekken begin september. Dan zou ik naar de Algarve
kunnen gaan om te overwinteren. Of doorreizen naar Madeira of de Kanarische
Eilanden. Ik weet het nog niet en praat veel met andere zeilers. Een beslissing
hoeft nu nog niet genomen te worden en je hoort onderweg steeds meer belangrijke
details van plaatsen om te overwinteren.
Ik heb het hier geweldig naar mijn zin en het zal niet de laatste keer zijn dat
ik de Middellandse Zee bezoek. Maar dan ben ik mentaal wel beter voorbereid op
het opboksen tegen de oostenwind. So far, so good. Ik ga een mooie tijd tegemoet
met veel ankeren en contacten met medewatersporters van alle nationaliteiten.
Hier in Andratx heb ik contact met drie Duitsers, een Zweed, een Engelsman en
een Spanjaard. Je let op elkaars boot en bezoekt elkaar regelmatig. En zo'n
contact heb je al na een dag of twee. Dat gaat heel snel, want men herkent dat
je net als zij op je boot woont en aan het reizen bent.
Ik had beloofd in Nazare dat ik verslag zou doen van mijn tocht naar de
Middellandse Zee, en hiermee is daaraan voldaan. Ik doe jullie de groeten vanuit
een zonovergoten (32 graden) Majorca en bericht weer als er belangrijke
veranderingen zijn. Maar voorlopig geniet ik hier even van de mensen, het goede
weer en de omgeving.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

10 augustus 2006
Hallo mensen,
De vorige keer schreef ik vanaf de Balearen. Ik ben daar een tijdje blijven
hangen en heb de vele baaien bezocht. Toen ben ik overgestoken van Majorca naar
Menorca. Mehon is een prachtige stad en ik lag voor anker op ongeveer een mijl
afstand van het centrum. Daar heb ik een groep Engelsen leren kennen en ik
was al snel uitgenodigd voor een strandbarbecue. We werden echter verraden door
iemand die daar woont, want de politie kwam en vertelde dat het verboden was op
heel Menorca om vuur op het strand te maken of te barbecuen. Ze waren gebeld. De
enige oplossing die we konden bedenken is het vlees aan boord van de schepen
klaarmaken en naar het strand brengen. En zo werd het toch nog een gezellige
strandbarbecue.
Op mijn weg naar Menorca speelde de bacteriologische vervuiling in mijn
dieseltank weer op. Als het additief de bacterie heeft bestreden moet je nog
alle residu uit de tank zien weg te krijgen. Ik heb filters gekocht, alles
schoongemaakt en afgetapt, en daarna was het weer goed.
Vanaf Mahon ben ik dan weggevaren met als bestemming Sardinië. Halverwege die
tocht veranderde de oostenwind in westenwind en kon ik voluit zeilen. Dat bleef
zo tot aan Malta waar ik nu ben. Toen ik na 2 1/2 dagen bij Sardinië aankwam was
ik zo enthousiast over de wind en het zeilen dat ik de zuidkust van Sardinië ben
gevolgd en niet aan land ben gegaan. Ik ben doorgezeild naar Sicilië waar ik
twee dagen aankwam bij het kleine eilandje Isole Igadi. Omdat er door de hoge
bergen zware valwinden waren, ging ik voor anker een onrustige nacht tegemoet.
In die onrust heb ik nog de impeller vervangen die voor de circulatie van het
koelwater zorgt.
De volgende dag ben ik vroeg op pad gegaan naar Mazara del Vallo. Daar moest ik
diesel tanken, maar er was geen pomp aan de waterkant. Een plaatselijke
politieman die ook zijn boot in de Marina had liggen, heeft me met zijn auto
naar een pompstation gebracht. Toen ik hem daarvoor een klein geschenk wilde
geven zei zijn vrouw dat het beste geschenk was als ik met hen mee zou zeilen.
Ze hadden de zeilboot pas, en zij was bang. Het bleek een snelle grote zeilboot
te zijn met een veel te zwakke motor. Als het dus maar een beetje waaide was het
manoeuvreren in de haven een crime. Ik heb in de haven wat geoefend en toen ging
het wel. Na de zeiltocht werd ik uitgenodigd voor het avondeten. We reden een
heel stuk het land in en ik heb met de familie spaghetti met mosselen gegeten.
Het was een heerlijke avond. Stefano vertelde over de maffia en kon me precies
vertellen wie nu de machtigste baas was en hoe het daar allemaal aan toe ging.
In Sicilië merk je ook dat er allerlei heimelijke zaken
Toen ben ik vertrokken naar Licata, maar toen ik daar aankwam kreeg ik de
kriebels om over te steken naar Malta en dat heb ik die avond nog gedaan.
Gisteren ben ik aangekomen en ik lig voor anker bij een scheepswerf op Malta,
niet ver van Seafront. Het oude stadscentrum van Valetta ligt op een mijl
afstand. De rondvaarten zijn hier big business en ik heb al veel mensen daar
leren kennen. Een dezer dagen ga ik zelf ook zo'n rondvaart maken en ik heb me
laten adviseren wie het meeste over de geschiedenis van Malta kan vertellen. Ik
ben gisteren al begonnen om mijn drankje en eten te gebruiken in een plaatselijk
kraampje aan het Seafront. Daar komen ook alle mensen van de rondvaartboten en
zo leer je ze kennen. Vanmorgen heb ik daar ontbeten met een Engels ontbijtje en
heb mijn pijp maar weer eens aangestoken. Rustig zittend op het terras hoor je
het meeste en ontmoet je de locals. Ben van plan om hier zo'n twee weken te
blijven. Ik heb het idee dat ik dan de sfeer van Malta wel een
beetje beter leer kennen.
Waarheen het daarna gaat is voor mij nog niet duidelijk. Ik moet nog besluiten
of ik doorreis naar Griekenland. En met de winter in het vooruitzicht moet ik
nog bepalen waar ik die zal doorbrengen. Ik ga zeker terug naar de Sicililaanse
kust, want zoals gezegd beviel het sfeertje me daar wel. Mijn zoon komt met zijn
vriendin, die van Sardinie komt, over naar Sardinie in september en misschien
kunnen we elkaar daar ontmoeten.
Dat was het weer even. Ik hoop dat jullie een beetje een indruk hebben gekregen
van het leven hier. Het is hollen en stilstaan. De kriebels zorgen ervoor dat je
soms lange trajecten aflegt. Dat wordt dan weer gevolgd door een wat langer
verlijf voor anker of in een Marina. Mij bevalt die manier van reizen wel, want
als je korte stukken reist van haven naar haven, dan leer je het land en de
mensen niet kennen. En daar is het mij nou juist om te doen.
Groeten,
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

2007
12 november 2006 – 4 februari 2007
Beste
mensen,
Jullie
hebben een tijd niets van mij gehoord. Ik lig sinds 12 november in de Marina van Torrevieja aan de Spaanse oostkust. De Amerikaanse vrienden zijn twee maanden in
de USA geweest en gedurende die tijd heb ik hun kat verzorgd en een beetje op
hun boot gepast. Als dank heb ik van hen een standaardboek over alle zeeroutes
in de wereld met de heersende winden en seizoenen waarin je ze enigszins veilig
kunt bevaren of wanneer je er weg moet blijven. Een zeer nuttige gift. Verder
ben ik helemaal opgegaan in de internationale groep van liveboards. Veel van hen
geleerd over het leven aan boord, maar af en toe had ik ook goede tips voor hen.
Het verschil is dat ik dit doe sinds november 2005 en zij vaak een jarenlange
ervaring hebben. Daar staat tegenover dat zij een lang verblijf in de Marina
achter de rug hebben met satellietschotel en veelal een auto, terwijl ik reis en
het boordleven op zee en op ankerplaatsen beter ken. Velen zijn via de Franse
kanalen hier gekomen en blijven hangen. Iets waar ik nog lang niet aan toe ben.
Tijdens
mijn verblijf in de haven heb ik eigenlijk alles kunnen realiseren wat ik me had
voorgenomen. Hier volgt een kleine opsomming. Een nieuwe plafondbekleding in de
kajuit laten aanbrengen met teakhouten afwerking. Stalen constructie met twee
supports voor de windgenerator laten maken en monteren, dus die staat weer.
Doorzichtige dikplastic schotten met slot voor de kajuitingang laten maken zodat
je overdag veel meer licht in de kajuit hebt. Nieuwe stuurautomaat met kompas in
de kajuit en bediening in de kuip, los van de stuurstang op de helmstok
gemonteerd, zodat hij bij massief water over de boot niet de geest geeft.
Kleppen van de motor gesteld, koelvloeistof vervangen en warmtewisselaar
gedemonteerd en schoongemaakt. Nieuwe zinkanode op de schroefas. Nieuwe
Eberspacher dieselkachel met elektronica gemonteerd. En zo nog veel meer. Never
a dull moment! O, en ik heb een kleine accordeon aangeschaft waar ik volgens
sommigen al heel verdienstelijk de Parelvissers en Evita op kan spelen. Ik heb
er zelf in ieder geval veel plezier mee en hij kostte nog geen 100 euro. Je
blijft toch Nederlander bij al die aankopen. De shipschandlers kennen me hier
als die Nederlander die zwaar onderhandelt voordat hij tot aankoop overgaat.
Maar het zijn ook vrienden geworden en ondanks de korting die ze me inmiddels
standaard geven weet ik zeker dat ze nog steeds aan me verdienen.
Vorige
week kwam Carlien, mijn dochter, op bezoek voor drie dagen. Van haar en haar
vriend Lambert kreeg ik een nieuwe regulator voor de windgenerator die intern
bij stormachtige wind bij Cape Trafalgar bleek te zijn geëxplodeerd. Hij
rammelde toen ik hem had gedemonteerd en dat is een veeg teken bij elektronica.
Hoewel het weer tijdens haar bezoek wat slechter was hebben we ons met
bordspelletjes en goede gesprekken prima vermaakt. En nu is het dan bijna zover.
Ergens in de komende week vertrekken de Amerikanen en ik naar Marocco en
Gibraltar. Eerst nog even naar het eiland op Mar Menor om paddenstoelen te
oogsten en te eten. Ik hou jullie op de hoogte over hoe dat allemaal verloopt.
Denk niet dat ik in die drie maanden niet heb gezeild. Eergisteren nog heb ik
voor de kust gezeild en regelmatig ben ik uitgevaren om op volle zee te
ontbijten.
Groeten,
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

19 februari 2007
Hallo Midgetclub leden,
Ik ben 3 maanden in Torrevieja gebleven van
november tot februari. Tot 15 februari heb ik gewacht op post die vanuit
Nederland naar Torrevieja was gestuurd en toen ben ik vertrokken naar Mar Menor.
Mijn Amerikaanse vrienden waren al eerder vertrokken en wachtten daar op mij. De
lang beloofde paddestoelen waren er nu en we hebben er heerlijke gerechten mee
bereid. Op 19 februari vertrokken we langs de Spaanse oostkust richting zuiden,
maar bij Cartagena haakten ze af en ben ik alleen verder gegaan. Via de marifoon
hebben we afscheid genomen. Zij bleken een relatieprobleem te hebben waar ze in
Cartagena aan wilden werken. Dat kon lang duren en sowieso gingen ze
uiteindelijk een andere koers varen dan ik.

Torrevieja.
's Avonds ging ik voor anker in de haven van
Aguilas. De wind zorgde voor een geweldige deining in de haven en tot ver in de
ochtend klonk er harde discomuziek. Niets voor mij, dus de volgende morgen
vertrok ik vroeg en 's avonds kwam ik in de regen aan in de vissershaven
Carboneras. Een visser zwaaide naar mij en liet me vastmaken aan zijn boot. Om
05.00 uur zou hij uitvaren en de volgende morgen ben ik dan ook weer vroeg
vertrokken. Ik heb een andere visser in het donker gevolgd om niet in de
visnetten voor de haven verstrikt te raken. Die dag bereikte ik Almeria en de
volgende dag Almerimar. Daarvandaan vertrok ik na 3 dagen naar Marokko. Tien
mijlen uit de kust sloeg de boot ineens op een oor terwijl ik in de kajuit was.
De wind bleek van kracht 3 toegenomen te zijn naar 5 met vlagen van 6. Ik had
nog 79 mijlen te gaan en heb de Genua wat ingenomen om de boot minder te laten
overhellen. Het grootzeil reven was door de plotselinge wilde zee en harde wind
onmogelijk geworden. Er zat niets anders op dan de schoot wat te laten vieren
zodat de druk op het grootzeil afnam. Voor insiders, ik voer scherp aan de wind
en had snelheid nodig om de hoge golven te trotseren. Het zou een gedenkwaardige
tocht worden. Ik zeilde de hele afstand en klokte 5,2 knopen gemiddelde
snelheid, wat voor mijn boot heel goed is. De wind wakkerde aan tot een dikke 6
met uitschieters windkracht 7. Driemaal werd de boot door brekende golven zo'n
20 meter opzij gegooid en de gehele reis heb ik onder een hellingshoek van
tussen de 20 en 30 graden gevaren. Massief water in de kuip, maar dat werd snel
afgevoerd. Wel bleef er door de vrijwel constante hellingshoek water staan op de
bakboordsbank en in de opbergruimte in het vrijboord voor lierhendel en
genuaschoot. Onder deze omstandigheden kwam er water in de bilge en dat vond ook
zijn weg tegen de bakboordwand in de kajuit naar de bergplaats onder de bank en
zelfs hoger, het boekenrek. Later in de haven moest ik water uit de bilge pompen
en wat boeken drogen. Maar ik was apetrots op mijn Sogno d'Oro.

Aguilas.
Onderweg kruiste ik de routes voor grote
schepen en eenmaal voer ik zo'n 200 meter achter een groot vrachtschip uit
Istanbul langs. En dat is wel heel dichtbij. Ik weet zeker dat ze me pas op het
laatste moment zagen. Toen ik passeerde stonden twee mannen op de brugvleugel en
keken naar beneden. Ik heb maar gezwaaid en ben verder gevaren. Om 05.50 uur
kwam ik in het donker in de haven van Melilla aan. Melilla is een Spaanse stad
in Marokko. Prachtige gebouwen en parken, en alles tax free. Meteen dus mijn
voorraad diesel aangevuld, hoewel ik nauwelijks verbruikt had tijdens de
overtocht. Maar ik wist dat ik hier goed kon inslaan en had dus maar een
beperkte voorraad bij me.
De Marokkaanse grens is hier maar twee kilometer vandaan en je kunt er dus
lopend naartoe. Ik kwam de tweede dag bij een kleine grenspost en dacht dat ik
daar moest zijn om een kijkje in Marokko te nemen. Aan de Marokkaanse kant werd
ik echter teruggestuurd en verwezen naar een grotere grenspost waar mijn
paspoort gestempeld moest worden. Maar toen ik omkeerde en naar de Spaanse kant
ging, mocht ik Melilla niet meer in omdat mijn paspoort niet gestempeld was. Ik
zat dus gevangen tussen Marokko en Melilla. Na wat heen en weer gepraat werd ik
uiteindelijk weer in Melilla toegelaten. Op zulke momenten moet je wel rustig
blijven, anders gaat het fout. Maar inwendig vervloek je de bureaucratie. Ik ben
op weg gegaan om tenminste die andere grenspost te bekijken. Het was daar zo'n
chaos en rotzooi dat ik het een tijdje van een afstand heb bekeken. Een echte
cultuurschok. Blijkbaar verzamelen de Berbers kleding in Melilla en sjouwen het
dan in grote balen over de grens voor de handel. En als je je dan voorstelt dat
duizend mensen bezig zijn met die klerezooi en verpakkingsmateriaal laten
rondslingeren, dan heb je een beetje een beeld van de situatie. Melilla zelf is
heel schoon en de Spaanse militairen en politie zijn alom aanwezig. In de Marina
wordt zwaar gepatrouilleerd en ik voel me er behoorlijk veilig met de boot.

Melilla
Drie dagen geleden wakkerde de wind hier aan
tot windkracht 8. Extra trossen gezet en een tweede mooringlijn vastgemaakt. En
dat was maar goed ook want het werd gedurende de avond een orkaan met windkracht
12 tot 13. De havenautoriteiten hebben 70 knopen windsnelheid gemeten en meer
dan 63 is windkracht 12. Die avond was een Engelsman bij mij op bezoek en vanuit
mijn boot kon hij zijn tweemaster in de gaten houden. Die stond op een bok op
het droge. Omstreeks 23.30 uur is zijn boot omver gewaaid en we zagen het
gebeuren. De nachtmerrie van elke booteigenaar. Hij wacht nu op de
verzekeringsexpert en verblijft bij mij aan boord. Als liveaboards moet je
elkaar in nood helpen, op zee en op de wal. De volgende keer kan het jou
overkomen.
Voorlopig ben ik dus nog even in Melilla waar het nu warm en weer vredig is.
Groeten en tot een volgende keer,
Groeten,
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

Melilla 25 februari 2007 naar Sao Miquel
Ik pak de draad weer op bij het verblijf van
Len bij mij aan boord omdat zijn boot uit de bok was gevallen bij die orkaan in
Melilla. Uiteindelijk heeft het een volle week geduurd voordat de
havenautoriteiten de boot op een sterkere bok lieten zetten. Alle live-aboards
hebben meegeholpen de boot op zijn plaats te krijgen en de hoofdmast en
verstaging eraf te halen. Een paar weken later kwam zijn vrouw Uschi over en
samen hebben we nog heel veel gesproken over de gebeurtenis en de schade. Len is
een handige vent en inmiddels ligt de boot al weer in het water.
Op 25 februari was ik in Melilla aangekomen
voor een verblijf van drie dagen. Het zou tot 7 april duren voordat de harde
westenwind draaide. Toen ben ik in een dag en een nacht naar Gibraltar gevaren.
Maar ik liet weer eens een goed stel vrienden in Melilla achter.
's Middags kwam ik aan in Gibraltar, en er was geen plaatsje vrij in de Marina.
Toen dus voor anker gegaan in het Spaanse La Linea. Vanaf de ankerplaats heb je
een prachtig uitzicht op de Rots en zie je de grensovergang naar Gibraltar
liggen. Omdat de bijbootjes en buitenboordmotoren in La Linea op klaarlichte dag
gestolen worden, speel je taxi voor elkaar. Als je de wal op wilt dan vaar je
met je bijbootje naar een andere boot en die brengt je dan naar de wal en haalt
je weer op. En zo leer je iedereen daar snel kennen. Iemand vertelde mij dat
mijn Amerikaanse vrienden in de Marina lagen en over twee dagen naar La Linea
zouden komen. Zo kom je elkaar onverwacht toch weer tegen. Toen ik naar
Gibraltar ging ben ik bij hen langsgegaan. Die zelfde middag kwamen ze naar La
Linea. Ze stelden voor om mijn belastingvrije inkopen op hun boot mee te nemen
naar de ankerplaats. En zo ben ik nu in het bezit van een goede boordvoorraad
whisky en pijptabak. En met mijn Amerikaanse vrienden pakte ik de draad weer op
waar het bij Cartagena was opgehouden. We wisselden onze reiservaringen uit.
Op een dag zag ik een Belgische boot bijna
op de rotsen en een man in zijn bijbootje erbij. Dat is niet pluis, dacht ik, en
ik heb de anderen gealarmeerd. We rukten met onze bijboten uit om de boot van
Belgische Mark weer vrij te krijgen. Hij had een tros in de schroef gekregen en
was aan de grond gelopen. Al twee keer eerder had ik bij zo'n actie assistentie
verleend. Eenmaal in Andratx op Majorca en eenmaal in Torrevieja. En altijd een
tros in de schroef. De meesten denken er dan niet aan dat ze een zeilboot hebben
en dus de zeilen kunnen hijsen om te manoeuvreren. Toen we Mark los hadden zijn
de zeilen gehesen en is hij met assistentie naar een gereed liggend anker
gevaren. Hij was namelijk ook nog eens zijn anker verloren. Voor onze
reddingsoperatie kocht hij groot in en we hadden op een grote Engelse boot 's
avonds een barbecue. De volgende dag zag ik op het internet een gunstige
weersverandering opkomen. Ik nam wederom afscheid van mijn Amerikaanse vrienden
en op 15 april reisde ik in twee dagen naar Portimao in Portugal.

Portimao.
Na een goede nachtrust reisde ik door naar
Sines, dat onder Lissabon ligt. Op 20 april reisde ik af voor de grote oversteek
naar de Azoren. Toch een spannende gebeurtenis, ondanks alle eerder opgedane
ervaring. Afhankelijk van de wind kan zo'n oversteek 8 dagen of 18 dagen duren.
Ik ken het verhaal van een Fransman die door gebrek aan brandstof drie dagen in
volstrekte windstilte met de haven Horta in zicht heeft gedobberd. Ik heb met
hem erover gesproken hoe je daar geestelijk mee om gaat. Hij zei dat de eerste
dag een ware marteling was, maar op de tweede dag de berusting volgde. In Sines
had ik toch nog even drie 22 liter jerrycans gekocht en gevuld. Ik heb nu drie
volle boot tanken bij me. En toch moet je spaarzaam met je brandstof omgaan.
De eerste dag had ik goede wind en er was nog veel scheepvaart. De volgende
morgen om 04.00 uur had ik weer dezelfde stormachtige wind als bij de oversteek
naar Melilla. Deze wind bleef de hele volgende dag en nacht aanhouden. Voor het
eerst beleefde ik de sensatie van in je kajuit wachten tot de storm is
uitgeraasd. Lekker warm en veel rustiger dan buiten. Heb zelfs goed geslapen. De
buiteninstrumenten zijn zo gemonteerd dat ik ze staande in de kajuittoegang kan
aflezen. De buiskap beschermt me dan tegen overkomend water. Ik had het
grootzeil al tweemaal gereefd en de Genua wat ingehaald. Daar had ik dus geen
omkijken meer naar.
De derde dag, zondag, was het prachtig weer
met nog steeds krachtige wind. Prima voor de voortgang, want ik deed een dikke
100 zeemijlen per dag. Op zondag heb ik via de Wereldomroep naar het
sportprogramma Langs de Lijn geluisterd. Een welkome afwisseling in de
dagelijkse routine. In de nacht viel de wind volledig weg en moest de motor
bijgezet worden. De zee was glad als een spiegel met een hele lichte
oceaandeining. Blijkbaar was ik buiten de Portugese kust stroming en de
krachtige noordenwinden geraakt, die de zee heel onrustig maken. Het was me in
de voorgaande dagen met letterlijk kunst- en vliegwerk gelukt om iets warms
klaar te maken, maar nu ging ik uitgebreid koken. Witte rijst met een ingeblikte
Duitse goulash met grote stukken varkensvlees. En een Portugese sinaasappel na.
Bij windstilte is het voor de solozeiler essentieel dat hij het moreel hoog
houdt. Bij storm heb je geen tijd om daarover na te denken, dan ben je te druk
met het varen. De maaltijd was heerlijk en de stemming goed. Na het avondeten
kwam er een beetje wind opzetten, maar nu vanuit het westen, dus pal op de neus.
Pas om 05.30 uur, de volgende ochtend, kon ik de motor uitzetten. Toen was ik
ook op de helft van de oversteek. Maar later in de ochtend op die dinsdag klonk
mijn radaralarm. Het was een zware regenbui in aantocht. Je zag geen hand voor
ogen en ik was weer eens blij met mijn radar. Na de bui kon ik me weer
bezighouden met het echte zeilwerk want de wind nam toe en veranderde naar een
voor mij gunstige richting. In de avond, vlak voor zonsondergang zag ik een
vreemd natuurverschijnsel. Op de hele horizon voor me hing een gitzwarte wolk
die snel dichterbij kwam. Daarboven was de lucht helder en in het midden van de
wolk op de horizon zag je een schijnsel als van vuur. Dat was natuurlijk de
ondergaande zon, maar het leek of je zo de hel binnen zou varen. Ik had alles
gereefd want ik dacht te maken te hebben met een squall, dat is een donkere wolk
waar heel veel wind uit komt en die je boot kan platleggen. Maar de wind bleef
normaal, het werd wel ineens steenkoud en het was ronduit spookachtig.
Woensdag kon ik goed zeilen, er was
voldoende wind. Maar tegen de avond viel de wind volledig weg, dus heb ik de
motor zachtjes bijgezet. De volgende dag kon weer goed worden gezeild. Ik kreeg
weer eens gezelschap van dolfijnen. Het blijven leuke dieren, die je altijd blij
maken. Een vrouw vertelde me eens dat ze niet van dolfijnen hield, omdat ze met
name 's nachts zo schrok van hun ademhaling vlakbij de boot. Ik vind dat geluid
juist heel welkom als je midden op de oceaan vaart.
De wind nam gedurende de dag af, maar ik besloot de motor alleen nog bij te
zetten in geval van windstilte. Met nog 200 zeemijlen te gaan voer ik nu met een
snelheid van 2 tot 3 knopen. En toen was het weer windstil en moest de motor
toch nog gestart worden.
Op vrijdagochtend was ik een week onderweg, en het verblijf op zee ging me goed
af. De zon scheen fel, de zee was glad als een spiegel en ik kreeg weer bezoek
van een groep dolfijnen. In de middag ging het hard waaien en moest er gereefd
worden. Ze ging meteen beter lopen. Dat voel je in de kuip, maar ook als je in
de kajuit zit. In de kajuit kun je het goed horen. Om 16.00 uur had ik op 140
zeemijlen afstand van mijn bestemming een radaralarm. Een megajacht wijzigde
koers en kwam naar mij toe varen. Er werd uitgebreid gezwaaid en aan hun gebaren
kon ik zien dat ze het waardeerden dat ik met mijn kleine Sogno d'Oro de
oversteek naar de Azoren maakte. Dat deed me goed. De zee was ruw en er stond
een harde wind. Dat werd in de avond nog heftiger en de boot ging behoorlijk
tekeer. Ik heb me met pijp en leesboek in de kajuit teruggetrokken en de
verwarming aangezet. Het is dan gezellig in de kajuit. De hele nacht en de
volgende dag waaide het windkracht 5 tot 6 vanuit het westen. Ik moest nu dus
naar mijn bestemming kruisen. Met de motor kwam ik er niet tegenin. Dan hield ik
maar 1,5 knopen aan snelheid over. Uiteindelijk zag ik op zondag bij dageraad
het eiland Sao Miguel. Ik zal verblijven in de Marina van Ponta Delgada en het
eiland eens goed bekijken.

Sao Miguel.
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

23 mei 2007
Hallo Leendert,
Ik heb mijn belofte gehouden en de Midgetclub Nederland vereeuwigd in Horta.
Twee foto's doe ik je hierbij als bijlagen toekomen en ook het door jou
gevraagde redactionele stukje voor het clubblad.
Horta
Toen ik op weg ging naar Horta op het eiland Faial van de Azoren wist ik dat ik
daar, zoals zoveel oceaanzeilers voor mij, een tekening zou achterlaten met de
naam van de boot en de datum. De gehele haven van Horta is beschilderd. Elk plat
stukje steen heeft wel een tekening van een bemanning die Horta ooit heeft
bezocht. En velen zijn prachtig qua ontwerp en kleur. Het valt dus niet mee om
nog een vrij plekje te vinden. Maar zoals zo velen heb ik gezocht naar een oude
tekening waar je niets meer van kon herkennen en die dus gedoemd was te
verdwijnen.
Tijdens de negen dagen van de tocht van Sines aan de Portugese westkust naar
Ponta Delgada op het eiland Sao Miguel van de Azoren ontstond het idee om het
symbool van de Midgetclub te gebruiken en dus ook de club te vereeuwigen. Toen
ik van Ponta Delgada vertrok heb ik dan ook een email naar Leendert gestuurd
waarin ik hem vertelde van mijn plan. Maar eerst moet je nog in Horta aankomen.
De tocht was 145 mijl lang en duurde krap twee dagen. Ik kwam 's morgens om
06.00 uur aan en werd prima opgevangen door een grote Engelse zeilboot die vier
uren voor mij was aangekomen. Zij kwamen uit het Caribische gebied. Er was
wederzijds veel respect en dat zou ik de hele tijd die ik hier doorbreng
ervaren. Zeilers weten dat je wat gepresteerd hebt als je van de Middellandse
Zee, het Caribisch gebied of vanuit Engeland naar de Azoren bent gevaren. Ze
verzamelen zich dagelijks in Café Sport en wisselen daar ervaringen uit. Soms
veranderen bemanningsleden hier van schip. De reden kan zijn dat ze naar een
andere bestemming willen of ook dat de sfeer aan boord van hun schip niet
beviel.
Maar goed, nu
terug naar het vereeuwigen van de Midgetclub en mijn boot, de Sogno d'Oro. Na
een week heb ik verf gekocht, wit en donkerblauw, en ben aan de slag gegaan. 's
Morgens ben ik begonnen met de eerste laag en omdat de steen overdag behoorlijk
heet wordt was de verf na drie uren al weer droog genoeg om de tweede laag aan
te brengen. Tegen de avond heb ik de letters aangebracht en nog snel een paar
foto's genomen. Overdag heb ik er stenen omheen gelegd, want de tekening is
gemaakt op het trottoir langs de haven. Toen ik 's avonds van Café Sport
terugliep merkte ik dat de verf droog was, maar de stenen waren allemaal
verwijderd. Waarschijnlijk door iemand van het havenpersoneel die het te
gevaarlijk vindt om de stenen daar in het donker te laten liggen. En daar heeft
hij wel gelijk in, want de havenwand loopt steil af en is spiegelglad. Je zult
in het donker met een borreltje op over zo'n steen struikelen en in het water
belanden. Nee, ik had er alle begrip voor en de verf was toch al droog. Ik heb
voor jullie twee foto's van mijn tekening gemaakt. En zeg nu niet dat je de
golfjes van de clubvlag mist op de tekening, want het was zo al moeilijk genoeg.
Het trottoir bestaat namelijk niet uit gladde steen. Op de overzichtsfoto zie je
trouwens mijn groene boot afgemeerd liggen.

Op de kade van
Horta.

De haven van Horta.
Bij alle
ontmoetingen in de afgelopen twee jaren is mijn boot door velen bewonderd en
vaak heb ik hen de ontstaansgeschiedenis van de Midget 26 verteld. Maar wat toch
vooral telt is het ontwerp van de Oostzeejol in zijn algemeen. Of je nu een 15',
een 20', een 26' of een 31' hebt, het maakt niet uit, ze zien er allemaal uit om
verliefd op te worden. En daarom heb ik altijd veel bekijks in de havens. Het
zijn stuk voor stuk schepen met karakter en als je de haven binnenvaart, dan
merk je dat aan de bewonderende blikken van de omstanders. Uit mijn
reisverslagen hebben jullie kunnen opmaken dat de vaareigenschappen van de boot
er ook mogen wezen. Ach, laat ik maar gewoon zeggen dat ik als zo velen van
jullie de trotse eigenaar ben van een boot in een heel eigen klasse. En dat is
nu vastgelegd in een bekende ontmoetingsplaats van oceaanzeilers.
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

27 juni 2007
Beste mensen,
Terwijl ik dit schrijf ben ik al weer lang
en breed terug in Nederland, om precies te zijn in de haven van Drimmelen bij
mijn watersportvereniging De Amer. Daar kwam ik op 27 juni om 20.00 uur aan. Ik
meerde af bij de meldsteiger en liep naar de woning van de havenmeester om een
plekje te vragen. Daar ontmoette ik diverse leden van de vereniging die op
bezoek gingen bij de havenmeester omdat zijn vrouw die dag jarig was. Het
weerzien was hartverwarmend en nadat ik mijn plekje had gekregen en de boot wat
opgeruimd had ben ik terug gegaan naar de woning van de havenmeester en heb de
verjaardagsavond meegevierd. Er was zang en dans, en een zelfgemaakt lied en het
was weer als vanouds gezellig. Of je nooit weg geweest was. Natuurlijk waren er
vragen over de reizen, maar velen hadden mijn verslagen op de website van de
vereniging gevolgd. Maar laat ik terug gaan naar waar het vorige verslag was
geëindigd, namelijk de aankomst in Ponta Delgada op het eiland Sao Miguel van de
Azoren. Negen dagen had ik erover gedaan vanuit Sines in Portugal.
De Azoren zijn prachtig en Sao Miguel wordt
het groene eiland genoemd vanwege zijn weelderige groene begroeiing. Ik heb met
een jeeptour met gids zowel het westelijk deel van het eiland als het oostelijk
deel bezocht. In het westelijk deel bevindt zich een krater van een vulkaan die
zo groot is, dat er een dorp en drie meren in passen. Twee meren zijn erg bekend
omdat ze naast elkaar liggen en toch twee verschillende kleuren hebben, de een
is namelijk groen en de andere blauw. Heeft met de planten in het meer te maken,
maar als de zon erop schijnt dan is het een prachtig gezicht. Natuurlijk is er
een sprookje over de tranen van een prinses die de meren hebben gekleurd. De
jeeptour was heel erg geslaagd, we bezochten ook nog een ananasplantage, en mijn
gids Ricardo wist veel over het eiland te vertellen. Hij had geen opleiding in
toerisme gevolgd, maar studeerde maritieme biologie aan de universiteit. Ik heb
hem voor een macaroni maaltijd bij mij aan boord uitgenodigd en tijdens mijn
verblijf in Ponta Delgada werden we vrienden. Met hem heb ik ook de tocht naar
het oostelijk deel van het eiland gemaakt. Daar bezochten we een uitkijkpost
naar walvissen, geisers, heetwaterbronnen en een theeplantage. Op die oostelijke
tocht was ik samen met Ian Chaston, een 75-jarige Engelsman. Die kwam op zekere
dag in zijn zeilboot, gesleept door een motorbootje, aan in de haven en zag er
heel vermoeid uit. Ik heb hem met mijn kaart toegang gegeven tot de douches en
heb een warme maaltijd voor hem gemaakt. 's Avonds zaten we aan een glas whisky
op mijn boot. Hij had een zware overtocht gehad vanuit Falmouth in Engeland.
Hij kon niet snel genoeg naar het westen
reizen en werd getroffen door heel slecht weer voor de Golf van Biskaje. De
overtocht had veel langer geduurd dan gepland en er waren zaken kapot gegaan.
Vlakbij de Azoren begaven ook zijn twee gps'n het, waarmee je normaliter je
plaats kunt bepalen. Toen ik de gps'n onderzocht, bleek een van de apparaten wel
degelijk te werken, als je de batterijen er maar in de juiste richting in deed.
Ian had, toen de batterijen gewisseld moesten worden, op het dekseltje gekeken
hoe de batterijen er in moesten, maar er geen rekening mee gehouden dat je dan
het spiegelbeeld ziet. Hij klaagde erover dat de nieuwe batterijen die hij had
gekocht er niet goed in pasten en dat was voor mij aanleiding om te kijken of ze
er wel goed in zaten. Ian was zielsgelukkig dat hij weer een werkende gps had en
zo begon een korte maar heel geslaagde vriendschap tussen ons. Dagelijks kreeg
een van ons de beurt om te koken en aten we samen. Op de oostelijke tocht hebben
we trouwens in een warmwaterstroom gezwommen. Ik nam mijn petje af voor deze
75-jarige solozeiler. Hij had tien jaar geleden in zijn eentje Kaap Hoorn gerond
en er voor zijn familie een boekje over geschreven. Ik kreeg zo'n boekje en hij
schreef er iets aardigs voor mij in. Ian is van plan om elk jaar van de Azoren
naar Madeira te reizen en dan naar de Kanarische eilanden, oversteken naar het
Caribisch gebied en op tijd weer oversteken naar de Azoren enz. Als je die
reizen op de juiste tijd in het jaar maakt, dan is het allemaal goed te doen en
wordt je nauwelijks geconfronteerd met heftig weer. Als Ian zijn plannen
uitvoert, dan kom ik hem vanzelf weer tegen, want zo'n rondje ga ik ook nog eens
maken.
Op 29 april was ik aangekomen in Ponta
Delgada en op 13 mei vertrok ik naar Horta op het eiland Faial. Een Duitse
vriend kwam met zijn grote catamaran vanuit het Caribisch gebied naar de Azoren
en zou Horta en Ponta Delgada aandoen. Op mijn vraag of Horta de moeite waard
was, werd bevestigend door hem geantwoord. Hij wees me vooral op de heel
speciale sfeer in Horta door de aanwezigheid van grote aantallen oceaanzeilers.
Die bepalen daar min of meer de sfeer en ontmoeten elkaar in Café Peter Sport.
De overtocht naar Horta verliep zonder problemen en op 15 mei kwam ik 's morgens
om 06.30 aan. Bij mijn aankomst aan de meldsteiger werd ik geholpen door
Engelsen met een giga zeilboot. Omdat ze het bewonderenswaardig vonden dat ik
met zo'n leuk minibootje naar Horta was gekomen, werd ik meteen uitgenodigd voor
een glas whisky. We moesten wachten tot het havenkantoor om 08.00 openging. Met
Beatles muziek zaten we daar dus 's morgens de een na de andere whisky te
drinken. Het is de ontlading na een oversteek voor de oceaanzeiler. Tijdens het
zeilen wordt er op de meeste boten geen druppel alcohol gedronken, zo ook niet
op mijn boot. Horta werd een heel speciale belevenis. Het is het Mekka voor de
oceaanzeilers. Zij geven de toon aan. Zij maken de sfeer. Zij maken de
schilderingen op havenmuren, kades, steigers en overal waar maar een tekening
past. En ik voelde me er thuis. Die eerste ochtend zat ik al aan de koffie in
Café Peter Sport en 's middags had ik mijn t-shirts daar al gekocht. Alle
zeilers lopen trots in die kleding rond. Café Peter Sport is ook een van de
eerste plaatsen geweest waar je via een WLAN (WiFi) verbinding met je computer
gratis je email kunt binnenhalen, en het web kunt browsen. Voor de zeilers een
must, want zo kun je de weersverwachting bekijken, post binnenhalen en bankzaken
regelen. Soms is het zo vol in het Café, dat mensen buiten op de kademuur zitten
en op afstand verbinding maken met het internet. Ze zitten dan met hun computer
en een biertje buiten te werken.
Met veel vertraging kwam mijn Duitse vriend
aan in Horta. Hij had 500 zeemijlen voor Horta harde wind op de neus gekregen.
En voor bij de boeg was een 19 mm staalkabel gebroken. Dat was ook met een 16 mm
staalkabel van mijn Franse buren met een catamaran gebeurt. Het is blijkbaar een
zwakke plek bij deze boten. Er lagen trouwens heel veel Fransen in Horta. Hele
families met kinderen die uit het Caribisch gebied kwamen. Frankrijk heeft
altijd al iets speciaals gehad met zeilen. Meer nog dan het Verenigd Koninkrijk
en Nederland. Er werd goede muziek gedraaid op onze steiger en van mijn buren
kreeg ik kopieën van Franse en Senegalese muziek. Die draai ik nu nog met veel
plezier. In herinnering ben je dan weer terug in Horta.
Met mijn Duitse vriend en zijn bemanning ben ik met een huurauto het eiland
Faial over geweest. We hebben lekker gegeten en hebben de krater van een vulkaan
bezocht. Reuze groot en erg diep. Ook veel begroeiing in de krater, en dat had
ik niet verwacht. Maar de vulkaan is dan ook niet meer actief. Dit in
tegenstelling tot de vulkanen op Sao Miguel. Vanaf Horta kun je de hoge vulkaan
op het buureiland Pico zien. Veel toeristen en zeilers gaan met de veerboot naar
dat eiland om de vulkaan te beklimmen. Heen en terug een tocht van zes uren.
Op Horta heb ik een HP notebook gekocht. Ik had het lang zonder computer gesteld
en kon met mijn telefoon verbinding maken met het internet voor email. Maar ik
miste de weersverwachtingen op volle zee. De navtex en de marifoon hebben dan
geen nut. In Torrevieja had ik een SSB ontvanger gekocht met een programma dat
via de computer het binnenhalen van weerfaxen mogelijk maakt. In Horta heb ik
daarmee geoefend en op volle zee heb ik er heel veel plezier van gehad. Je ziet
stormen aankomen en kunt je koers aanpassen of tijdig voorbereidingen treffen.
Offenbach in Duitsland en Northwood in Engeland zenden die faxen uit. Als je een
boek van de English Admiralty koopt, dan staan daar alle zendtijden in.

Ponta Delgada.
Veel toeristen komen naar de Azoren voor de
whalewatching. Walvissen komen er veel voor en via wachtposten wordt dat
doorgegeven aan de whalewatchers. Dagelijks vertrekken er uit Ponta Delgada en
Horta grote boten met toeristen die op zoek gaan naar dolfijnen en walvissen.
Uiteraard zijn de dieren nu goed beschermd en er is een code voor boten hoe je
de walvissen mag benaderen. Boven Café Peter Sport is een museum met
walvistanden met tekeningen erop. Ik zag een foldertje met de foto van een
Nederlander die deze tekeningen maakt. Hij heet John van Opstal en ik heb hem
thuis bezocht. John heeft mijn boot op een kleine walvisstand getekend. Een
mooie herinnering aan mijn bezoek aan Horta. De tanden die nu gedecoreerd worden
zijn allemaal oude tanden. Er wordt niet meer op walvissen gejaagd bij de Azoren
en men moet het dus doen met oude voorraad. John weegt ze, bepaalt de prijs, en
dan kun je er op laten tekenen wat je maar wilt. Ik gaf hem een foto van mijn
boot en hij heeft hem prachtig nagetekend. In Nederland was hij reclametekenaar
van beroep, maar hij is tientallen jaren terug geëmigreerd naar de Azoren en met
dit vak begonnen. Hij zocht naar familie in Nederland en meende dat er een
familielid bij de marine zat. Drie jaren terug had hij opgebeld naar de marine,
maar die had hem gezegd dat die informatie geheim was. Via een goede vriend bij
de marine heb ik het e-mailadres achterhaald van zijn vermeende familielid en nu
hebben ze contact met elkaar. Dagelijks dronken John en ik een kopje koffie in
Café Peter Sport en praatten we bij. Weggaan uit een haven is soms moeilijk want
je laat prachtige mensen achter, waar je nog jarenlang veel plezier mee zou
kunnen hebben. Maar op 2 juni vertrok ik richting de Franse kust. Mijn Duitse
vriend en de Franse buren waren al richting Gibraltar en de Middellandse Zee
vertrokken. Eind juli begint de jaarlijkse Midgetreünie en daar had ik voor
ingeschreven. We gaan een tocht over het IJsselmeer maken en dat leek me wel
geslaagd om mee te maken. Het is dan mijn tweede reünie en de vorige speelde
zich af in Friesland en bracht veel vermaak. Bij thuiskomst was iedereen
verbaasd dat ik zo vroeg terug was gekomen, maar laat ik dat uitleggen. Tijdens
de 1 1/2 jaar varen heb ik me gerealiseerd dat ik niet behoor tot de groep
mensen die naar de Middellandse Zee varen en daar dan vijf of tien jaar blijven
wonen. Ik hou van reizen en breng mijn huiskamer naar waar ik maar wil. En
toevallig wilde ik eind juli op het IJsselmeer zijn bij mijn Midgetclub.
Overwinteren doe ik dan in Nederland, een mooie gelegenheid om het afstuderen
van mijn beide kinderen mee te maken. En dan ga ik in april 2008 richting
Denemarken, Zweden en Finland. De Oostzee dus, en daar denk ik een of twee jaar
te blijven. En daarna zien we wel weer.
Op 2 juni vertrok ik dus voor een zeereis
van meer dan twee weken. Ga maar na, het is zo'n 1300 zeemijlen naar Engeland of
de Franse kust voorbij de Golf van Biskaje, en met mijn boot kan ik niet altijd
een gemiddelde van 100 zeemijlen per dag halen. Vanaf het begin zag ik via de
weerfaxen dat er een grote depressie richting de Azoren ging en daar bleef
hangen. Uiteindelijk achtervolgde hij me tot aan de Golf van Biskaje. Ik had het
voordeel dat ik daardoor goede wind had. Bij een lagedrukgebied draaien de
winden tegen de wijzers van de klok in en als je je dus ten oosten van het
lagedrukgebied bevindt heb je zuidwestelijke, zuidelijke of zuidoostelijke wind.
Dat is afhankelijk van jouw positie in het oosten ten opzichte van dat
lagedrukgebied. En die windrichtingen zijn gunstig om bijvoorbeeld richting
Cherbourg te koersen. Uiteindelijk heb ik over het traject Horta - Brest, dat is
1394 zeemijlen, ruim 15 dagen gedaan. Ik was helemaal niet van plan om naar
Brest te gaan, maar daar zorgde de Franse douane voor. Onderweg heb ik vier
schepen en een haai gezien en een zeilreparatie uitgevoerd. Twee dagen na
vertrek uit Brest begaf mijn nieuwe dieselkachel het en werd het 's avonds koud
en vochtig in de kajuit. En vier dagen voor aankomst in Brest begaf de derde,
nieuwe stuurautomaat het en moest er verder gewerkt worden met snelbinders en
een stuk ketting tot aankomst in Nederland.
Ik bevond me na 15 dagen bij Ouissant en was
op weg naar Cherbourg toen een douaneboot me aanhield. Ik moest mee naar Brest
en met vijf knopen per uur werd de douaneboot gevolgd. Ze gaven me diesel voor
de tocht en twee man van de douane waren telkens bij mij aan boord. Ze werden
voor het eten afgelost. Vanaf het begin zeiden ze dat ik rustig even kon gaan
slapen. Blijkbaar zagen ze dat ik er wat vermoeid uitzag na zo'n lange tocht.
Maar ik heb me helemaal gewassen, schone kleren aangetrokken en ben koffie gaan
maken. Tijdens de tien uren naar Brest heb ik veel met die douanemensen gepraat
en mijn Frans weer wat geoefend. Op mijn vraag waarom ze toch al deze moeite
deden werd geantwoord dat de grote baas had besloten dat ik mee moest naar
Brest. Om 21.00 kwamen we aan in Brest en daar stonden klaar een hasjhond, een
duiker en personeel met schroevendraaiers. Mijn boot werd tot in alle hoeken en
gaten gecontroleerd en uiteraard werd er niets gevonden. Ik werd uitgenodigd op
de douaneboot voor een biertje en kreeg 60 liter diesel, een fles zelfgestookte
Calvados en de uitnodiging om zo lang gratis in de haven te blijven liggen als
ik wilde. We werden dus vrienden en na lang praten werd duidelijk dat ik was
opgepakt omdat ik uit het zuiden kwam en mogelijk daarvandaan drugs had
meegenomen. De volgende dag heb ik mijn was gedaan en even wat uitgerust. Op 17
juni was ik opgebracht naar Brest en op 19 juni vertrok ik naar St Peter Port op
Guernsey waar ik in 2005/2006 de winter had doorgebracht. Daar kwam ik 20 juni
aan en heb ik mijn oude vrienden weer ontmoet. Na een maaltijd fish and chips
met deze vrienden vertrok ik de volgende dag naar Cherbourg. In Cherbourg kwam
de regen met bakken uit de lucht en op mijn steiger stond een man met een houten
kano van 8 meter zijn potje te koken en te eten. Het bleek een Pool te zijn die
ter nagedachtenis aan de vorige paus een tocht maakte met zijn kano van Polen
naar Rome.
En dat deed hij dus buitenom, langs de
gevaarlijke rotskusten. Ik heb hem meteen uitgenodigd om bij mij aan boord een
whisky te drinken en op te warmen. Het werd een bijzondere avond met deze Pool.
Ik heb hem blikken Ravioli en bonen gegeven en hij gaf mij twee pakken
droogvoer. Hij leefde op een budget van 4 euro per dag en dan moet je beseffen
dat de douches in Cherbourg 2 euro kosten. En hij douchte wel elke dag. Zijn
ligplaats had hij gratis. Daar vroeg hij nooit om, maar zodra ze hoorden dat hij
met een lange tocht met de kano bezig was werd het hem wel vaker aangeboden. De
volgende dag namen we afscheid en reisde ik door naar Boulogne sur Mer en hij
naar Rome. Twee dagen later kwam ik in een kolkende zee met huizenhoge golven
aan in Boulogne sur Mer. De regen kwam weer eens met bakken uit de hemel vallen.
De volgende dag, op 24 juni begon ik aan de reis naar De Roompot aan de
Oosterschelde en de volgende dag kwam ik daar aan. Zonder sprayhood, want die
waaide met een klap naar binnen oftewel uit zijn lijken in de buurt van
Vlissingen toen er harde wind stond. Daar zat ik dan in de nacht, harde regen en
harde wind, geen sprayhood en geen stuurautomaat. Dan moet je blijven lachen,
want als je jezelf zielig gaat vinden dan kun je het reizen per boot in de
toekomst wel schudden. Zelfmedelijden is een grote spelbreker en je doet er maar
beter aan om de natuur te nemen zoals hij komt. Dat heb ik in al die maanden wel
geleerd. Trouwens grote solozeilers schrijven dat ook in hun reisverhalen.
Na 1 1/2 jaar was ik nu dus terug in
Nederland. Ik kocht nog diezelfde ochtend twee grote blikken erwtensoep van Unox
en een rookworst. Dat alles opgewarmd en heerlijk gegeten. De volgende dag
stormde het met windkracht 9 en 10 en was het niet verstandig om door te reizen.
Goed zeemanschap is ook weten wanneer je moet blijven liggen. Ik knoopte er dus
nog een dag aan vast en begon aan mijn tweede ronde erwtensoep. Na twee grote
kommen besloot ik ook nog een patatje met mayonaise te halen. Vreemd genoeg werd
ik voor het eerst in die 1 1/2 jaar misselijk en ging over mijn nek. Op 27 juni
kwam ik aan in Drimmelen en in het begin van dit verslag heb ik de aankomst al
geschetst. Het is ook heerlijk om weer even 'thuis' te zijn. Het ziet ernaar uit
dat ik met de havenmeester in clubverband ga biljarten gedurende de
wintermaanden. Het contact met de familie is er al meerdere malen geweest en het
is goed. Een gebeurtenis wil ik hier tot slot nog vermelden. Ik ben hardleers,
dus een dag na aankomst in Drimmelen ging ik naar de mij bekende patatkraam in
Drimmelen om mijn tweede patatje in Nederland te kopen. Daar kwam ik in het
verleden wel vaker en dan maakte ik altijd een praatje. Ik was nog honderd meter
verwijderd van de kraam toen de vrouw uitriep: "Daar hebben we onze
wereldreiziger!" Het is toch mooi en hartverwarmend als je er achter komt dat je
bij langdurig vertrek uit Nederland blijft voortbestaan in de herinnering van
mensen van wie je dat helemaal niet verwacht. En nu ga ik 9 maanden genieten van
wat Nederland voor mij te bieden heeft. En me voorbereiden op een verblijf op de
Oostzee!
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

2008
2e Reisverslag van Henk Oosterwijk
vanaf 30 maart 2008
Negen maanden heb ik met de boot in Nederland gelegen, van eind juni 2007 tot
eind maart 2008. Eigenlijk zou ik alleen overwinteren, maar ik kwam wat eerder
van de Azoren terug. De winter heb ik doorgebracht met biljartcompetitie als lid
van het caféteam v/d Diepstraten in Drimmelen, voorbereidingen voor de komende
tocht van twee jaren en af en toe een tocht door en rondom de Biesbosch. Wat de
voorbereidingen betreft, heb ik een nieuwe buiskap en een Taylor petroleumkachel
gekocht. De Eberspächer dieselkachel, stuurautomaat en de buitenaansluiting van
de marifoon zijn gerepareerd. De petroleumkachel met schoorsteen heb ik
ingebouwd om voor het hoge noorden een meer permanente verwarming te hebben.
Daarnaast is een back-up gewenst voor als een kachel de geest geeft en
gerepareerd moet worden. Maar nu ben ik weer op weg, naar het verre Finland en
het uiterste noorden van de Oostzee.
Na afscheid genomen te hebben van mijn kinderen ben ik op zondagavond 30
maart om 22.30 uur op radar de Biesbosch ingevaren als oefening op de komende
tocht. Afgemeerd diep in de Biesbosch ben ik de volgende ochtend in alle vroegte
door de Biesboschsluis verder gegaan en bij Hoek van Holland de zee op. Het was
een prachtige dag met een zee zo glad als een spiegel. Dat betekent dus ook dat
er geen wind stond en je het zeilen kon vergeten. Ik bereikte zoals gepland
IJmuiden en ging de volgende dag op pad naar Texel. Onderweg werd het al in de
ochtend windkracht 5, dat ging naar 6 en uiteindelijk stond er een windkracht 7.
Natuurlijk op dat moment ruime waarschuwingen op kanaal 16 van de marifoon, maar
vóór die tijd niets gehoord. Oudeschild op Texel binnengelopen, schade
gerepareerd en daar twee dagen gebleven. Toen ik na die twee dagen probeerde om
over het wad naar Vlieland te varen, moest ik door de harde noordelijke wind
uitwijken naar het zuiden en ben ik uiteindelijk door de Lorentzsluizen het
IJsselmeer opgegaan. Meteen bakboorduit lag Makkum en ook daar ben ik twee dagen
blijven liggen. In Makkum waren ze druk bezig om het dorp op te knappen i.v.m.
het bezoek van H.M. de Koningin op 30 april. Maar uiteindelijk ben ik weer naar
buiten gegaan en heb twee dagen in de haven van Nes op Ameland gelegen. Een
aangenaam bezoek in zo'n klein haventje met een mooi dorpje vlakbij.
Toen heb ik de sprong genomen naar de Duitse waddeneilanden. Onderweg bij de
monding van de Eems zag ik over bakboord een paar mijlen van mijn boot een
waterhoos, een tornado op zee. Dat was de eerste keer dat ik er eentje zag en ik
heb er dan ook een foto van gemaakt. Imposant zo'n slurf en dat hoog opgezogen
water. Als je daarin terechtkomt kun je Apeldoorn bellen vanuit het ziekenhuis
als je geluk hebt. Het heeft geen enkele zin, maar je geeft toch wat meer gas om
uit dat gebied te geraken. 's Morgens om 03.00 uur kwam ik aan in de haven van
Norderney. Het derde grote Duitse waddeneiland vanuit het westen gezien. De
havenmeester belde de Deutsche Wetter Dienst op Norderney en vroeg of ze
geïnteresseerd waren in mijn ervaring met die waterhoos. Dat waren ze en ik ben
dus op de vouwfiets naar hun weerstation gereden en heb hun de foto laten zien.
Machtig interessant, zo'n bezoek aan de DWD en één van de weermannen, Frank, was
een zeiler en erg geïnteresseerd in mijn plannen. Hij kon me nog wat tips geven
voor de Duitse wadden en dat ik vooral mijn diesel op Helgoland moest bunkeren
want daar was die 40 eurocent per liter goedkoper. Norderney zelf heeft twee
gezichten. De stad is een luxe kuuroord met autoparkeerterrein buiten de stad en
exclusieve winkels in de stad. Buiten de stad is nog prachtige natuur en daar
heb ik op de vouwfiets van genoten. Vervolgens ging de tocht naar Spiekeroog.
Dat eiland wordt wel vergeleken met Schiermonnikoog. Geen auto's, maar ook geen
luxe winkels. Alles erg dorps en eenvoudig. Wel heel mooie huisjes en een oude
houten kerk met modelschepen erin opgehangen en fantastische glas in lood ramen.
Ik heb daar een rondleiding gekregen van de plaatselijke dominee. Op Spiekeroog
leerde ik bij binnenkomst al de enige douanebeambte kennen die ze daar hebben.
Verenigingsleden waren de steigers voor het nieuwe vaarseizoen aan het opbouwen
en hij was een van die verenigingsleden. Een fervent lange afstand zeilen en het
contact was snel gemaakt. Ik ben bij hem thuis geweest en hij heeft mij aan de
hand van zeekaarten laten zien waar ik allemaal op de Oostzee naar toe zou
moeten gaan. Na Spiekeroog ben ik naar Helgoland gegaan. Daar mag je zelfs niet
fietsen. Je ziet er kinderen op een autoped en dat is alles. De ambtenaren van
de gemeente hebben voor hun werkzaamheden elektrische karretjes met laadbak. En
verder heb ik op Helgoland natuurlijk ruim diesel gebunkerd. Officieel mag je
alleen je scheepstank vol hebben, maar het is witte diesel en je kunt je
jerrycans er dus rustig mee vullen. Geen mens kan zien waar het vandaan komt.
Het was stralend weer toen ik de Duitse waddeneilanden en Helgoland aandeed.
Veel zon en dus warmte.
Vanaf Helgoland ging de tocht naar de ingang van het Limfjord, helemaal
bovenin Jutland. Ik wilde namelijk niet door het Kielerkanaal, want dat leek me
nu niet echt avontuurlijk. Dan maar eerst naar het noorden om vervolgens langs
de Kleine Belt weer naar het zuiden af te zakken. Ik heb toch alle tijd van de
wereld. Als je een vakantiereis maakt, dan liggen de zaken natuurlijk heel
anders. Dan moet je korte routes kiezen om zo snel mogelijk in je vaargebied te
komen. De tocht naar Thyboron was lang en ik had op het laatst wind tegen. In
het begin kon ik nog flink zeilen, maar later kon ik dat wel vergeten. Een dag
en een nacht heb ik gevaren en toen was ik er. Aan Thyboron is niet veel te
zien. Het is een uitgestorven vissersplaatsje met nauwelijks een kern. In de
pilot staat ook dat je beter meteen door kunt varen naar Lemvig, maar ik was moe
en aan wat rust toe. Havengeld heb ik daar niet betaald, want de havenmeester
was ver te zoeken. De volgende dag meteen door naar Lemvig. Het was prachtig
weer, alleen een beetje weinig wind. Maar omdat de afstand kort was en ik alle
tijd had heb ik toch nog lekker gezeild. Onderweg zag ik hele groepen zeehonden
op de zandplaten liggen. Heb ik toch even een foto van gemaakt. Ik had ze ook
wel op de Nederlandse wadden gezien, maar daar kun je er niet dicht bij komen en
hier lagen ze langs de vaargeul. Het blijven guitige beestjes met die grote ogen
en ranke lichamen. Lemvig is een bezoek meer dan waard. Ik lag in de oude
vissershaven en had meteen veel bekijks. Je moet weten dat ik de windgenerator
achter op het schip heb staan, maar ook een voorop. Normaliter gebruik ik die
alleen bij het ankeren, maar ik heb hem deze tocht er op laten staan. Geeft
lekker veel stroom en dan hoef je daar de motor niet voor te gebruiken onderweg.
Bij aankomst werd ik geholpen door een Deen. Die zat even later in de kuip en
met een glas limonade en wat salami werd het al snel gezellig. Ik pakte de
accordeon en de trekzak en samen hebben we wat muziek gemaakt. Er was een grote
groep motorrijders bij de haven en die vonden het ook wel gezellig dat wij wat
speelden. Nadat de Deen was weggegaan stond er een zware jongen met hoofdband
met doodskoppen bij mijn boot. Het was een Nederlander uit IJmuiden, Maarten
geheten, en hij was behoorlijk in de olie. Later zou ik horen dat de zondagavond
altijd zijn stapavond is. Dan gaat hij een paar kroegen in Lemvig bezoeken. Hij
zag er ruig uit, en ik moest de volgende dag maar een kop koffie komen halen.
Hij woonde op een oude sleepboot in de volgende havenkom. De volgende dag dus
naar Maarten, maar van een oude sleepboot was geen sprake. De boot was wel oud
en had een lange geschiedenis, maar Maarten had hem goed verzord en helemaal
verbouwd. Ook van binnen had hij het goed voor elkaar. Maarten bleek een jofele
vent te zijn van achter in de vijftig. Jarenlang visser geweest in Thyboron en
met een Deense getrouwd geweest. We hebben een paar dagen met elkaar
opgetrokken. Toen ik de laatste dag eten had gekookt en na afloop de accordeon
en trekzak voor de dag haalde rende Maarten naar zijn schip om een fototoestel
te halen. Dit vond hij prachtig. Ik kreeg een fles in een zak en die mocht ik
pas openmaken als ik uit Lemvig vertrokken was. Het was een fles rode wijn met
een handgeschreven briefje erbij. Hij had ons samenzijn ook bijzonder
gewaardeerd en dat in geheel eigen stijl opgeschreven. Dat zijn briefjes die ik
bewaar. Vanuit Lemvig ging het naar een ankerbaai, Harre Vig. Een prachtige baai
met glooiende heuvels met prachtige huisjes erop. Daarna kwam ik terecht in
Gjol. Als ik in dit verslag een o schrijf, moet je er maar een streepje doorheen
denken als het Deens is. Mijn laptop heb ik in Horta op de Azoren gekocht en het
is dus een Portugese. Om dan die o met een streepje erdoor te vinden moet je de
hele trucendoos opentrekken en dat is het me niet waard. Gjol lag nog uit te
rusten van de winter, maar in de ochtend kwam de havenmeester toch even 120
kronen beuren. En dat is flink aan de prijs voor een haven zonder veel
faciliteiten. Zeven en een halve kroon is oneveer een euro, dus reken maar uit
voor een bootje van acht meter. Maar niet geklaagd, ook Gjol was weer een
bijzondere belevenis. Heel dorps en voor het enige supermarktje waar ze ook
broodjes verkopen moest ik zo'n twee kilometer lopen. Het weer was langzamerhand
kouder geworden en het was wat mistig. Toen ik in Aalborg aankwam regende het en
ik zou merken dat er een groot verschil is op dit moment tussen het weer aan de
westkant van het Limfjord en aan de oostkant. De oostkust van Denemarken zou
zonniger zijn, maar ook daar 's morgens mist. In Aalborg werd ik door
verenigingsleden van de plaatselijke watersportvereniging welkom geheten. Het
seizoen was nog niet begonnen en ik kon daar dus gratis liggen. Een
watersportwinkel stond aan de haven en daar heb ik mijn gastenvlagen voor
Litouwen en Letland kunnen kopen. Die dacht ik toch onderweg te kunnen oppakken.
Vanuit Aalborg ben ik zeilend naar Hals gegaan, dat ligt bij de uitgang van het
Limfjord aan de oostkant. Hier had ik gratis internet via een hotspot. In
Denemarken kom je nogal eens een hotspot tegen, maar dan moet je een abonnement
of een voucher kopen. Hier niet, hier kon je gewoon inloggen en bijvoorbeeld via
Skype bellen. Het liggen was gratis, want ook hier begon het seizoen pas op 1
mei. Ik heb daar vier dagen gelegen en beter weer afgewacht.
Toen ik daar 's nachts vertrok voor mijn tocht naar het zuiden, werd ik bijna
overvaren in de vaargeul door een kanjer van en vrachtschip. Ik voer keurig in
de lichtenlijn en die ging over in een andere lichtenlijn. Ineens zie ik mijn
lichtenlijn van achteren niet meer. Wel zag ik een silhouet van een schip dat
eruit zag als een groot oorlogsschip. En die voer recht op me af. Ik zat al
netjes aan stuurboordzijde van de vaargeul, maar ik ben meteen nog verder
uitgeweken naar de stuurboord boeienlijn. Hij bleek niet van plan te zijn ook
maar enigszins uit te wijken. Hij had een snelheid van wel 20 knopen. Ik vaar
zelf zo'n 5 knopen, dus dan kun je je voorstellen dat het snel op je afkomt. Op
het laatste moment, toen ik de boeggolf van dat schip al hoorde, gooide hij een
grote schijnwerper aan en zette me vol in het licht. Daarna veranderde hij koers
en gaf me wat meer ruimte. Normaliter heb ik een schijnwerper in de kuip die ik
op mijn zeil kan richten zodat een groot schip me kan zien. Dat is een beproefde
methode, maar deze keer had ik daar niet aan gedacht. En als zo'n schip zo
dichtbij is, dan ga je niet even de kajuit in om de schijnwerper te pakken. Het
is trouwens niet de eerste keer dat een groot schip het op mij gemunt heeft, dat
overkwam me ook al een keer ver uit de kust van Portugal. Toch wen je er niet
aan en dat is maar goed ook, want het moet een uitzondering blijven.
Na een nacht en een dag zeilen kwam ik aan in Ebeltoft. Dat is een
schilderachtig plaatsje waarover in de pilot staat dat de oude blokhuisjes
typerend voor Denemarken zijn. Als je in Ebeltoft geweest bent, wordt gezegd dat
je op dat gebied het mooiste van Denemarken hebt gezien. En dat is
waarschijnlijk ook zo. Het is zo mooi dat ik heel veel foto's heb gemaakt. Dat
heb ik 's morgens vroeg gedaan, vlak voor mijn vertrek. Lege straten dus, maar
geweldig mooie plaatjes. De haven zelf was nog aan het ontwaken uit het
winterseizoen. Masten erop zetten en de boten weer wat schoonmaken.
En dan het eiland Tuno. Geen auto's, kraampjes met groenten langs de weg waar
je gewoon geld in een doosje doet en de koopwaar meeneemt en een zalige rust.
Bij de haven meerdere barbecueplaatsen waar de mensen 's avonds met hun vlees
naar toe gaan om het te bereiden. En dat geeft natuurlijk een geweldige sfeer in
de haven. Daarnaast hebben ze veel tafels neergezet om aan te eten en
speeltoestellen voor de kinderen. En op dit eiland heb ik voor het eerst een
kerk gezien die ook dienst doet als vuurtoren. Nooit aan zo'n combinatie
gedacht. Maar de kerktoren staat natuurlijk al op een mooie hoogte voor het
vuurtorenlicht.
In Middelfart lag ik in de oude vissershaven op een mooi stekje. Twee boten
voor mij lag een Deens echtpaar waar ik contact mee kreeg. 's Avonds ben ik bij
hen aan boord geweest. Ik had schipperbitter meegenomen en zij had rabarbertaart
gemaakt dat met crême frêche een heel bijzondere smaak gaf. Hij bleek met zijn
broer in Dyvig, een van mijn volgende bestemmingen, een restaurant aan de haven
gerund te hebben en hij kende Peter, de Deen die in Nordborg zijn fabriekje voor
de Ariës windvaan stuurinrichting heeft. Toen die van zijn wereldreis terugkwam
met de zeilboot was deze man daar bij en hij kon mij er over vertellen. En toen
ik over de Faroer eilanden begon, waar ik volgend jaar naar toe wil, konden zij
mij er veel meer van vertellen want hun zoon had daar gewerkt als kok. En zij
hadden de eilanden toen vaker bezocht. Wat een toeval dat ik die mensen nu
uitgerekend daar in Middelfart ontmoet.
Vervolgens de tocht naar Dyvig. Het ligt in een fjord met een heel nauwe
doorgang. Die is hooguit twintig meter breed, maar goed aangegeven met groene en
rode boeien. Je vaart vlak langs droogvallende ondiepten. En hele velden met de
gele bloemen van koolzaad. Die zie je hier veel. Trouwens tuimelaars, oftewel
een klein soort dolfijnen, kom je hier in de Kleine Belt ook veel tegen. Het
zijn leuke beestjes, veel kleiner dan ik ze van de oceaan ken. Dyvig is de plek
waar ik Peter zal ontmoeten, die een Ariës windvaan op mijn boot zal monteren.
Ik heb hem al een email gestuurd, dus het is afwachten wanneer hij de maat kan
komen nemen en kan installeren. Ik vind het ontzettend spannend en kijk er erg
naar uit. Het is een hartewens die ik al heel lang heb en nu gaat hij dan
eindelijk uitkomen. Zo'n windvaan is een automatische stuurinrichting die geheel
op de wind werkt en alleen mechanische onderdelen heeft. Stroom verbruikt hij
dus niet en dat is op een grote tocht heel belangrijk. Want een electronische
automatische piloot verbruikt bij krachtige wind en hoge golven nog behoorlijk
wat stroom. Degenen die de oceanen bevaren hebben over het algemeen zo'n
windvaan stuurinrichting en op dat gebied is de Ariës een begrip. Ik zal hier
wel een weekje blijven. Ik lig prachtig geankerd en voor de installatie zal ik
even de Marina ingaan.
Normaliter stuur ik eens per twee of drie maanden een reisverslag naar
jullie, maar ik bedacht me dat het dan wel een heel lang verhaal wordt. Sommigen
van jullie vragen me trouwens waar het eerste reisverslag blijft en anderen
vragen of ik al vertrokken ben uit Nederland. En deze stop in Dyvig is wel een
bijzondere tijdens deze reis i.v.m. installatie van de Ariës. Ik hoop dat jullie
mooi weer hebben. Het is zondag 4 mei en ik heb hier de hele dag in de kuip in
T-shirt gezeten. 's Avonds als het kouder wordt gaat de petroleum Taylor kachel
aan en dan is het goed toeven in de kajuit. Hierna ga ik langs wat Deense
eilanden richting Polen en verder langs de nieuwe leden van de EU naar Finland.
Tot een volgende keer.
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

3e reisverslag vanHenk Oosterwijk
t/m 4 mei 2008
De overtocht naar Finland, om precies te zijn
Helsinki, ging vooraf door een niet gepland langer verblijf in de haven van
Tallinn (Estland). Zoals in het vorige reisverslag al vermeld had ik een
probleem met de motor. Een technicus stelde vast dat er kleppen waren verbrand
en die moesten in Finland worden besteld. Dat alles werd vastgesteld voor het
begin van de midzomernachtfeesten in Finland en Estland (rond 23 juni). Maar al
snel werd duidelijk dat er pas na deze feesten iets verwacht mocht worden.
Duitse vrienden gingen alvast naar de Finse kust en mogelijk zou ik ze in het
weekend daarna treffen in Helsinki. Intussen wakkerde de wind aan en begon het
hard te regenen. Niet even een regenbui, maar aanhoudend gedurende dag en nacht.
Nu heb ik het tot nu toe enorm met het weer getroffen, want de regendagen zijn
nog steeds op de vingers van een hand te tellen en ik ben al vanaf 1 april op
pad. Het was toch een lange wachtperiode, want uiteindelijk bleken de Finnen het
niet op voorraad te hebben. Ze moesten het bestellen en dan zou het over een
week binnen kunnen zijn en naar Estland worden verstuurd. Gelukkig woon ik op
mijn boot en heb voldoende tijd, want als je op vakantie zou zijn dan zou je
hele vakantie verpest zijn. Nu ben ik de tijd doorgekomen door met MaxSea, een
zeekaartenprogramma van de hele wereld, te oefenen. Had ik van die Duitse
vrienden gekregen. Ik heb de GPS op de computer aangesloten en nu vaart mijn
virtuele bootje over het beeldscherm. Het is verstandig om ook papieren kaarten
te hebben, want als het programma of de computer het begeeft dan weet je anders
niet meer waar je zit. En in de Finse of Zweedse scheren is dat heel gevaarlijk.
Naast het oefenen met MaxSea heb ik ook elke dag op de trekzak gespeeld. Ik heb
voldoende bladmuziek bij me om te oefenen en ik ben nog maar een beginner. En
ten slotte kwamen er elke dag nieuwe boten en gingen er boten weg. Zo heb ik
veel Finnen, Zweden en Duitsers ontmoet. Sommigen waren op weg naar St.
Petersburg en hadden de benodigde reispapieren door een reisbureau laten
regelen.
Na drie weken kwam er een jobstijding uit Helsinki. De
kleppen waren niet aangekomen, ondanks dat ze eerder hadden gemeld dat ze al
binnen waren en waren verzonden naar Tallinn. Als reden werd opgegeven dat Vetus
Nederland ze niet in voorraad zou hebben. Toen ben ik zelf maar eens gaan bellen
met mijn Vetus dealer. Die had de kleppen de volgende dag al binnen en verzond
ze per snelpost naar Estland. Wat er achteraf allemaal mis is gegaan in de
communicatie wil ik niet meer weten. Op een gegeven moment moet je zelf aktie
nemen en de verloren tijd achter je laten. Ben er trouwens tijdens mijn reizen
achter gekomen dat de Nederlandse handelsgeest elders nauwelijks bestaat. Soms
zie je in de Baltische staten een artikel en wil je het kopen, maar dat kan niet
want het moet in de zaak blijven voor de reclame. Een beetje Hollander verkoopt
het en bestelt zelf snel weer een nieuwe.
Na precies 30 dagen in Tallinn vertrok ik op een
zondag naar Helsinki. Daar heb ik alle benodigde Finse kaarten gekocht. Ik heb
een nacht in Helsinki doorgebracht en ben toen via de Finse scheren op weg
gegaan naar mijn Duitse vrienden die al in Mariehamn op de Aland eilanden waren.
Terwijl ik in de Finse scheren voer en al ver van Helsinki verwijderd was kreeg
ik het bericht dat mijn goede vriend Jeroen Greveling overleden was. Hij was al
jaren ernstig ziek en kon de laatste tijd steeds minder. Toen ik mijn Duitse
vrienden een sms stuurde hebben zij geïnformeerd in Mariehamn of er een vlucht
was naar Stockholm, zodat ik van daaruit verder kon reizen naar Amsterdam en bij
de begrafenis aanwezig kon zijn. Na een reis van 130 zeemijlen van Hanko naar
Mariehamn ontmoette ik Duitse Andreas en Heilke weer, maar kwam ook het bericht
dat er pas in augustus vanuit Mariehamn weer op Stockholm gevlogen werd. Ik kon
niet op tijd bij de begrafenis zijn. Mijn kinderen hebben de honneurs
waargenomen en Carlien heeft een door mij gemaild gedicht tijdens de
plechtigheid voorgelezen. Ik was trots op mijn kinderen, dat kun je wel geloven.
Jeroen wilde trouwens niet dat ik bij zijn overlijden terugkeerde naar Nederland
en mijn tocht zou doorzetten. Het heeft zo moeten zijn.
Met Andreas en Heilke heb ik de overtocht naar Zweden
gemaakt en na nog wat tijd met elkaar doorgebracht te hebben gingen zij richting
Stockholm en ik richting Haparanda, de noordelijkste jachthaven in de Botnische
Golf. Mijn reis voerde me door de Zweedse scheren en die zijn net als de Finse
scheren prachtig. Ik heb veel foto's gemaakt, maar het is heel moeilijk om al
dat moois vast te leggen. Het lijkt net of elke baai of haventje weer mooier is
dan de vorige. Onderweg ontmoette ik een Zweed met zijn gezin. Omdat hij nog een
stuk noordelijk ging en de echte mooie plekjes kende heb ik een tijdje met hem
opgevaren. Het weer werd steeds beter en elke dag was het zonnig en behoorlijk
warm. Alleen de wind bleef vanuit noordelijke richting komen en die kant ging ik
nou juist uit. Op de Middelandse Zee heb ik geleerd om daarmee om te gaan want
ook daar had ik wekenlang de verkeerde wind. Soms kun je dan kruisen, maar
veelal moet bij lichte wind de motor bij. Met name als er golven zijn en toch
weinig wind, dan wordt de boot op zijn koers aan de wind door de golven
tegengehouden. Om niet teveel op de motor te varen deed ik dan een korte
dagtrip. Heel langzaam ging het toch steeds noordelijker.
Ik haal mijn weerberichten op de Oostzee binnen via de
kortegolfontvanger aangesloten op de computer met een speciaal bijgeleverd
programma. Het zijn zogenaamde telexberichten (RTTY) waarin voor gebieden van de
Oostzee een vijfdaags weerbericht wordt gegeven door de Deutsche Wetterdienst
vanuit Hamburg. En daarin zag ik toen ik de Zweedse kust volgde een weerluik van
precies één dag. De wind zou van noordwest naar zuid/zuidoost draaien en daarna
weer terug naar het noorden. Dat zou plaatsvinden op woensdag 30 juli. Ik ben
vanuit Ratan 's morgens vroeg om 05.30 uur naar Haparanda vertrokken, een tocht
van 135 zeemijlen. Inderdaad draaide de wind naar zuid/zuidoost en ik kon met
een gemiddelde snelheid van 4,5 knopen met uitgeboomde genua varen gedurende een
groot deel van de dag en de gehele nacht. Toen ik nog zo'n 30 zeemijlen van
Haparanda verwijderd was nam de wind drastisch af - een duidelijk teken dat er
een windverandering op komst is - en draaide terug naar noord. Op de motor liep
ik op 31 juni om 13.00 uur de haven van Haparanda binnen. Daar trof ik op de
gastensteiger geen enkele andere boot aan. De haven ligt er trouwens prachtig
bij. Er is een clubhuis met keuken, sauna en fiets, waar je gebruik van kunt
maken. En verder is er een museum met allerlei visserij attributen uit lang
vervlogen tijden. Daar heb ik een vrouw ontmoet die mij een rondleiding door het
museum gaf. Naast haar museum zit een jonge knul in wat zij noemen een café,
achter een loket waar je koffie en ijs kunt krijgen. Ik heb na de rondleiding in
het museum de vrouw een kop koffie aangeboden en toen ze me vertelde dat ze
vroeger een soort accordeon had gespeeld, heb ik mijn trekzak gehaald en wat
liedjes voor haar gespeeld. Er werd ook veel gesproken over het leven in deze
noordelijke gebieden. Ze vertelde me dat de lokale bewoners zich nu al weer
verheugen op de maand september waarin het vissen door een wak in het ijs als
wedstrijd wordt beoefend. Het ijs was dan niet zo dik, maar 70 centimeter.
Verder vertelde ze me dat de zomer dit jaar wel erg slecht was, want in mei had
ze in het museum gezeten bij 4 graden Celcius. En pas de laatste dagen kon je
spreken van een zomerse temperatuur. Voor mij alle aanleiding om hier niet te
lang te blijven plakken maar de reis voort te zetten langs de Finse kust naar
het zuiden.
Op de gastensteiger arriveerden nog drie Finse
motorboten, maar daar had ik nauwelijks contact mee. En dat is mijn ervaring
tijdens deze tocht wel, de Finnen en ook menige bewoners van de Baltische staten
zijn vrij gereserveerd waar het de contacten met buitenlanders betreft. Over de
Finnen zegt een Engelsman in een boekje over de stad Helsinki het volgende. Hoe
kun je het verschil tussen een introverte en een extroverte Fin zien? Het
antwoord is: een introverte Fin kijkt naar zijn schoenen terwijl hij met je
praat en een extroverte Fin kijkt naar jouw schoenen terwijl hij met je praat.
Een verklaring voor die afstandelijkheid kan worden gevonden in de historie.
Finnen hebben door de geschiedenis heen leren afzien. De tanden op elkaar en
doorzetten. Zowel wat het klimaat betreft als hun verhoudingen met de Zweden en
de Russen. Uiteindelijk weten ze dat ze de strijd zullen winnen, met
doorzettingsvermogen en veel afzien. En toch zei Andreas, mijn Duitse vriend,
toen we vanuit de Finse Aland eilanden aankwamen aan de Zweedse kust dat hij het
gevoel had eindelijk weer eens echt contact met mensen te hebben. Ze kijken je
recht in de ogen en zijn spraakzaam. Dat vertelde hij me na een bezoek aan de
plaatselijke bakker 's morgens vroeg om zeven uur. Ik kan hem geen ongelijk
geven, want dat is wel de eindindruk die je krijgt als je de Oostzee bevaart.
Een duidelijk verschil tussen Denen, (West)duitsers en Zweden aan de ene kant en
(Oost)duitsers, bewoners van de Baltische staten en Finnen aan de andere kant.
Genoeg hierover, want ik heb ook wel voorbeelden meegemaakt die een uitzondering
op deze eindindruk vormen. En misschien heeft het nog wat tijd nodig.
Hier in het uiterste noorden is het verschil tussen
dagtemperatuur en nachttemperatuur wel weer aanzienlijk. Vandaag was het heel
warm en er volgde dan ook een geweldige onweersbui. Van de vrouw van het museum
vernam ik dat in een naburig dorp de bliksem in een huis was ingeslagen en er
brand was uitgebroken. Nu ik deze laatste zinnen voor dit verslag schrijf is het
21.00 uur en buiten is de temperatuur afgenomen naar 13,9 graden. Binnen heb ik
een pijp aangestoken, de Missa Solemnis van Beethoven opgezet, een single malt
(Islay) whisky ingeschonken en ondertussen brandt de Taylor petroleum kachel
zachtjes. Het is hier binnen 22,4 graden en uiterst behaaglijk. Ik ga nog even
lezen in het reisboek van Eerde Beulakker getiteld 'Naar koude kusten', wat ik
al voor de derde keer lees omdat hij zijn indrukken zo goed weet te beschrijven.
Morgen wordt er noordoostelijke wind met een kracht van 6 tot 7 beaufort
verwacht. Maar omdat ik onder beschutting van de kust vaar, is het mogelijk dat
ik morgen al mijn tocht voortzet en de Zweeds-Finse grens overga naar het Finse
havenstadje Kemi. Morgen eerst maar eens het hoofd uit het luik steken en de
wind opsnuiven. Tot een volgend verslag.
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

4e
reisverslag van Henk Oosterwijk
Ontvangen op 19 september 2008
Ik pak de draad
weer op bij mijn vertrek uit de meest noordelijke haven van de Botnische Golf,
Haparanda. Na Haparanda ben ik langs de Finse kust zuidwaarts gevaren totdat ik
ter hoogte van de Aland eilanden kon oversteken en via vele kleine eilandjes in
Mariehamn zou arriveren. Daar had ik medio augustus een afspraak met Duitse
Bernd die ik in Warnemünde had ontmoet. Hij zou vanaf Mariehamn een Hallberg
Rassy van de zeilclub samen met drie vrienden naar het Zweedse eiland Oland
brengen. Andere clubleden zouden het vanaf dat eiland weer overnemen. Als je de
vorige verslagen goed gelezen hebt, dan weet je dat ik al eerder in Mariehamn
was en daar Duitse Andreas weer terug zag. Ik beschrijf dus een acht op de
Oostzee. Bij de Baltische staten omhoog totaan Helsinki, dan oversteken via de
Aland eilanden naar de Zweedse kust, dan verder naar het noordelijkste puntje
van de Botnische Golf via de Zweedse kust, de Finse kust naar het zuiden en via
de Aland eilanden weer langs de Zweedse kust naar het zuiden.
De tocht langs
de Finse kust was verrassend. Er was veel meer zware industrie dan ik had
verwacht. En soms hing er een nare chemische lucht en waren de havens vervuild.
Heel anders dan de natuurschoon in de zuidelijker Finse scheren. Veel aanspraak
had ik er niet, want de meeste buitenlandse zeilers waren al niet meer in deze
regio en de Finnen zijn nogal gereserveerd. Totdat ik in een klein haventje een
oudere Finse fotograaf van een botenblad ontmoette. Hij tipte me dat hij het
voor elkaar had gekregen dat de doucheruimte, waar ook wasmachines stonden, open
gemaakt was. Immers, we zaten al buiten het toeristenseizoen en bijna alles was
gesloten. Betalen in een kleine haven hoefde dus ook bijna nooit. Hier kon ik
dus gratis douchen en eventueel kleding wassen. De Fin was met zijn motorboot
onderweg en kwam uit de buurt van Helsinki. Hij sprak maar een paar woorden
Engels en onze conversatie beperkte zich dan ook tot veel gebaren. Toch wist hij
me een paar leuke havens op de kaart aan te wijzen en 's avonds heb ik bij hem
aan boord een paar glaasjes wodka gedronken. Hij wist me duidelijk te maken dat
hij getrouwd was met een Vietnamese vrouw en dat daar het woord voor proost net
zo klonk als het Fins/Zweedse woord voor ja, namelijk (phoenetisch geschreven)
joh. Er werd dus steeds met veel gelach joh geroepen als we proosten. Verder had
hij het in zijn boot met een dieselkachel opgestookt tot over de dertig graden,
dus de trui kon al snel uit. De temperatuur in het noorden was al danig gedaald,
overdag zo'n 17 graden en 's nachts niet meer dan 10 graden. Snel verder reizen
naar het zuiden dus.
Langs de Finse
kust kwam ik ook een Duits stel tegen, dat een soort wereldreis aan het maken
was. Ze hadden hun banen opgezegd en waren o.a. naar Australië gereisd om
maandenlang met een daar gekochte auto rond te reizen. En nu maakten ze een
rondje Oostzee in hun klassieke zeilboot. Ze zouden hun boot ergens in Zweden
achterlaten tijdens de winter en omdat ze niet meer zo ver hoefden te reizen
namen ze er alle tijd voor. Ik nam dus weer afscheid en reisde door naar de
Aland eilanden. Onderweg ontmoette ik de schrijver van de Finse havenpilotboeken
en van hem kreeg ik een boek dat ik nog niet had. Dat lijkt zo langzamerhand een
rode draad door mijn Oostzeereis te worden. Duitse Andreas is een cameraman van
de WDR, de Fin een fotograaf van een botenblad en dan de schrijver van de Finse
havenpilotboeken. Maar het zouden er nog meer worden. Want op mijn reis door de
Aland eilanden ontmoette ik nog een Duits stel dat bezig was de havens van de
Aland eilanden met woord en beeld in kaart te brengen voor een Duits botenblad.
En op Gotland ontmoette ik een Zweeds stel waarvan de man een gepensioneerde
fotograaf was en de vrouw nu nog bij de omroep op Gotland werkte als
radioverslaggeefster. Maar ik loop op de gebeurtenissen vooruit. Dit even om te
illustreren dat ik toch wel opvallend veel mediamensen ben tegengekomen.
Een
alleraardigste ontmoeting had ik in een klein haventje op de Aland eilanden met
een jong kanovarend Duits stelletje. Een jongen was een fles aan het vullen met
kraanwater en toen ik hem iets vroeg in het Engels kwamen we er al snel achter
dat we ook in het Duits verder konden communiceren. Met een opvouwbare kano was
hij met zijn echtgenote vanuit Mariehamn vertrokken en had daar zijn auto
achtergelaten. Ik heb koffie voor hen gezet en kon ze voorzien van een paar
weliswaar oude maar toch nog bruikbare Duitse kaarten van het gebied. Die had ik
weer van een ouder Duits echtpaar in Tallinn gekregen, die met hun zeilboot over
de wereld gereisd hadden. In Helsinki heb ik toen nieuwere kaarten gekocht en
dus kon ik deze kaarten weer doorgeven. In een van de kaarten zat wel een gat,
want die had ik gebruikt om een nieuwe pakking voor de koeling van mijn motor te
maken. Heb ik van mijn havenmeester Arij van WV De Amer in Drimmelen geleerd. Is
een voormalig binnenvaartschipper en zit vol met handige trucjes. Even met een
hamertje wat kloppen op de kaart die je op de verbinding legt en dan heb je het
profiel erin en kun je hem uitknippen en gebruiken. Beetje vaseline erop smeren
helpt ook goed. Een goede tip geef ik graag door aan de watersporter. Maar
gelukkig zat het gat onderin de kaart en daar gingen ze toch niet naar toe. Met
name de jongen had mooie tochten in een kano gemaakt. Van kleins af aan was hij
met zijn ouders meegereisd in de kano en hij was het dus gewend om goed door te
peddelen en grote afstanden af te leggen. Het meisje zag er schattig uit met een
regenhoedje op en heel sportief. Toen ik zag dat de jongen heel verlangend keek
naar mijn boek Ostseeblicke van Wilfried Erdmann heb ik hem dat boek ook maar
gegeven. Is trouwens een goed gebruik, om boeken door te geven aan andere
boaties.
In de Westhaven
van Mariehamn kwam ik Duitse Bernd met zijn drie vrienden tegen. Ze hadden net
als ik een zware tocht achter de rug, zij vanuit de Zweedse kust, want we kregen
een wel heel zware regenbui met veel wind op ons dak. Het onweerde ook nog eens
hevig en dat kwam heel dicht bij als je het verschil tussen de lichtflitsen en
het geluid telde. Ik kon Bernd de truc met de startkabels vertellen die ik
opgedaan heb tijdens mijn vorige reis naar de Middellandse Zee en de Azoren. De
autostartkabels kun je zo aansluiten op het want en in het water laten hangen.
Ze zijn niet duur en al helemaal klaar voor snel gebruik. Weer een tip die
doorgegeven kan worden! Tijdens de onweersbui was het zicht gereduceerd tot zo'n
honderd meter en ik moest mijn radarbeeld goed afstellen om de grote
cruiseschepen die daar varen in de gaten te houden. Zal je toch gebeuren dat je
eindigt als boegbeeld van zo'n groot gevaarte.
Met Bernd en
zijn vrienden heb ik dagenlang opgetrokken. We voeren naar Stockholm en Gotland.
Maar toen hun twee weken bijna om waren en ze met windkracht 7 naar Öland voeren
om het schip over te dragen, heb ik per sms afscheid genomen en ben ik een
zuidelijker koers langs de westkust van Gotland gaan varen. Ze moesten pal tegen
wind en hoge golven in naar Öland en kwamen daar pas om 01.30 de volgende dag
aan, terwijl ik een haventje zuidelijker dan Visby heb opgezocht en 's middags
arriveerde. Nu moet gezegd dat ik regelmatig om 05.00 of 06.00 vertrok en zij
pas om 09.00 of 10.00 gereed waren om uit te varen. Wie ver wil reizen moet
vroeg opstaan, want de wind kan gedurende de dag soms flink aantrekken en dat
kun je via een goed weerbericht weten. Toch heb ik er alle respect voor hoe ze
die dag doorgevaren hebben tegen de elementen in. Dat zal beslist geen pretje
zijn geweest.
Ik lag in het
kleine en stille Klintehamn en ontmoette er mijn eerste echte live-aboards en
blue water sailors. Een Zweeds stel waar ik het al eerder over had. Hij
gepensioneerd fotograaf en zij nog werkzaam bij de omroep op Gotland. Vanaf 2001
reizend met de zeilboot in het Caribisch gebied, na een oversteek vanaf de Kaap
Verdische eilanden. Elke zomer gingen ze dan naar Gotland zodat zij geld kon
verdienen bij de omroep. We hebben veel ervaringen uitgewisseld en het was even
alsof ik thuiskwam. Je hebt niet veel woorden nodig om elkaar te verstaan en na
een paar uur is het alsof je elkaar al jaren kent. Die ervaring heb ik op mijn
vorige trip opgedaan. Het is weliswaar hello, goodbye, maar de indrukken tijdens
de ontmoeting draag je nog lang bij je. Daarom voel ik me ook nooit alleen. Ik
vaar weliswaar solo, maar kan al die herinneringen gemakkelijk oproepen en dan
zijn ze weer even bij me. Al die mensen met wie ik kennis gemaakt heb tijdens
het ankeren of in de havens. Het zijn ook vaak heel originele mensen die je
ontmoet met een kijk op het leven waar je telkens weer iets van opsteekt.
Na Klintehamn
ben ik overgestoken naar het Zweedse eiland Öland en kwam terecht in twee kleine
vissershaventjes of zoals de Duitse pilot zegt, einsam gelegener Fischerhäfen,
in Hafennähe keine Versorgung möglich. Mijn type haventje dus! Je legt aan,
wordt geholpen door een visser en kunt gelijk een mooie vis uitzoeken voor in de
koekepan. Midden in de natuur en mensen om je heen die naar het zout van de zee
ruiken. Geen supermarkt in velden of wegen te bekennen, geen bank met
geldautomaat en geen hangjeugd. Twee dagen kon ik met goede wind in de rug
heerlijk zeilen. Maar via het vijfdaagse weerbericht uit Hamburg kon ik een
storm zien aankomen. Toch nog even overgestoken naar de Zweedse kust naar het
pittoreske middeleeuwse haventje Kristianopel. Een must volgens vele Zweden en
buitenlanders die de Oostzee bevaren hebben. En het moet gezegd, er heerst nog
de rust en het tijdloze dat we elders verloren hebben. Mijn ex-vrouw zei vaak
tegen me dat ons verschil lag in het terugblikken in de tijd van mij en het in
het heden leven van haar. Zal wel iets van waarheid in zitten, denk ik nu. Ik
kan dan ook met enige trots zeggen dat ik in Stockholm de verloren gegane
propeller voor mijn klassieke Engelse Walker sleeplog heb kunnen kopen. Ze zijn
niet meer nieuw te kopen, maar ongebruikt lag hij daar op een oude zolder in een
Zweeds pakhuis op mij te wachten. En bij elk vertrek uit de haven wordt de
sleeplog nu weer voorzichtig te water gelaten aan zijn lijntje. Na binnenkomst
in de haven wordt de monitor goed geolied, want daar houdt hij van. Ik was de
propeller verloren toen ik uit de Azoren vertrokken was en ik 's morgens om
06.00 uur midden op de oceaan bij windstilte de motor startte met mijn slaperige
hoofd. De propeller hing vertikaal onder het schip aan zijn lijn en door het
slingeren had hij zich blijkbaar om een van de bladen van de scheepsschroef
gewikkeld. Die ligt daar dus nu op kilometers diepte te wachten op het einde van
de wereld. Wie zegt dat ik niet in de toekomst kijk! O ja, nog een tip, als je
ooit zo'n sleeplog weet te bemachtigen denk er dan aan dat je hem goed zwart
houdt. Doe je dat niet dan wordt hij onherroepelijk een keer door een haai
opgegeten. En het touwtje is dan zeker niet sterk genoeg om hem terug te
krijgen.
In Kristianopel
ben ik wat langer gebleven. In alle rust heb ik wat aan de motor geknutseld. De
brandstoffilters weer eens goed schoon gemaakt, motorolie en oliefilter
vervangen en een lekkage bij het impellerhuis verholpen. Er is altijd wel wat te
doen tijdens een korte stilligperiode en dat geeft je bovendien 's avonds een
voldaan gevoel. Daarnaast is het goed om af en toe onderweg een pauze in te
lassen om een havenplaats echt goed te leren kennen. Zo weet ik nu dat binnen de
oude vestigingsmuren van het eens Deense Kristianopel 38 mensen wonen en dat de
leeftijd van deze bewoners tussen de 55 en 80 jaar ligt.
Daarna heb ik
verder de Zweedse kust gevolgd, langs plaatsen als Karlskrona, het kleine
eilandje Hanö, Simrishamn, IJstad en Abbekas. In Karlskrona heb ik het maritieme
museum bezocht, waarbij de oude boegbeelden en de wapencollectie het meest
opvielen. In het Wasa museum in Stockholm was dat uiteraard het schip zelf, dat
uitstekend geconserveerd is. In Abbekas heb ik een near gale (windkracht 7 tot
8) voorbij laten razen terwijl ik lekker beschut achter de kademuur lag. De boot
was wel erg vuil geworden want vuil van de pier waaide op mijn boot en de golven
sloegen over de kademuur. De combinatie zorgde voor een hoeveelheid drab die ik
gelukkig met een een waterslang gemakkelijk kon afspuiten.
Langzamerhand
kwam ik steeds dichter bij Denemarken en via Gislövsläge heb ik de oversteek
naar het Deense Klintholm gemaakt. Daar in de buurt heb je reusachtige
krijtrotsen. Een imposant gezicht. Vanuit Klintholm met noordoosten wind
afgezakt naar Hesnaes en Gedser. En toen was de cirkel eigenlijk rond, want
vlakbij Gedser ligt het plaatsje Nysted en daar was ik op de heenweg
langsgekomen.
Gisteren heb ik
bij helaas weinig wind de oversteek gemaakt van Gedser naar het Duitse
Grossenbrode. En daar lig ik nu op een meer met open verbinding naar de zee,
eigenlijk een binnenzee dus, voor anker. In Travemunde, dat hier niet ver
vandaan ligt, ga ik een overwinteringshaven zoeken. En als dat niet lukt dan is
er altijd nog Lübeck, maar ook het eiland Fehmarn. Rond mijn verjaardag op 23
oktober komen mijn kinderen, Jan-Jaap en Carlien, langs met de auto vanuit
Nederland en blijven een paar dagen bij mij logeren.
Het wordt nu dus
even stil, want pas eind maart start ik weer op voor de tocht naar het verre
noorden. Deze keer zal ik de Noorse kust volgen, oversteken naar Schotland, dan
naar de Faroer eilanden en vervolgens naar IJsland. Hopelijk werkt het weer
tegen die tijd een beetje mee, want veiligheid gaat voor alles. En per slot van
rekening is mijn boot ook mijn huis. Maar dit jaar heeft ze zich meer dan eens
bewezen op de 'achtbaan' van de Oostzee.
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

2009
5e
reisverslag van Henk Oosterwijk
Ontvangen op 17 mei 2009
Ik pak de draad
weer op in Grossenbrode, waarmee ik het vorige verslag eindigde. Ik kondigde aan
dat ik naar Lübeck zou gaan om een plaats te vinden om te overwinteren. In
Lübeck lukte dat niet, ik kon er wel in oktober blijven liggen bij de Lübecker
Yachtclub in Travemünde. I.v.m. hoge waterstanden door veel oostenwind in de
winter wordt elektriciteit op de steigers weggehaald en worden de havens
praktisch gesloten. Drijvende steigers zie je er nauwelijks. Toen de
havenmeester me een open plaats aanwees, bleek deze tijdens het vaarseizoen
gebruikt te worden door ene Walter. Die stond de volgende dag al op de steiger
omdat hij op zijn ligplaats bijzondere voorzieningen heeft gemaakt voor zijn
invalide vrouw Inge. Hij wilde er zeker van zijn dat er niets beschadigd werd
aan zijn voorzieningen. We raakten in gesprek en hij stelde me voor dat hij eens
met de voorzitter van de Niendorfer Yachtclub zou praten over overwintering in
Niendorf. Ook daar was hij lid en zoals later bleek had hij als handelaar in
schepen en scheepsartikelen wel enige invloed in de club. Ik mocht daar vanaf 1
november komen liggen en na een persoonlijk gesprek met de voorzitter werden we
het al snel eens over het liggeld. Om een lang verhaal kort te houden, ze hebben
me daar werkelijk in de watten gelegd. Het clubrestaurant in de haven werd tot 1
april gepacht door een echtpaar. Ze hielden er i.v.m. hun leeftijd mee op, maar
ik heb gedurende mijn hele winterperiode veel contact met hen gehad. Ze belden
me als er nog iets op het vuur stond en ik kon er regelmatig voor niets eten.
Daarvoor heb ik hun fietsen eens goed onderhanden genomen. Was ook wel nodig en
veel technische kennis hadden zij niet. Zo wast de ene hand de ander. Het
contact met de havenmeesteres Dorette was ook heel goed. Regelmatig werd ik
uitgenodigd voor een etentje bij haar thuis. Ze woont op de bovenverdieping van
een huis in Timmendorfer Strand met uitzicht op de prachtige Neustadter Bucht.
Timmendorfer Strand ligt op nog geen twee kilometer van Niendorf en is een
mondain Kurort met luxe winkels. Elke morgen dronken Dorette en ik koffie in
haar havenkantoor en praten wat bij. Voordat ik wegging hadden een groep
clubleden nog een ontvangst geregeld waarin ik een mand vol proviand en drank
kreeg van de stamgasten. Vanaf 1 november tot 31 maart heb ik namelijk elke
woensdagavond meegedaan met de Stammtisch. Dan komen clubleden voor een drankje
en een hapje naar het clubhuis en wordt het nieuws doorgenomen. Niendorf is
naast een vissershaven een echt dorp, dus de gesprekken waren soms navenant.
Maar er werd ook veel over de financiële crisis gesproken.
Op 31 maart
kreeg ik de kriebels en om 17.30 uur gooide ik de trossen los. De havenmeesteres
en de oude en nieuwe pachters van het clubrestaurant zwaaiden me uit. Ik ben
gelijk de nacht doorgevaren en eindigde die tocht na 75 mijlen in Hesnaes in
Denemarken. Een prima tocht met een paar hazeslaapjes op rustige stukken
vaarwater. De volgende dag kreeg ik bezoek van twee vogeltjes aan boord. Het
leken mij een roodborstje en een mus. Die mus kwam steeds op mijn schouder
zitten en vloog de kajuit in. Daar warmde hij zich bij de verwarming. Op een
gegeven moment vloog hij in de stuurboords slaapruimte onder de kuip, waarin ik
mijn zeilen en andere spullen heb liggen. Ik heb hem toen niet meer teruggezien.
Na overnacht te hebben in Hesnaes ben ik doorgezeild naar Rodvig en vervolgens
naar Dragor. De streepjes in de o moet je er maar weer bijdenken. Mijn Duitse
vriend Andreas tipte me over de vissershaven Dragor. Dat is nog geen 12
kilometer van Kopenhagen verwijderd en het is een heel oud en pittoresk plaatsje
met prachtige huisjes en omgeving. De pier in Dragor is overigens ooit door
Hollanders gebouwd. In Dragor vond ik bij het uitruimen van de stuurboords
slaapruimte het dode vogeltje. Dat ontroert toch even. Hij heeft het niet
gehaald en wie weet hoe lang hij onderweg is geweest. Vanuit Rodvig ben ik met
de bus naar Kopenhagen geweest. Ik heb daar de twee havens bekeken die voor een
bezoek in aanmerking kwamen. Uiteindelijk heb ik drie dagen in Kopenhagen
gelegen, na een deal met de havenmeester. Wat mij deze keer in Kopenhagen opviel
is de verscheidenheid en hoeveelheid fietsen in de stad. Beneden bij de huizen
aan de haven waar ik gelegen heb staat het 's morgens vroeg helemaal vol met
allerlei soorten fietsen. Vooral ook die fietsen met een bak ervoor waar de
kinderen in kunnen zittten.
Vanaf Kopenhagen
heb ik een voor mijn reis zeer gunstige zuidoostelijke wind gehad. Via
Espergaerde, Hornbaek, Hallands Väderö, Varberg en Malö Hamn kwam ik terecht in
Göteborg, de op een na grootste stad van Zweden. Daar lag ik in een Marina 12
kilometer van het stadscentrum. Net als in Dragor was er ook hier een goede
verbinding met het centrum van de stad. Met de tram duurde dat een klein
halfuur. Hallands Väderö was trouwens een mooie baai, waar ik met Zweedse Otto
aan een betonnen steiger lag. Aan de steiger hingen aan beide zijden autobanden
en Otto lag aan de ene kant en ik aan de andere. Ook Otto woonde sinds een jaar
op zijn boot, maar werkte nog wel. Als er een belangrijke vergadering was, dan
moesten ze hem twee dagen tevoren inseinen en dan hees Otto zich in het nette
pak en zorgde dat hij op de zaak was. Voor de rest deed hij alles telefonisch of
via email vanaf de boot. Hij had een 45 voet lange Zweedse boot, waarvan het
merk mij ontgaan is. We hebben samen gegeten en een glaasje gedronken. Wat mij
echt verbaasde is dat Otto zijn boot niet verwarmde. Daar was hij mee opgehouden
omdat het veel condens in de boot gaf en omdat hij het temperatuurverschil
tussen de kajuit en de kuip niet prettig vond. Hij kleedde zich met vier lagen,
dus toen hij bij mij aan boord in de verwarmde kajuit at, moest hij zich eerst
van drie lagen kleding ontdoen. En laat het duidelijk zijn, Otto was geen
zwerver, maar zo te zien en te horen een heer van stand. Hij vertelde me dat het
gedurende de winter soms wel erg koud aan boord geweest was, namelijk zo'n 3
graden Celcius. Maar het was allemaal een kwestie van wennen en goed kleden, zo
vond hij. Verder wilde hij leven van de zee en werd er dus veel gevist. Na
middernacht ging het in de baai zo te keer dat ik het niet meer vertrouwde en
naar buiten voer. Als schipper moet je weten wanneer je in een haven moet
blijven, maar zeker ook wanneer je beter uit bent op open water. Ik heb toen de
nacht doorgevaren en met harde wind een goede 45 mijlen gezeild. Soms voer de
boot 7 knopen en dat is best hard voor zijn 8 meter lengte. Otto zou de volgende
dag misschien nog een klein stukje naar het noorden varen, maar daarna weer
richting Malmö gaan waar hij een afspraak had later in de week. Dus onze
ontmoeting was kort maar krachtig. Een bijzondere kerel, dat wel.
Ik ben een week
in Göteborg gebleven. Daar heb ik olie ververst en een roestvrijstalen koker
voor het opbergen van het hekanker gemonteerd. Nu hoef ik niet meer in mijn
bakskist te duiken om het hekanker te voorschijn te halen. In de haven ontmoette
ik meerdere live-aboards, waaronder Zweedse Claes. Hij vertelde me dat deze
haven door zo'n 20 live-aboards wordt gebruikt om te overwinteren. En hoe kon
het ook anders, Claes is een freelance journalist. Denk even aan al die
ontmoetingen met media-mensen tijdens mijn trip over de Oostzee vorig jaar.
Claes heeft mij tijdens zijn middagpauze Göteborg laten zien zoals alleen iemand
die daar werkt en woont dat kan. Het was weer eens een interessante ontmoeting.
Toen ben ik door
het scherengebied verder noordwaarts gegaan. Prachtige fjorden, baaien en
eilandjes. Pittoreske vissersdorpjes waar de tijd lijkt te hebben stil gestaan.
Maar het is nog heel vroeg in het zeilseizoen, dus de havens waren vaak nog leeg
en verlaten. Ik kwam terecht in Skärhamn, Gullholmen, Fjällbacka, Grebbestad en
ten slotte in Strömstad aan de Noors/Zweedse grens. In Grebbestad was het 's
ochtends bij vertrek zonnig en helder. Maar zodra ik op weg naar Strömstad
buiten kwam was er dichte mist. Een paar honderd meter kon je zien, dus snel de
radar aangezet. Die mist heeft zo'n drie volle uren aangehouden. Ik ben op die
momenten toch altijd weer heel blij met mijn op Guernsey gekochte radar.
Strömstad was mijn laatste Zweedse haven en dat heb ik geweten. In tegenstelling
tot mijn ervaringen in de andere havens was deze haven een teleurstelling.
Hoefde ik in de andere havens niets te betalen, ook niet voor stroom, omdat het
seizoen nog niet was begonnen, in Strömstad durfden ze voor een overnachting 26
euro havengeld te vragen buiten het seizoen. Om even een vergelijking te geven:
in Kopenhagen kostte drie dagen 40 euro en in Göteborg kreeg ik zelfs een week
voor 45 euro. En de hele nacht was het onrustig in de stad omdat er door
jongeren een feest werd gevierd waarbij ze aanhoudend op fluitjes bliezen. De
volgende dag dus snel weg daar en op weg naar Noorwegen.
Aanvankelijk had
ik nog goede wind, maar na tien mijlen hield de wind er echt helemaal mee op.
Toen heb ik maar besloten om van die gelegenheid gebruik te maken om op zeil en
motor de Oslofjord over te steken. Is toch even iets meer dan tien mijlen met af
en toe druk zeeverkeer van en naar de haven van Oslo. Ik had er nog over gedacht
om de 60 mijlen in het fjord af te leggen en naar Oslo te gaan, maar zonder wind
heb ik dat maar laten schieten. Is ook nogal een afstand om dan vervolgens in de
grote stad te liggen. En je moet ook weer 60 mijlen het fjord uit. Het is
trouwens mijn ervaring dat het veel gezelliger in de kleine vissershaventjes is.
Aan de overkant van de Oslofjord kwam ik terecht in het liefelijke plaatsje
Stavern. Onderweg zag ik mijn eerste dolfijnen op deze trip naar IJsland. Ik
denk dat je het tuimelaars noemt. Het waren er twee en ze zwommen even mee.
Altijd weer een hartverwarmende ervaring. En ik praat dan ook met ze, net als ik
deed bij de Azoren en op de Middellandse Zee.
Ik volgde nu
verder de Noorse kust en deed veel mooie haventjes aan. Risor, ankeren bij
Lyngor en Stokken, Mandal, Lista en ten slotte mijn eindbestemming in Noorwegen,
Egersund. Het ankeren bij Lyngor en Stokken verliep niet goed. Bij Lyngor lag ik
aan een meerboei en had ik wegens harde wind en stroming in de baai een hekanker
moeten neerlaten. Toen ik na een paar uur het hekanker controleerde bleek deze
onwrikbaar vast te zitten. Ik heb hem uiteindelijk toch los gekregen, maar mijn
verlangen om in die baai de nacht door te brengen was weg. Ik vertrouwde de
bodem niet. Toen ben ik om half acht 's avonds zeilend de nacht ingegaan en de
volgende morgen om zeven uur kwam ik aan bij Stokken, waar ik aan een rots heb
vastgemaakt en het hekanker wederom neerliet. Nu had ik echter zoveel zijwind
dat het hekanker niet kon houden en de boot met een zwaai tegen de rots opliep.
Weer geen situatie om in te berusten en ik heb dus weer losgemaakt en het
hekanker opgehaald. Doorgevaren naar Mandal en daar kwam ik om twee uur 's
middags aan. Toen ben ik maar eens gaan slapen, na vers brood gekocht te hebben
en wat te hebben gegeten. Met tussenstop in Lista, zoals gezegd ten slotte naar
de haven van Egersund.
Ik wist
vantevoren dat ik daar misschien wekenlang moest wachten op een gunstige wind
voor de overtocht. Het is dan altijd prettig als je wat zielsverwanten ontmoet
en met elkaar wat kunt eten en babbelen. Dat werden Zweedse Espen en Anne met
hun mooie stalen tweemaster, die op weg waren naar de Lofoten voor een
overwintering. En dan nog de Zwitser Rudolf en Duitse Claudia die ook naar de
Lofoten onderweg waren met hun motorboot. Maar omdat beide koppels voor
reparatie in Egersund lagen hebben we wat dagen met elkaar op kunnen trekken.
Interessant is overigens dat Espen en Anne volgend jaar naar IJsland gaan en van
daaruit naar Groenland en vervolgens de Noordwestpassage door. Daar is de
laatste jaren veel minder ijs en doorvaart is mogelijk. Het blijft echter een
riskante route. Het zijn beide outdoor-people. Van beroep houthakkers en de
kettingzaag is hen dan ook niet vreemd. Tien jaar geleden is Espen begonnen met
zeilen en Anne doet dat nu zo'n vier jaar. Het is een hecht stel en ze hebben de
goede mentaliteit voor een lang verblijf op zee. Ik hoop voor hen dat hun
avontuur slaagt.
Op zondag 10 mei
ben ik de oversteek naar de Shetland eilanden begonnen. Er diende zich een
mogelijkheid aan omdat er een hogedrukgebied Tussen Schotland en Noorwegen
ontstond en die bleef daar nog een tijdje hangen. Ik verwachtte weinig wind en
zou dus regelmatig de motor bij moeten zetten. De afstand tot Lerwick, de
hoofstad van de Shetlands, is bijna 250 zeemijlen en daar doe ik minstens 2 1/2
dag over. Weer een mooi avontuur. Uiteindelijk heb ik in een windkracht 5 met
hoge golven hoog aan de wind met gemiddeld 3,3 knopen zo'n 100 zeemijlen zeilend
afgelegd. Daarna werd het kalmer en uiteindelijk klapperden de zeilen alleen nog
maar door de golven die nog niet tot bedaren gekomen waren en de windkracht 1
die was overgebleven. Motor bij dus en die is niet meer uitgeweest tot aankomst
in Lerwick. Geeft niets, want de diesel in Noorwegen is extreem goedkoop. Te
vergelijken met bij ons de rode diesel, maar in Noorwegen kun je niets anders
krijgen. Onderweg kwam een mus zomaar mijn kajuit binnen vliegen. Daar heeft hij
een halfuur geslapen en is toen weer naar buiten gegaan. Gelukkig is het dus met
hem beter afgelopen dan met de vorige mus.
Bij aankomst in
Lerwick werd ik geholpen bij het afmeren door een Duits stel dat ook op weg is
naar de Faröer eilanden. Maar het meeste contact heb ik met een Nederlands stel
dat over een kleine week de tocht naar het zuiden inzet. Voor hen is Lerwick het
noordelijkste punt van hun reis. We eten samen, bezoeken het museum en na het
weekend gaan we een auto huren om het eiland te bekijken. Nu ik dit verslag
afmaak is het zaterdag 16 mei en het waait loeihard. Twee depressies hebben zich
samengevoegd en zorgen voor veel onheil. In deze streken waait het altijd wat
harder en zijn de golven hoger en gevaarlijker. Ik moet dus weer wachten op goed
weer voor de overtocht naar de Faröer eilanden die op zo'n 250 mijlen
hiervandaan liggen. Voorlopig heb ik het goed naar mijn zin in Lerwick met zijn
7000 inwoners. De Oostzee heb ik definitief geestelijk achter me gelaten en de
eerste etappe van de reis naar IJsland is geslaagd. Een mooi moment om dit
eerste verslag van 2009 aan jullie te versturen. Tot het volgende verslag.
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

6e Reisverslag van Henk Oosterwijk
Ontvangen op 03-07-2009
Op
de Shetland eilanden heb ik de tijd van mijn leven gehad. Weliswaar werd met de
andere zeilers in de haven dagelijks over het weer gesproken i.v.m. vertrek naar
de volgende haven, maar het kwam mij heel goed uit dat het twee weken duurde
voordat de zee wat tot rust kwam. In die twee weken heb ik veel mensen leren
kennen, en dat waren vooral muzikanten. Eerst leerde ik Maggie en Brian kennen.
Zij speelt als zestienjarige de viool met zo'n snelheid en souplesse, dat je er
koude rillingen van krijgt. En Brian is de plaatselijke gitaarleraar en eigenaar
van een muziekwinkel. Samen hebben ze twee cd's gemaakt en tegen kerstmis moeten
er nog twee uitkomen. Maggie is trouwens ook heel verdienstelijk op zeilgebied
want ze heeft onlangs nog meegedaan aan kampioenschappen in Kroatië met haar
Laser. De muziek op de Shetlands is heel belangrijk. Ze hebben heel snelle, op
Ierse muziek lijkende jigs en op school leert 50 procent van de kinderen viool
spelen. Op de eerste dinsdag van de maand wordt er in The Lounge, een
plaatselijke bar, geen alcohol geschonken en kunnen de kinderen van het eiland
daar hun kunsten vertonen. Ze leren dus al heel jong om op te treden voor
publiek. Daarnaast is er bijna elke dag wel ergens livemuziek, waarbij iedereen
kan meedoen die een instrument meeneemt en bespeelt. Zo heb ik ook op mijn
trekzak gespeeld terwijl ik begeleid werd door vijf vioolspelers. Die pakten
eenvoudig het Ierse liedje Southwind op, terwijl ze dat nog niet kenden. Ik heb
genoten die avond, want het geeft je een fantastisch gevoel als goede spelers
jouw deuntje oppakken en het als het ware optillen naar iets wat op concert
kwaliteit lijkt.
Toch ben ik na meer dan twee weken vertrokken naar de Faröer, dat 250 zeemijlen
van de Shetlands is verwijderd. Je moet namelijk vanuit Lerwick eerst om de
eilanden heen voordat je een rechte koers naar de Faröer kunt varen.
Aanvankelijk was de zee nog erg ruw en stond er veel wind. Maar uit de
weersvoorpellingen had ik opgemaakt dat het rustiger werd. En zo heb ik 2 1/2
dag heerlijk gezeild. Onderweg zag ik veel Puffins, dat is de Papagaaiduiker.
Leuke kleine papagaai-achtige vogeltjes, met heel kleine vleugels, die je veel
bij de hoge rotsen van Shetlands en Faröer ziet. Maar midden op zee kom je ze
dus ook tegen en als je vlakbij bent dan duiken ze met zijn allen onder water en
komen pas na lange tijd weer boven. In de vroege ochtend om 04.00 kwam ik aan in
Thorshavn, de hoofdstad van de Faröer. En daar maakte ik de eerste dagen kennis
met zes Polen op een grote stalen boot. Met spreekt over het algemeen slecht
over de Polen, maar ik heb alleen maar goede ervaringen met hen. Altijd goed
gehumeurd, en dat komt waarschijnlijk ook omdat ze weinig luxe gewend zijn en
goed kunnen improviseren. De transmissie van hun motor weigerde elke verdere
dienst en dus moest er worden gerepareerd. Omdat dit euvel zich pas voordeed,
toen ze naar IJsland wilden vertrekken, en ze toch wat sip waren, heb ik een
barbeque voor hen georganiseerd. Vlees gekocht, dat ze zelf verder van
specerijen mochten voorzien, en 's avonds de barbeque opgestookt. Het werd een
mooi feest en ze waren er heel blij mee. Ik heb een boek over alle technische
onderdelen op een boot en zo kon ik ze een plaatje laten zien van de regulator
valve, waar volgens mij het probleem zat. Die hebben ze uitgebouwd,
schoongemaakt en weer gemonteerd. En toen hadden ze in ieder geval weer druk op
de leidingen en werkte de transmissie weer. Zij blij en ik trots op de boeken
die ik aan boord heb.
Inmiddels had ik Paul, een Noorse freelance journalist leren kennen en daarmee
mijn kennismaking met de mediawereld voortgezet die op de Oostzeetoer is
begonnen. Hij gaat een reportage voor de televisie maken over de Faröer,
IJsland, Shetlands, Orkney's en Schotland. Hij moest wachten op de aankomst van
zijn kajak, want daarmee wil hij hier rondpeddelen. En het is geen beginner,
want hij heeft al grote tochten gemaakt in de wereld, die soms jaren duurden.
Verder heeft hij jarenlang met een fiets door Europa en Zuid-Amerika gezworven.
Een interessante kerel dus. Hij slaapt in een tent zomaar ergens op de Faröer,
in de omgeving van Thorshavn en overdag zit hij bij de receptie van een
nabijgelegen hotel zijn website bij te werken. In Noorwegen is hij een vrij
bekend figuur, want hij heeft een achtdelige documentaire gemaakt en diverse
boeken geschreven over zijn tochten. Toen ik hem in de hotelreceptie leerde
kennen heb ik hem meteen uitgenodigd voor een macaroni hap bij mij aan boord en
omdat het die nacht behoorlijk regende heb ik hem bij mij aan boord laten
slapen. Is toch wat warmer dan in een tentje in de open lucht. Warm is het hier
's nachts niet, en dat begon eigenlijk al in Noorwegen en de Shetlands. Voor
warmte moet je toch naar het zuiden afreizen.
Paul heeft bij de plaatselijke roeivereniging gevraagd of hij daar zijn kajak
kan stallen en of hij met hen kon meerijden naar roeiwedstrijden in traditionele
Faröer boten. Ik heb hem aangeboden als zijn assistent te fungeren en zijn
statief voor de camera te dragen. Dat vond hij een goed idee en zo hebben wij
samen die roeiwedstrijden beleefd. Een fantastisch cultureel gebeuren waar de
eilandbewoners tegen elkaar roeien. Een damesteam van Thorshavn won goud en twee
andere teams de bronzen medaille. Wij hebben dat allemaal mee mogen maken en we
kregen zelfs een uitnodiging om bij de vrouw die ons daar naartoe reed
walvisvlees en blubber (walvisvet) te eten. Zij en haar man waren erg
gecharmeerd van de reisverhalen van Paul en van mij. Ik had geen enkele haast om
naar IJsland te vertrekken en Pauls reportage op de Faröer was nog maar net
begonnen.
Dan
nog even over de walvisvangst. Iedereen die de noordelijke wateren bezoekt loopt
er eens tegenaan. Ik veroordeel het doodknuppelen van zeehonden en de drijvende
walvisfabrieken die met harpoen en explosieven op de walvissen jagen. Maar ik
ben milder over datgene wat hier een week voor mijn aankomst gebeurde. Pilot
whales (kleine walvissoort) waren gespot en een algemeen eilandalarm gaat af.
Mensen spoeden zich naar het water en helpen mee de walvissen in een fjord te
jagen. Daar worden ze gedood en wordt het vlees verdeeld naar het aandeel dat de
deelnemers aan de jacht hebben gehad. Er wordt niets verkocht en het heeft dus
geen enkele commerciële achtergrond. Op de een of andere manier vind ik een
dergelijke vangst te billijken. Zelf zou ik er niet aan meedoen, maar als je
generaties lang op deze wijze gejaagd hebt en je portie vlees hebt gekregen dan
ligt dat anders. Het was twee jaar geleden dat de walvissen zich zo dicht in de
buurt van de eilanden vertoonden en ze op deze manier op walvissen hebben
gejaagd. Genoeg hierover gezegd.
Ik
heb kennis gemaakt met de bemanning van een boot uit de Orkney's. Zij kennen de
plaatselijke vissers heel goed. Ik werd samen met hen uitgenodigd om op bezoek
te gaan bij de beste visser van de Faröer. Met zijn allen hebben we de
voetbalwedstrijd Faröer - Servië bezocht. Voor en na de wedstrijd werd er stevig
gedronken. Bier en whisky, net zoals wij wel eens bier en een borrel drinken, de
zogenaamde kopstoot. Daarbij werd gedroogde vis, blubber en gedroogde lam
geserveerd. Ze eten dat als chips. De blubber was heel interessant. Die kauw je
niet zo makkelijk fijn. Ik kreeg het advies om hem in combinatie met de
gedroogde vis te eten en dat heb ik dan ook gedaan. Ongetwijfeld is het heel
calorierijk en in een koude omgeving als hier was dat vroeger noodzakelijke
voeding. Met veel trots vertellen de Faröer vissers dat de mensen daar heel oud
worden.
Op
een dag schampte een vissersboot bij het uitvaren van de haven mijn boot en
ramde vervolgens met hoge vaart een boot die achter mij lag. Achter mij lagen
namelijk twee boten naast elkaar en de buitenste boot werd vol op de boeg
geraakt. Er was veel schade op die andere boot en gelukkig had ik alleen wat
krassen. Ongeluk zit in een klein hoekje en je weet nooit wanneer jij aan de
beurt bent. De bejaarde visser was erg aangedaan door het ongeluk. Zijn
verzekering betaalde mij een contant bedrag uit voor het verhelpen van de
krassen.
Omdat ik een maand in Thorshavn lag, maakte ik ook kennis met de schipper van
een schoener die met gasten rond de eilanden voer. Ik had hem via de Orkney
bemanning al leren kennen en op een dag werd ik gevraagd om mee te varen. Ik heb
de hele trip aan de grote helmstok gestaan en het was een prachtige tocht. De
volgende avond vroeg hij mij ook mee te gaan en wat op de trekzak te spelen voor
de gasten. Ik zou tijdens mijn verblijf in Thorshavn nog vele malen meevaren op
de schoener en met rubberboten grotten bezoeken. Een leerzame tijd, want Birgir,
de schipper, kent de stromingen en de kustlijn op zijn duimpje. De
eilandbewoners zijn trouwens altijd bezig met het weer. Weersvoorspellingen
hebben een grote impact en ze noemen de eilanden dan ook wel de eilanden van
maybe. Daarmee wordt bedoeld dat het sterk van het weer afhangt of men zich aan
een afspraak kan houden. Veel vervoer vindt plaats over het water en dat is
afhankelijk van de weersomstandigheden.
Op
maandag 29 juni ging ik op reis naar IJsland. Ik was 27 dagen op de Faröer
gebleven en het was weer tijd voor verandering. Via zgn. gribfiles die via het
internet zijn te downloaden had ik een goed idee van het weer tijdens deze
overtocht. Ik had in Thorshavn een groep IJslanders leren kennen die met
opblaasboten met vaste bodem (zgn. rib's) vanuit de ooskust van IJsland in
negentien uur over waren komen varen. Die afstand is ca. 300 zeemijlen, dus ze
hebben gemiddeld 15 mijlen per uur gevaren. En tussen IJsland en de Faröer staat
gewoonlijk geen strak zeetje. Een hele prestatie dus, en toen ze aankwamen in
Thorshavn heb ik ze op whisky en rum getracteerd. Op een gegeven moment had ik
dertien mannen op mijn boot. Eén zat op het dak bij het luik en nam zo zijn
drankje in ontvangst. De volgende dag kreeg ik een fles cognac, whisky en wodka
(gefilterd door lavastenen). Ze voelden zich schuldig dat ze bij mij vier
flessen whisky hadden geleegd. Ik werd uitgenodigd om naar de Vestmannaeyjar
eilanden te komen, want daar kwamen de meesten vandaan. Deze eilanden liggen
onder de zuidwestkust van IJsland en zijn behoorlijk beroemd vanwege
vulkaanuitbarstingen in 1963 en 1973. In 1963 ontstond zo het nieuwe eiland
Surtsey. Hoewel de tocht naar de oostkust van IJsland voor mij korter zou zijn
(300 zeemijlen) heb ik toch besloten om te mikken op de Vestmannaeyjar eilanden
(400 zeemijlen) en de uitnodiging aan te nemen. Van daaruit is een tocht naar
Reijkjavik goed mogelijk. Was ik op de oostkust geland, dan is het gebruikelijk
i.v.m. de heersende oostenwinden om tegen de klok in IJsland te ronden. Na alle
verhalen over piekende golven i.v.m. ondieptes en gevaarlijke kapen, gaf ik de
voorkeur aan de rechtstreekse oversteek naar de eilanden.
Daar ben ik vandaag, vrijdag 3 juli, om 10.00 uur plaatselijke tijd in dichte
mist aangekomen. Drie mannen van de rib's heb ik al ontmoet. Morgen zal een van
hen me een sightseeing tour op het hoofdeiland Heimaey geven. In tegenstelling
tot de Faröer is dat het enige eiland van de Vestmannaeyjar dat bewoond is. Dit
weekend vieren ze groots dat er in 1973 een vulkaaneruptie is geweest die bijna
de ingang van de haven afsloot. Daar is nu nog 73 meter van open. Het was een
spectaculaire aankomst vanmorgen. Hoge rotsen met hier en daar plateau's met
groen gras, een nauwe doorgang, mist en zon, blauw water. Ik denk toch dat het
een van de mooiste havens is waarin ik heb gelegen. Einar, zeg maar een van de
spraakmakende figuren van de groep van de rib's, bezocht me net met zijn
vriendin. Ik zal tijdens mijn verblijf de hele groep weer ontmoeten. Ze zijn
toch verrast dat ik naar IJsland ben overgezeild. Maar voor mij was dit het
ultieme doel voor dit jaar. Vorig jaar was dat Haparanda, aan de noordelijkste
kust van de Botnische Golf, en dit jaar de Faröer en IJsland. Hoe het me hier
vergaan is en waar ik vervolgens naar toe ben gegaan, dat lezen jullie in een
volgend verslag.
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

7e
Reisverslag van Henk Oosterwijk
Ontvangen op 11-08-2009
Wat ik op de
Vestmannaeyjar heb meegemaakt zal me nog lang bijblijven. Ik ontmoette de groep
mannen die naar de Faröer waren overgekomen met hun Zodiacs. Ze hadden me immers
uitgenodigd om naar hun woonomgeving, de Vestmannaeyjar te komen en ze hebben me
het eiland in al zijn facetten laten zien. Ik viel met de neus in de boter, want
toen ik vrijdags aankwam, begon 's avonds het jaarlijkse feest waarbij het einde
van de vulkaanuitbarsting in 1973 wordt gevierd. Dat feest duurde het hele
weekend. Ik heb geen ongeregeldheden gezien gedurende die drie dagen en toch
werd er flink gefeest en gedronken. Overal speelden bandjes en werd meegezongen.
Het was een spektakel om nooit te vergeten. En dat was nog maar het begin. Een
dag na aankomst werd ik al in een auto over het hele eiland gereden. En dan zie
je pas goed wat de vulkaanuitbarsting in 1973 teweeg heeft gebracht. De haven is
toen bijna afgesloten. De ingang is nu nog minder dan 100 meter breed. Toen ik
aankwam met de boot was het zo mistig dat je maar een tiental meters kon zien.
De rotswand bij de ingang doemde dan ook ineens op en leek aanvankelijk op
bruinzwarte rook. Op het eiland is veel lava te zien en dat wordt nog wel
gebruikt bij bouwwerkzaamheden. Toch bloeien er planten en bloemen op die lava.
Heel gek om een compleet zwart gebied te zien met op vele plaatsen op zichzelf
staande groene bladeren en witte bloempjes. En dan is er die berg waar de wind
het hardst waait in heel Europa. Er zijn daar golven van 22 meter gemeten. Daar
wil je beslist niet met je boot in zitten. Het is dus oppassen geblazen, net als
bij de Shetlands en de Faröes.
Een paar weken
later kwamen Paul en Magnar aan. Paul had mee kunnen varen met de Noorse
solozeiler Magnar in een 32 voets zeilboot. Toen ze aankwamen hadden ze een
probleem want de boot beschikte niet over een binnenboortmotor, maar over een
kleine buitenboordmotor van 2,3 pk. En dat is echt veel te weinig in deze
wateren, maar ik zou zeggen dat het overal te weinig is. Als er stroming staat
of harde wind, dan heb je niets in te brengen als er iets met de zeilen fout
gaat. Ze konden dan ook niet tegen de wind in varen met die buitenboordmotor.
Gelukkig zag ik een kennis met een Zodiac en die heeft ze naar een steiger
gesleept. Maar eigenlijk vind ik dit onverantwoord, om met zo'n kleine
buitenboordmotor te varen. Magnar dacht er nog over om door te varen naar de
ooskust van Groenland, maar hij zou zeker naar het eiland Jan Mayen gaan. Ik
hoop voor hem dat dat allemaal goed afloopt, maar ik heb er weinig vertrouwen
in. Paul is na twee dagen alweer afgereisd naar Thorshavn op de Faröer omdat hij
zijn reportage daar nog niet af had en een groot feest aan het eind van de maand
juli wil meemaken.
Ik zelf wilde
een groot feest op de Vestmannaeyjar van 31 juli tot 3 augustus meemaken. En
tussentijds eigenlijk nog Reykjavik bezoeken. Dat laatste is niet meer gelukt.
Voordat ik het wist nam ik deel aan een grote barbeque in een prachtige baai op
het eiland. Met zodiacs zijn we met alle spullen daarnaartoe getransporteerd. Er
waren wel 80 mensen en we hebben tot laat in de ochtend gefeest. Vervolgens heb
ik bijna alle eilanden met een zodiac bezocht en heb ik nog op één eiland
geholpen met het opdrijven van de schapen. Die werden daarna geschoren en weer
vrijgelaten. Daarna kwam de jacht op de puffins. Dit jaar mochten ze gedurende
vijf dagen jagen. Ik heb meegemaakt hoe jagers van een eiland werden opgehaald
met de door hen gevangen puffins. Een heel avontuur, want de zee was die dag
beslist niet rustig. De eilanden zijn steil en als je aan wal gaat of van het
eiland af wilt, dan moet je langs lange touwen omhoog klimmen of afdalen.
Uiteraard is alles onderaan het eiland erg glibberig van de zee en de
beplanting, dus je kunt je ongeveer wel voorstellen hoe risicovol dat allemaal
is. Ik heb geen ongelukken zien gebeuren, hooguit een wat onzachte landing in
een zodiac. Zelf balanceerde ik een keer op de boeg van een zodiac maar een
sterke hand trok me snel naar binnen.
En ten slotte
was er dus dat grote feest waarbij hele straten van witte tenten worden gebouwd.
Die straten hebben zelfs namen, zodat je een tent terug kunt vinden in de massa.
De tenten hebben ook een vastgestelde grootte en in het algemeen worden ze
alleen door de lokale bevolking geplaatst. In totaal doen er zo'n 12.000 mensen
mee aan het feest, en met een inwonertal van 4200 mensen is het merendeel
afkomstig van het vasteland (dat is dan IJsland). Ik heb bij de voorbereidingen
meegeholpen om grote houten smilies te maken en heb een kennis geholpen om de
tentstokken van een nieuwe verflaag te voorzien. Ik heb later gehoord dat er
14.000 mensen op dat feest zijn geweest. Ik ben op de zondag, terwijl het feest
zijn laatste dag beleefde, afgereisd richting Orkney's. Er was weliswaar een
lagedrukgebied op komst vanuit Ierland, maar ik dacht het door mijn vroegere
afreizen toch uit de weg te blijven. Dat laatste is niet gelukt.
Gedurende vier
dagen had ik minimaal windkracht 5 tot 6 en er waren dagen bij van windkracht 7
en 8. Weinig slapen en geen warm eten. Na 5 1/2 dag kwam ik aan in Thorshavn op
de Faröer. Ik had moeten uitwijken i.v.m. de stevige oosten en zuidoostenwinden.
Op de Vestmannaeyjar had ik al motorproblemen en dat was ook de reden dat ik zo
snel mogelijk richting het zuiden wilde afreizen. Ik kreeg de motor zo goed als
niet meer gestart. Een cylinder deed niet mee. En ik had al contact met NL over
de inbouw van een nieuwe motor. Deze motor had vijftien jaar zijn werk gedaan en
aangezien ik de vierde eigenaar ben weet ik niet hoe de anderen de motor
behandeld hebben. Toen ik de boot pas gekocht had heb ik de motor een totale
revisie moeten laten geven i.v.m. zeewater in de motor. En vorig jaar in Tallinn
waren er dus kleppen verbrand. Tijd voor een frisse start met een nieuwe motor.
Maar op die tocht door de storm en bij de aankomst op de Faröer was ik volstrekt
op de zeilen aangewezen. Ik heb na de storm de fok gewisseld voor de genua zodat
ik meer power met de zeilen had. Bij de Faröer staan harde stromingen en het is
echt oppassen geblazen. Met de zeilen alleen red je het dan soms niet.
Gelukkig kreeg
ik bij de Faröer de motor nog een keer gestart. En ik kon dus gelukkig op de
motor tussen de eilanden door naar Thorshavn varen. Eenmaal in de haven om 05.30
lokale tijd viel de motor nog een keer uit, maar gelukkig kreeg ik hem weer
gestart en kon ik afmeren. Aangezien je op zo´n aankomstdag nog vol adrenaline
zit, kun je het slapen wel vergeten. Ik heb maar twee uur gelegen en ben later
met de schoener van Birgir uitgevaren. ´s Avonds ben ik toen wel op tijd naar
bed gegaan en heb heerlijk acht uur vol gemaakt. Ook de volgende dag ben ik met
Birgir op toer geweest met uiteraard veel betalende gasten. En de dag daarop was
het maandag en kon ik bij een watersportwinkel op zoek gaan naar een
ophangbeugel voor de buitenboordmotor zodat ik die in nood voor mijn Midget kan
gebruiken. Ik heb een opklapbare beugel gevonden en hem aan de zwemtrap
gemonteerd. Hij is alleen bruikbaar in een haven of op een rivier. Want met veel
golven komt de buitenboordmotor uit het water omdat het schip dan teveel
steigert.
Tijdens de
overtocht naar Thorshavn heb ik in de storm toch ook wel wat water binnen
gekregen. Er moet aan bakboordzijde een klein lek zijn bij de fittingen van
verstaging of zo. Want als ik het gangboord onder water zeil, dan neemt de boot
water. Op de Vestmannaeyjar was ik erachter gekomen dat mijn Henderson handpomp
niet meer werkte. Er zat een scheur in het rubber van de uitlaatventiel. Maar ik
heb nieuwe rubbers op de Vestmannaeyjar kunnen krijgen en dat was maar goed ook,
want ik heb de pomp goed kunnen gebruiken. Trouwens een boot zonder bruikbare
pomp is levensgevaarlijk. Ik heb gelukkig altijd nog wat alternatieven, maar in
een noodgeval moet je met een puts aan de gang. En dat kan alleen als het water
totaan de lippen staat (spreekwoordelijk uiteraard). Al met al was het dus een
enerverende tocht geweest en ik heb er weer veel van geleerd. In de haven ben ik
meteen aan de slag gegaan om de schade te reparereren. Scheuren in het
groootzeil en de buiskap, een reeflijn die kompleet losgeschoten was, en meer
van dat soort kleine zaken. Allemaal te verhelpen en het geeft 's avonds bij het
naar bed gaan een goed gevoel als je je werk hebt gedaan.
Ik ben op het
moment aan het informeren wat het zou kosten om hier een nieuwe motor te kopen
en te laten monteren. Er is het belastingvoordeel, want ik hoef hier geen
belasting te betalen. Maar op een eiland maken de transportkosten de prijzen
altijd wat hoger dan op het vasteland, dus het is afwachten wat er uit die
onderhandelingen komt. Toch moet ik uiterlijk begin september hier weg zijn,
want dan komen de grote depressies en is er een kortere periode van acceptabel
zeilweer. De zee komt dan niet meer echt tot rust en als je te lang wacht dan
kun je niet meer naar het zuiden afreizen en zit je hier vast voor de winter. Ik
heb hier mensen ontmoet die dat vorig jaar is overkomen. Hoe het met mij hier
afloopt vertel ik je in het volgende reisverslag. Dat zal dan voor dit jaar het
laatste zijn, want ik heb besloten om de winter in NL door te brengen. In ieder
geval een flink aantal maanden.
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

8e Reisverslag van Henk Oosterwijk
Ontvangen op 25-09-2009
Uiteindelijk heb ik besloten om in Thorshavn een nieuwe motor in te laten
bouwen. Het is een Volvo Penta drie cylinder 28 pk geworden. Deze Volvo heeft
overigens nog het grote voordeel dat er een geweldige dynamo bij wordt geleverd.
Die zal me in de toekomst 115 Amp leveren i.p.v. de huidige 35 Amp. Is op grote
reizen een enorme plus, want dan hoef je je motor niet zo lang te laten draaien
om de accu's op te laden en dat kost weer minder diesel. Op een kleine boot als
de mijne zijn dat belangrijke punten. In de omgeving van Thorshavn heb ik
proefvaarten gemaakt en toen bleek dat de motor genoeg power levert om er een
zwaardere schroef op te zetten. Maar daarmee wacht ik totdat ik terug in
Nederland ben. Typisch genoeg is dat daar weer goedkoper en men werkt met
programma's die precies berekenen welke schroef het best voor jouw boot en motor
is. Genoeg over de motor, want zeilen blijft toch het belangrijkste.
Om
verder naar het zuidoosten te varen moest ik eerst de komst van de tropische
storm Bill afwachten. Op het Nederlandse nieuws vernam ik dat een tropische
storm nog nooit zo noordelijk Europa is voorbij getrokken. Wat het weer in de
noordelijke wateren betreft is er een enorm verschil tussen het weer 's zomers
en wanneer de herfst begint. De golven zijn veel hoger, de zee komt minder tot
rust en de wind is veel krachtiger. Je moet bij de overgang van zomers naar
winters weer veel geduld hebben. Afwachten totdat er een korte periode van
kalmer weer aankomt. En zo heb ik dat ook beleefd. Ik heb het weliswaar erg naar
mijn zin gehad op de Faröer, maar ik was toch dagelijks bezig met het
interpreteren van de weerkaarten. Ik kan iedereen het programma grib.us
aanraden. Ga naar www.grib.us en registreer je. Het kost niets en het is een
programma van de Defense Mapping Agency in Amerika. De meeste zeilers die ik ben
tegengekomen werken inmiddels met dit programma. Als je je geregistreerd hebt
dan verschijnt er op de website een link voor het downloaden van het programma.
Met dat programma kun je dagelijks je zogenaamde gribfiles downloaden. En op die
gribfiles worden de windkracht en windrichting aangegeven in een gebied dat je
zelf bepaalt. Dat kan de hele wereld zijn. Probeer het eerst thuis maar eens uit
en je zult zien dat deze informatie heel goed bruikbaar is voor degenen die
grotere reizen maken. Af en toe vraagt het programma bij het downloaden je
emailadres voor verificatie. Gewoon invullen en daarna gaat het downloaden
verder.
En
dan is het zover. Er is een zgn. weather window om naar het zuidoosten te varen
voordat Bill arriveert. Slechts een paar dagen relatief rustiger weer.
Amerikaanse kennissen besloten te vertrekken en ik ging voor hen uit. Ook het
Pools/Franse echtpaar met de Vagebond (cruisen al 30 jaar in noordelijke wateren
en schrijven boeken en geven presentaties) zagen de mogelijkheid om richting
Parijs te vertrekken. Niet meer wachten, zeiden ze, want dan kan het te laat
zijn. Op maandag 24 augustus 17.00 LT vertrok ik naar Scalloway op de Shetlands,
de Amerikanen volgden me een uur later. Zij namen bij de Faröer een andere meer
noordelijke route. Ik ging door de sterke stroming met de hoge golven. Daar
maakte ik een snelheid van 6 tot 7 knopen op de motor met het grootzeil gehesen.
Die combinatie hield ik de hele twee dagen van de overtocht vol, want het was
heel scherp aan de wind koersen en snelheid was belangrijk. Tegen de golven in
dus, maar het ging goed. De nieuwe Volvo Penta kon het goed aan en ik verwachtte
de vijftig motoruren, tijd voor de eerste inspectiebeurt door een Volvo dealer
i.v.m. de garantie, tijdens de overtocht vol te maken. De zee was nog steeds
wild van de stormen van de afgelopen dagen en de wind was toch nog een goede 5
beaufort. En dan gebeurt het in de tweede nacht, met uitschieters naar
windkracht 6 scheurt het grootzeil finaal doormidden. Ik merk het eigenlijk
doordat de giek lager komt te staan en bijna op mijn sprayhood rust. Met een
zaklantaarn kijk ik omhoog en zie dat er niets meer te redden valt. Toch moet
het zeil zo snel mogelijk naar beneden want het slaat alle kanten op. In de
kajuit heb ik me in mijn pak gehesen, en vastgemaakt aan de lifeseezing ga ik
naar voren. Door het gemis van het grootzeil slingert de boot enorm heen en weer
en ik weet me aan de verstaging en mast vast te houden. Op dit soort momenten,
het is echt niet de eerste keer dat ik eruit moet om iets te verhelpen in slecht
weer, praat ik tegen mezelf. Ik zeg duidelijk en hardop wat ik doe. Het is mijn
ervaring dat dat de concentratie verscherpt. Als iets gelukt is zeg ik wat
vervolgens moet gebeuren. En zo krijg ik het zeil op het slingerende schip op de
giek gebonden. Als ik naar achteren ga en weer in de kajuit ben, ben ik moe maar
zeer voldaan. Ik kijk naar de snelheid en ga weer op de goede koers voor
Scalloway liggen. Over de gehele overtocht heb ik 4,5 knopen gemiddeld gevaren
en dat is best goed als je bedenkt dat ik tegen de golven in gevaren heb.
Op
26 augustus om 15.30 LT kwam ik in Scalloway aan bij de bootclub. Ik heb
heerlijk geslapen en de volgende dag al met mijn vouwfiets Lerwick bezocht. Daar
heb ik een monteur voor de servicebeurt geregeld die dezelfde dag nog mij met
mijn vouwfiets mee terugnam naar Scalloway en het nodige onderhoud aan de motor
heeft verricht. In Lerwick heb ik ook de Amerikanen bezocht. Die waren best sip
na die wilde overvaart. Ze hadden net als ik een wilde zee beleefd en harde
wind. Hun motor viel uit door een geblokkeerd filter. En vervolgens hield de
plotter er ook mee op. Ik heb geprobeerd ze wat op te monteren door te zeggen
dat het mooie aan zeilen het contrast is. Zo ben je met inzet van je leven bezig
om de overtocht goed te laten verlopen en problemen op te lossen in een wilde
zee en het kabaal van de wind en niet lang daarna zit je in de kuip en vertel je
rustig over wat je beleefd hebt. Dat hielp hen een beetje om het geheel wat te
relativeren, maar de schrik zat er nog steeds goed in. En zij hebben een hele
grote Swan zeilboot, met drie bemanningsleden. Ik voelde me toch trots dat de
kleine Sogno d'Oro en ik er zo goed uitgekomen zijn. Want dat grootzeil was toch
al aan vervanging toe. Ik had het diverse malen opgelapt, maar soms als ik het
op de giek aantrok en vastbond scheurde er een naad en moest ik weer aan de bak.
De stof van het zeil was door de jaren heen zwak geworden, je kunt ook zeggen
gaar. En door de vier jaar lange ervaring gaat bij mij het moreel niet zo snel
omlaag. Ook deze keer heb ik weer luide Bach muziek gedraaid tijdens de harde
wind. Een prachtige combinatie, moeten jullie ook eens proberen. Is beter dan in
een concertzaal met kuchende mensen.
Ik
heb nog geprobeerd om het grootzeil op te lappen, maar toen ik zag dat het
achterlijk gescheurd was en er daar zelfs een groot stuk zeil (40 cm2) verdwenen
was, heb ik het zeil in Scalloway gedumpt. Wel even de reeflijnen en de
mastleuvers eraf gehaald, want die kun je nog eens gebruiken. Ach, het was een
goede ervaring om ook dit eens mee te maken. Nu moest ik alleen op mijn genua de
tocht naar het zuiden verder afmaken. En dan moet je wachten op gunstige wind.
In
Scalloway trof ik op de vrijdag ook een andere Amerikaanse boot aan die de
overtocht had gemaakt vanuit Thorshavn. Over hun riskante tocht kun je alles
lezen op de website www.crosstheatlantic.com. In Thorshavn waren de mensen niet
zo te spreken over hen omdat ze een mayday hadden verzonden toen ze
onverantwoord dicht langs een eiland voeren waar altijd enorme stroming staat.
Toen de helicopter ter plaatse was hebben ze gemeld dat ze de boot weer onder
controle hadden. Je moet op hun website maar eens kijken met wat voor een bootje
ze deze tocht ondernemen. Nog dezelfde dag zijn ze vanuit Scalloway verder
gegaan naar de Orkney's, iets wat ik zelf niet deed omdat toen en de dagen erna
er een 30 tot 40 knopen harde wind stond tussen de Shetlands en de Orkney's. Dit
heeft alles te maken met de tropische storm Bill. En een foute beoordeling van
de weerssituatie kan je de kop kosten. Je moet ook weten wanneer je in de haven
moet blijven.
Tijdens het eerste weekend van mijn verblijf op de Shetlands was er toevallig
ook het bluesfestival. Ik heb dus in de Scalloway Hall en de volgende dag in het
Scalloway Hotel heerlijk van blues genoten. Maar ook de leden van de bootclub
waren heel uitnodigend wat hun clubhuis betreft en daar heb ik ook wat uurtjes
doorgebracht. Ze beschikten trouwens over uitstekende douches en een wasmachine
en droger, en dat was allemaal bij de prijs van 6 pond inbegrepen.
Er
kwam heel wat slecht weer met harde wind over ons heen, maar op woensdag 2
september zag ik weer een weather window en ben snel vertrokken naar de
Orkney's. Mijn bestemming daar was Kirkwall, omdat ik Dave en Matt in Thorshavn
had ontmoet en Dave in Kirkwall woont en me had uitgenodigd om langs te komen.
De overtocht was enigszins ruw, omdat de golven nog niet bedaard waren na de
laatste storm. En ik wist dat ik tegen windkracht 4 tot 5 uit het zuidwesten
moest opboxen. Maar zoals gezegd, het was een unieke gelegenheid om weer los te
komen van de Shetlands. Na een lange tocht op voornamelijk de motor - aan het
eind draaide de wind en kon ik de genua zetten - arriveerde ik op donderdag om
02.30 in de haven van Kirkwall en had ik toch nog een goede nachtrust. De
volgende dag werd ik al door Dave uitgenodigd voor een lobster maaltijd bij hem
thuis. Hij heeft me in de daaropvolgende dagen veel van de Orkney's laten zien.
Ik heb de Highland Park Whisky distillery bezocht en weet nu in principe hoe je
een goede single malt whisky maakt. Op maandag 7 en dinsdag 8 september raasde
een storm over de Orkney's met 50 knopen wind. Toch weer een hele belevenis in
de tamelijk open haven van Kirkwall. Weer eens zag ik boten die bijna over de
steiger heen kwamen. Zelf had ik meerdere lange lijnen uitgezet naar een
vingersteiger die op 10 meter afstand van mijn vingersteiger lag. Voor een
overwintering is de haven van Kirkwall in ieder geval minder geschikt. Vanuit
Kirkwall heb ik via het internet alvast een nieuw grootzeil besteld bij
zeilmakerij De Vries in Lemmer. Mijn nieuwe zeil krijgt een derde reef erbij en
is gemaakt van het dikste bruine doek dat ze kunnen leveren. Zekerheid voor
alles. Dan maar wat langzamer bij lichte wind. Kan mij wat schelen, want aan
wedstrijden doe ik toch niet mee. Verantwoord doorvaren bij harde wind is
belangrijker. In Nederland zal ik aan mijn giek wat voorzieningen moeten
aanbrengen voor de derde reef.
Het
is misschien vreemd, maar pas als je het zonder een zeil moet stellen, realiseer
je je dat de zeilen de motor van de zeilboot zijn en dat je daarin moet
investeren. En eigenlijk zijn ze bedrijfszekerder dan de echte motor, want op
zich doen de zeilen het altijd en met een dieselmotor mag je dat alleen maar
hopen. Een vervuilde brandstof- of koelwaterfilter, water in de diesel, zeewater
in de motor, defecte injectoren, verbrande kleppen, er kan toch nog veel mis
gaan bij een dieselmotor. Ook al kan ik inmiddels veel verhelpen, bij defecte
injectoren of verbrande kleppen houdt het op. Overigens wordt wel eens vergeten
dat bij een bepaalde helling van de boot een dieselmotor onvoldoende smering
krijgt, warmloopt en uitvalt. Daarom wordt er op bepaalde punten aan de Noorse
kust waarvan het bekend is dat de zee er heel wild is in konvooi gevaren onder
leiding van de Noorse kustwacht. Met name motorboten maken hier dankbaar gebruik
van. Ik zal me een stuk rustiger voelen als mijn zeilen weer compleet zijn.
Ik
heb de twee weken in Kirkwall niet volgemaakt, want op zondag 13 september zag
ik een mogelijkheid om verder naar het zuiden te reizen. Na twee dagen varen
kwam ik aan bij Holy Island en daar heb ik twee dagen geankerd gelegen. Veel
zeehonden, zandstanden, echte kastelen en prachtige zonneschijn. En dat allemaal
terwijl ik over de wereldomroep hoorde dat het weer in Nederland niet bepaald
rooskleurig was. Met de stroom mee ben ik op donderdag op de motor - de wind
kwam uit het zuidoosten en daar moest ik nou net naartoe - naar Blyth gevaren.
Daar heb ik in de Marina geparkeerd en het enige dat ik over die haven kan
zeggen is dat het stikt van de meeuwen en dat ze een bootclubhuis hebben.
Vrijdag ben ik van Blyth naar Hartlepool gevaren en zaterdag kwam ik aan in de
laatste Engelse haven voor de oversteek naar Nederland, Whitby. Whitby is een
groot circus. Tel Scheveningen, Travemunde en Warnemunde bij elkaar op en neem
daarvan het kwadraat en dan heb je Whitby met zijn waarzeggers, tatoeageshops,
snoepwinkeltjes en alles wat je zo op een kermis tegenkomt. Ik voelde me er als
zeiler helemaal niet thuis. De volgende dag ben ik dan ook meteen aan de
oversteek begonnen. Ik wist dat de laatste mijlen ruig konden worden i.v.m.
naderende storm. Toen ik na anderhalve dag in het donker even ten noorden van
Vlieland zeilde, kondigde de Nederlandse kustwacht storm voor alle distrikten
af. Ik was dus geheel volgens planning pricies op tijd in de haven van Oost
Vlieland.
Na
twee nachten ben ik naar het IJsselmeer vertrokken, want in Hoorn geeft mijn
dochter Carlien een feest i.v.m. het bereiken van de 25 jarige leeftijd. Via
Staveren ben ik in Hoorn bij WVS Hoorn terechtgekomen. Een aanrader, want je
ligt er in een prachtige groene omgeving. En eind volgende week is mijn
grootzeil al klaar in Lemmer. Veel eerder dan oorspronkelijk gedacht. Daarna ga
ik naar mijn eigen vereniging, WV De Amer in Drimmelen. En daar blijf ik een
tijdje liggen tot de volgende lange reis. Hier eindigt voorlopig mijn
reisverslaglegging. Ik heb heel veel beleefd en ik hoop dat jullie het een
beetje hebben kunnen volgen via deze berichten. Tot het volgende avontuur.
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

2010
1e reisverslag van Henk Oosterwijk
2010
Na een
overwintering in Drimmelen van 13 oktober 2009 tot 29 maart 2010 was het weer
tijd om op pad te gaan. TIjdens die overwintering heb ik veel aan de boot
gedaan. Koelkast gebouwd, nieuwe bekleding, reserve accu met voltmeter, nieuw
kompas, rolfokinstallatie, berghout verwijderd en de naad tussen boven- en
onderbouw opnieuw gekit, nieuwe driebladschroef, vetveters vernieuwd bij de
schroefas, nieuwe hoezen voor grootzeil en rolgenua, kortom een hele waslijst.
De motor was op de vorige reis al vernieuwd en grootzeil en genua waren bij
terugkomst vernieuwd. Ja, je moet je boot in goede staat houden als je er lange
reizen mee wilt maken. Alles moet tiptop in orde zijn.
Op 29 maart
ging ik er dus vandoor terwijl vrienden op de steiger stonden te praten.
Plotseling hadden ze door dat ik er echt tussenuit piepte, en zo mag ik het ook
graag doen. Want anders kom je nooit weg. Dan is er altijd nog wel een afspraak
die je aan de wal houdt. En na zo'n lange periode binnen liggen, was het al weer
geruime tijd gaan kriebelen. Via Middelharnis en Roompot kwam ik terecht in
Ramsgate. Ik was eigenlijk van plan om naar Oostende te gaan en daarna pas naar
Ramsgate over te steken, maar de omstandigheden waren te ideaal voor de
overtocht. Voor Oostende heb ik dus een bocht gemaakt en ben met windkracht 6
tot 7 uit het zuidwesten naar Ramsgate gezeild. Na een prima overtocht kwam ik
daar natuurlijk laat aan, namelijk om 01.00 uur op 3 april.
Ik wilde naar
Ramsgate om daar vrienden te bezoeken. Tony Ashby die ik op Guernsey had leren
kennen van december 2005 tot maart 2006, en Dave die ik op de Faroer heb ontmoet
en die eigenlijk op de Orkney eilanden woont maar zijn charterboten veelal in
Ramsgate heeft liggen. Hij had al eens het idee geopperd om met gasten een trip
naar Madeira te maken en dan zouden we samen op pad gaan. Maar zoals dat zo vaak
gaat in de charterwereld is er van dat plan niets gekomen bij gebrek aan
betalende gasten. Toch ging Dave richting de Scilly eilanden en dat lag op mijn
route naar Falmouth. Na een bezoek aan Tony Ashby en een hele week in Ramsgate,
ben ik naar Yarmouth op het eiland Wight afgereisd op 10 april. Dave zou mij na
het weekend volgen.
Er stond
dagenlang een noordoostelijke wind kracht 4 tot 5 en dat is voor het
kanaalgebied heel uitzonderlijk. Met ruime wind ging ik dus naar Yarmouth,
Weymouth, Dartmouth en Falmouth. Na Dartmouth is Dave doorgevaren naar Ierland
om vervolgens naar het noorden, naar de Orkney's te zeilen. Maar we hebben weer
een leuke tijd samen doorgebracht.
In Falmouth
heb ik twee weken gelegen omdat er slecht weer op komst was. Daar leerde ik een
Duitser kennen, Hinnerk (Oostfriese naam), die als journalist voor het blad
Segeln gewerkt heeft en nu zo'n vijf jaren op pad gaat en onderweg geld verdient
door voor het blad te blijven schrijven. Dat schept verplichtingen, maar op zijn
leeftijd - hij is midden dertig - moet je toch iets doen om van te kunnen leven.
We hebben veel samen opgetrokken en nog wat dingen aan boord van onze schepen
verbeterd. Ik heb een klimtuig om zonder hulp in de mast te kunnen klimmen en
daarmee heb ik hem behulpzaam kunnen zijn. Hinnerk had trouwens de pech gehad om
bij de monding van de Thames een gigantisch stuk net in zijn schroef te krijgen.
De Engelse kustwacht heeft zijn positie toen opgenomen in de
scheepvaartberichten, maar uiteindelijk vonden ze het toch verstandig om hem
naar Ramsgate te slepen. Hij maakte zich nog een beetje zorgen over de kosten
van zo'n sleeptocht, maar voorlopig is hem nog niets in rekening gebracht.
Engine troubles hadden ze in het rapport gezet, maar ik heb hem aangeraden om de
foto van het visnet goed te bewaren. De avonturen van Hinnerk kun je volgen op
zijn website www.hinnerk-weiler.de.
Ik was op 15
april in Falmouth aangekomen met de bedoeling om daar een weekje voor anker te
liggen en dan verder te gaan naar de Scilly's. Maar op de Scilly's kun je
eigenlijk alleen ankeren of aan een mooringboei liggen en je moet nogal eens
verkassen als de wind uit de verkeerde hoek waait. Met slecht weer op komst was
een tocht naar de Scilly's niet verstandig. En zoals gezegd, ik ben in
afwachting van beter weer twee weken in Falmouth gebleven.
Op maandag 3
mei was het dan zover. Hinnerk en ik volgden elke dag de weerfaxen over de korte
band radio en spraken dan over de mogelijkheden. Zijn bestemming zijn de Azoren,
daar een vriend oppikken en dan met die vriend door naar New York, en mijn
eerste bestemming is Madeira. Het eerste stuk van de reis moesten we allebei zo
ver mogelijk naar het westen zien te komen om de Golf van Biskaje te ontwijken.
Zo'n dertig mijlen uit de Engelse kust kwam Hinnerk langsvaren, want hij was een
uur na mij uit de haven vertrokken en zijn 9 meter ranke boot is nu eenmaal
sneller. We hebben naar elkaar gezwaaid in een wilde zee met harde wind. Ik weet
zeker dat ik nog wel een email van hem zal krijgen zodra hij op de Azoren is
aangekomen.
De reis naar
Porto Santo, een eilandje dat deel uitmaakt van Madeira, is zo'n 1200 zeemijlen
en met 100 mijlen per dag zou ik er dus in 12 dagen moeten kunnen zijn. De
eerste drie dagen had ik een noordoostelijke wind en voer ik alleen op de
uitgeboomde genua. Tijdens de oversteek van de Golf van Biskaje begon de wind
wat te draaien en heb ik 's nachts het grootzeil gehesen. Diezelfde dag,
donderdag 6 mei, hoorde ik een harde klap en zag ik achteruit een houten pallet
drijven. Nu kan de Sogno d'Oro wel een stootje hebben, maar ik heb dat soort
aanvaringen liever niet. 's Avonds om 7 uur zag ik toevallig nog een pallet
drijven op 25 meter afstand van de boot. Omdat ik toen natuurlijk nog even ben
blijven kijken zag ik de bekende kleine zeiltjes van de zgn. Portugese Men of
War, een zeer gevaarlijke kwallensoort. De tentakels kunnen wel tien meter lang
worden en meerdere beten kunnen ook voor de mens bijzonder gevaarlijk worden. Ik
had ze in grote hoeveelheden in de wateren rond de Azoren waargenomen. Maar ook
nu zag ik er meerdere op een klein stukje zee.
Het aardige
van zo'n lange afstand varen is dat je weer helemaal op jezelf wordt
teruggeworpen. Na twee dagen begin je echt aan boord te leven, met afwassen en
radio luisteren, eten koken en jezelf verzorgen. Er is veel tijd om te denken,
maar veel tijd gaat zitten in dingetjes aan boord die kapot gaan. Dat zijn dan
meestal electronische dingetjes. Jullie zijn gewaarschuwd als je de zee opgaat.
Zoute lucht en water gaan niet goed samen met electronische printplaatjes. Soms
krijg ik het weer aan de praat, maar vaak kan het gewoon regelrecht de prullebak
in. Zo heb ik al heel wat afgedankt. Het beste materiaal blijft over, maar je
moet er nooit teveel vertrouwen in hebben.
Even een
moment van bezinning om half elf 's avonds op donderdag 6 november. Ik zie dat
de barometer met een rotgang naar beneden gaat. In weinige uren is hij van 1014
gekelderd naar 1008 en die neerwaartse beweging zet door. Dan weet je dat er wat
op je af kan komen. Het is niet de eerste keer dat ik zoiets tijdens mijn reizen
beleef en je bereid je voor op een onrustige nacht met misschien wat werk op het
dek terwijl je aangelijnd bent. Dan denk ik aan het bezoek dat ik aan de klas
van mijn dochter Carlien bracht tijdens mijn afgelopen binnenligperiode. Ze
geeft les aan groep 7 op een islamitische school in Utrecht en haar groep
bestaat uit Turkse en Marokkaanse kinderen. De kinderen weten van mijn reizen en
ze hadden juf Carlien gevraagd om mij eens te interviewen. Ik heb toen zelf
voorgesteld om in haar klas met foto's te vertellen over mijn reis naar IJsland.
De sfeer was uitstekend en ze luisterden heel aandachtig. Toen het afgelopen was
vroeg Carlien aan de kinderen om op te schrijven wat hen van het verhaal was
bijgebleven en wat ze me mee wilden geven voor op reis. Twee reakties wil ik met
jullie delen. De eerste was heel kort en van een meisje. Ik moet er nog even bij
vertellen dat het kinderen van 10 of 11 jaar zijn. Ze schreef het volgende. "De
plaatjes waren leuk en alles was leuk. Ik wens u een goede reis. Ik geef je een
blaadje mee." En dat was dus het blaadje waarop ze dit geschreven had. De tweede
reaktie was van een jongen en zowel Carlien als ik waren daarvan stevig onder de
indruk. Hij schreef letterlijk het volgende. "Ik heb gezien dat hij veel reist.
Ik zelf durf het niet en ik word steeds zeeziek. Ik heb eilanden, havens en lava
gezien. Het was leuk." En wat hij me mee wilde geven is zijn motto en dat luidt
als volgt. "Mijn motto = Je moet dingen proberen wat je wil, je moet beter zijn
dan je angst." Ik krijg er nog kippevel van als je bedenkt dat een kind van 10
of 11 jaar oud zoiets moois schrijft. Ik heb alle briefjes meegekregen en kijk
er nog regelmatig naar. Die jongen was me trouwens al opgevallen. Hij kwam
tijdens de lunchpauze bij me staan. Iedereen had een pakje boterhammen bij zich,
maar hij had een zak chips. Daar zat niet echt veel meer in en hij zei:
"Meester, je mag wel wat pakken, maar niet te veel hoor!" Ik nam dus een paar
chips uit de zak en later kwam hij nog een keer naar me toe en zei: "Je mag nog
wel een handje nemen!" Op lange reizen denk je aan dit soort ervaringen. Je
neemt ze mee en je bent daardoor nooit alleen.
De volgende
dag, vrijdag 7 mei om 7 uur 's morgens, kwam ik een grote vissersboot tegen. Als
we elkaar passeren, komt de kapitein in een pooljekker uit zijn stuurhut en
begint uitgebreid naar me te zwaaien. Dat doet je goed. Is mij ook overkomen
toen ik negen dagen lang op weg was naar de Azoren. Je ziet dan dagenlang geen
schip en ineens is daar die warme ontmoeting. En 's middags landde er weer eens
een vogel op mijn boot. Ik zat onder de buiskap in de kajuitingang en hoorde een
krassend geluid. Omdat je er altijd rekening mee moet houden dat er iets aan het
schaffielen is en kapot kan gaan, ging ik op zoek naar het geluid. Toen ik
omhoog keek, zag ik twee kleine zwemvliezen als schaduwen aan de onderkant van
mijn buiskap. Er was dus een vogel op de buiskap geland en die probeerde met
zijn zwemvliespoten houvast te krijgen op het doek. Het was een meeuwachtige
maar dan met een kromme spitse snavel. Ik ben niet thuis in vogelsoorten, maar
wellicht zegt dit jullie iets. Hij was ook zo weer weg. Even uitrusten
blijkbaar.
En toen waren
daar ineens die tientallen dartelende dolfijnen. Wat zijn ze toch mooi en
levenslustig. Ik word er nog altijd blij van als ze zo plotseling verschijnen.
Deze keer heb ik ze gefilmd. Heel lang, zodat ik de stukken lege zee weg kan
halen en je veel dolfijnen ziet. Misschien waren ze aangetrokken door het geluid
van mijn motor. Die had ik gestart omdat het windstil was geworden. De boot liep
op een gegeven moment nog maar twee knopen en de Spaanse kustwacht gaf een
stormwaarschuwing voor zondag in het gebied waar ik nu inzat en nog een dag in
zou zitten als ik goede snelheid behield. Ik hoefde maar een paar uren te
motoren en toen kwam de wind weer uit een gunstige hoek opsteken en kon de motor
uit. Het geluid kan ze dus aangetrokken hebben.
De volgende
dag, zaterdag 8 mei, heb ik i.v.m. de aankomende storm een Ría uitgezocht aan de
Noord-Spaanse kust waar ik beschut voor de noordelijke wind kon ankeren. Het
werd Ría de Camariñas, dat ligt net even oostelijk van Kaap Finisterre. Daarvoor
hoefde ik niet te ver van mijn route af te wijken. Liever was ik in één ruk
doorgezeild naar Madeira, maar zo'n stormwaarschuwing moet je serieus nemen. En
zeker in de Golf van Biskaje en bij de beruchte Kaap Finisterre. Na een goede
nacht doorslapen - tijdens het varen neem je slaapjes van max. een halfuur - is
alles nog in orde, ook al zijn er regelmatig zwaardere windvlagen. Wel viel me
op dat de wind uit een andere hoek kwam dan voorspeld. En dat betekende dat ik
aan lager wal lag, oftewel ik werd in de richting van het strand geblazen. Nou
houdt mijn Delta anker altijd voorbeeldig en een krabbende anker is mij vreemd.
Daar moet ik nu echter op terugkomen, want toen ik nog even ging liggen en voor
de zekerheid mijn dieptemeter had aangezet, ging het alarm af. Dat betekent dat
de diepte minder dan 2 meter is en de Sogno d'Oro heeft 1,25 meter diepgang. Ik
keek uit de doorzichtige kajuitdeurtjes en zag ik ik nog maar twintig meter van
de wal verwijderd was. Het anker had dus toch gekrabt en ik had er niets van
gehoord. Hoe kon dat nou weer. Snel motor gestart, anker op en weg van die plek,
recht tegen de golven in. Het regende daarnaast ook nog eens flink, dus in een
mum van tijd was ik doorweekt. Bij het ophalen van het anker werd duidelijk wat
het euvel was, het anker zat helemaal vol met kelp. Grote groene bladeren, en
veel. In de pilot over deze Ría werd juist de massieve zandgrond op mijn
ankerplaats geprezen. Zeker net even op een ander plekje het anker laten vallen.
Op de Middellandse Zee moet je ankeren waar geen donkere plekken zijn, maar hier
kun de dat niet zien. Ik ben toen naar de haven gemotord en in de oude haven bij
de vissers gaan liggen. Vastgemaakt aan een pakje van vier boten lange lijnen en
twee springen. Die weten wel waar ze moeten liggen, want ik lag gelijk helemaal
rustig. De jachthaven lag hier nog voor en had veel minder beschutting. Als
iemand me zou aanspreken, dan zou ik zeggen dat dit gewoon de beste plek is in
dit hondeweer. Want de storm was inmiddels flink aangezweld en blies door de
haven, behalve op mijn plekje natuurlijk. Niemand zou mij ongelijk kunnen geven
en met name vissers zijn gevoelig voor goed zeemanschap.
De volgende
ochtend ben ik om 06.30 uur in de mast geklommen om mijn toplicht te repareren.
Mooi overzicht over de haven vanuit die positie, maar geen visser te bekennen.
Die komen er blijkbaar zo vroeg niet meer uit na een storm. Toch ben ik om 07.00
uur uitgevaren met gunstige wind en een nog wat onrustige zee. Maar daar is de
Sogno d'Oro wel aan gewend, en dat is geen grootspraak maar een feit. Snel weer
verder op weg naar Porto Santo. Het is zo'n 700 zeemijlen en de oversteek vanuit
Camariñas zou dus zeven dagen mogen duren als de wind goed meedoet.
Op de eerste
dag sneuvelde mijn mooie espresso apparaatje die ik in Bad Schwertheim tijdens
mijn overwintering in Duitsland had gekocht. Mooie roestvrijstalen onderkant en
een porceleinen beschilderde top met dekseltje. Nou ja, vier jaren geleden
sneuvelde mijn Bosun caffetière bij de Alderney Race, het is dus niet de eerste
keer. Op Madeira maar eens snel kijken naar een vervanger. Ik zag van achteren
een zware bui aankomen en de wind veranderde plotseling. Het begon heftig te
regenen en de golven werden hoger. Een zo'n golf, een slechte dus, liet mijn
boot zoveel slagzij maken dat het espresso apparaatje achter uit een rek, met
nog diverse spullen ervoor om hem zeevast te zetten, airborne raakte en met een
mooie boog op de metalen rand van een vloerluik terechtkwam. Dat was teveel voor
het porcelein.
De tweede
dag, dinsdag 11 mei, begon heel somber en heftig. Zware donkere wolken,
slagregens die urenlang duurden, veel wind en hoge golven. Ik ben mooi binnen
gebleven en in de middag veranderde de lucht in een blauwe heldere lucht met
mooie witte wolkjes en een stralende zon. Ik hoop dat ik vanaf nu meer van dit
weer zal beleven. Via de Wereldomroep hoor ik dat het in Nederland nog
behoorlijk koud is, net als in grote delen van West-Europa. Maar ik ga steeds
verder naar het zuiden en via diezelfde omroep hoor ik dagelijks hoe lekker warm
het op Madeira is.
En dan
gebeurt het. Het is woensdag 12 mei en 13.00 uur als een groot cruiseschip me
tegemoet komt. Ik probeer nog mensen op dat schip te zien, en dan zie ik
plotseling een golf niet al te ver van mijn boot ontploffen. Veel spray hoog de
lucht in. Maar dan zie ik de veroorzaker, een grote walvis. Hij komt schuin op
mijn boot af en duikt twintig meter voor mijn boot onder water. Een enorm en
prachtig glanzend lichaam dat traag onder water verdwijnt en een staart die op
het laatst uit het water omhoog komt. Magistraal om zoiets op die afstand te
zien. Bij de Azoren heb ik wel op grote afstand van mijn boot spray gezien en
dan wist ik dat er walvissen waren, maar eentje van zo dichtbij bekijken is wel
even wat anders. Je kunt je voorstellen dat een botsing met een slapende walvis,
op containers na het grootste gevaar voor de oceaanzeiler, slecht kan aflopen
voor je boot. Deze dag kan niet meer stuk. Wat een geweldige ervaring.
Donderdag
verloopt aanvankelijk eigenlijk heel rustig. De boot maakt zijn mijlen en ik
houd me binnen bezig met kwarweitjes die ik anders in de haven zou doen. Er is
altijd wel iets te verbeteren en ik houd me vooral bezig met de
antenne-aansluiting van de kortegolfradio. Toen ik daarmee goed en wel klaar was
brak ineens zonder enige waarschuwing de hel los. Geen donkere wolken en toch
zwelde de wind aan tot een dikke windkracht 6. De golven werden hoger en de
Ariës windvaanstuurinrichting stuurde het schip halve wind terwijl hij ruime
wind was ingesteld. Dat is makkelijk te corrigeren door de ketting op de
helmstok een paar gaten strakker te zetten. Die correctie noemen ze correctie
van de weatherhelm en dat betekent dat je bij zwaar wind iets moet oversturen om
op koers te blijven. Maar ik kon aanvankelijk niet naar buiten. Het was te
gevaarlijk. Toen ik even mijn kans schoon zag, dook ik de kuip in me vasthoudend
aan de geleidebanden die vast in de kuip gemonteerd zijn en heb toen de ketting
versteld. De verandering was duidelijk. Week ik eerst in korte tijd in totaal
vijf mijlen van mijn koers af - dat gaat razendsnel met zwaar weer - nu werd
alles rustiger aan boord en stuurde de Ariës de boot weer naar zijn oude koers
toe. Langzaam telde het verschil af en uiteindelijk lag ik weer op koers. Maar
je moet deze techniek wel kennen en gelukkig heb ik in de noordelijke wateren
genoeg kunnen oefenen.
De vrijdag
begon bewolkt en met regen, maar de middag brak de zon door en heb ik voor het
eerst eens lekker in de kuip gezeten. Het was zogezegd warm en dat had ik op zee
tot nu toe niet echt meegemaakt. Vaak moest de verwarming bijgezet worden,
overdag en zeker 's nachts. Maar nu konden de kajuitdeurtjes eruit en was het
echt genieten. Nou mag dat ook zo langzamerhand wel want ik was nog 260
zeemijlen van Santo Porto verwijderd en al dagenlang werd er bericht dat het
weer daar prima was.
Er deed zich
nog wel een mysterie voor. Regelmatig was de Sogno d'Oro door een grote golf
opgepakt en had daardoor slagzij gemaakt. Dan vliegen er wel eens kleine zaken
door de kajuit. En nu was ik toch de gasaansteker voor mijn fornuis kwijt!
Overal zoeken, maar niet vinden. Ik heb dat al eens meegemaakt met de
afstandbediening van mijn radio/cd-speler. Wekenlang heb ik ernaar gezocht en
toen de moed maar opgegeven. Nou is mijn boot niet zo groot, maar als je aan de
tafel zit is het toch gemakkelijk, zo´n afstandbediening. Later kwam hij
tevoorschijn uit mijn opgerolde rubberboot die ik altijd onder de tafel heb
liggen tijdens het varen. Ben benieuwd of ik in dit reisverslag nog kan laten
weten of en waar die aansteker uiteindelijk gevonden werd.
Op
zaterdagochtend verlies ik voor het eerst in vier en een half jaren een
lierhendel. Dat dat niet eerder is gebeurd is een klein wonder als je die
sluitingen ziet waarmee je ze vergrendelt en opent. Kleine dingetjes bovenop de
handel, het is altijd gefriemel, want vaak moet je hem in de slingering van de
boot met één hand uit de lier nemen. Ik hanteer de stelregel, één hand voor het
schip en één voor jezelf. Om je dus goed vast te houden als de boot slagzij
maakt. Nu ga ik een drijvende uitzoeken met een wat grotere vergrendeling. Niet
dat ik ervan uitga dat ik er dan geen meer zal verliezen, want het zal best nog
een keer gebeuren. En zo beleef je elke dag wel iets bijzonders.
De zee is
verraderlijk kalm en dat kan niet zo blijven als ik de gribfiles nog goed in
mijn hoofd heb. Ook de NAVTEX berichten komen niet onder de windkracht 4 tot 5.
Maar gisterenavond begon de flauwte en die duurde tot ver in de ochtend door.
Alles maar zo strak mogelijk gezet en uiteindelijk de genua ingedraaid.
Vanochtend de genua uitgeboomd en daarbij verloor ik dus die lierhendel. Maar
alles staat er weer goed bij en ik loop met heel weinig wind toch nog een
respectabele 4 knopen.
Zondagochtend
naar het programma Vroege Vogels van de Wereldomroep geluisterd. Goed sfeertje,
maar ik voel de opwinding van het aankomen in een vreemde haven alweer in me
opkomen. Dan ga je spulletjes aan boord opruimen zo goed als dat gaat. De pilot
nog eens doorlezen over de navigatie naar de haven. Als solozeiler moet je alles
goed in je hoofd hebben zitten als je bij je bestemming in de buurt komt, want
soms zijn de omstandigheden er niet naar dat je nog even in je pilot kunt lezen
hoe het ook al weer zat. En schreeuwen naar de kajuit dat ze even in het boek
moeten kijken levert niets op. Ja, het nadenken over wat je allemaal gaat doen
als je op je bestemming aankomt, dat is iets wat je zo'n laatste vaardag
behoorlijk bezig kan houden. Maar dan in positieve zin.
In de nacht
zie ik op meer dan 20 zeemijlen de drie flashes van het licht van Porto Santo.
Het eerste contact met het eiland is er. Dichterbij zie ik de contouren van hoge
bergen. Bij nadering merk ik het grote effect van de zgn. valwinden die vanuit
de bergen naar beneden komen en de windkracht zo met twee tot drie sterktes in
luttele momenten kunnen verhogen. Je kunt het niet echt windstoten noemen want
ze kunnen lang aanhouden. Het wordt een avontuurlijke aankomst met die hoge
bergen en de lichtjes van de stad. Soms is het even rustig en dan kan ik mijn
zeilen opbergen. In de haven kies ik een ankerplaats en dan is het inmiddels
04.30 uur. Voordat ik alles heb gedaan wat ik bij aankomst wilde doen, zoals
zeilhoezen aanbrengen en opruimen, is het 06.30 uur. Dan besluit ik even te gaan
liggen, want van echt slapen komt het er niet van i.v.m. de opwinding over deze
nieuwe omgeving. Een uur later sta ik dan ook op en ga de rubberboot naar buiten
slepen en oppompen. Na achten meld ik me bij de Guardia Civil, zal ik het maar
voor het gemak even noemen. Hij neemt mijn scheepspapieren en paspoort op en zet
de gegevens in zijn computer. Dit zelfde ritueel herhaalt zich bij de beheerders
van de haven. Ik hoef niet langs andere autoriteiten, die worden blijkbaar van
gegevens voorzien door de guardia civil, want nadat ik in het plaatsje Porto
Santo inkopen heb gedaan, wordt ik bij terugkomst aangesproken door een
douaneambtenaar die graag een handtekening van mij wil hebben op een
inklaringspapier. Alles verloopt eigenlijk heel soepel. De havenbeheerders nemen
mijn scheepspapieren in en die krijg ik terug als ik mij meld voor vertrek. Het
is voor het eerst dat ik dit meemaak, maar het stond al aangegeven in de pilot.
Toch goed dat je door zo'n boek wordt voorbereid op de procedures in een haven.
In Porto
Santo kan ik bijna alles vinden wat ik op dit moment nodig had, zelfs een nieuw
espresso apparaatje. Ik koop ook een halve ananas en eet die aan boord in een
keer op. Ik verbeeld me altijd dat je dan even weer de gemiste vitamines binnen
krijgt. Een goed middel tegen scheurbuik zullen we maar zeggen, hoewel Captain
Cook al had uitgevonden dat verse citroenen daar het beste middel tegen zijn.
Vind ik persoonlijk niet te pruimen. In Porto Santo bezoek ik ook het huisje
waar Columbus in heeft gewoond. Hij trouwde namelijk met de dochter van de
eerste gouverneur van Porto Santo.
De standen
zijn prachtig, de cactussen en planten staan in volle bloei, en de krekels (zo
noem ik ze maar even voor het gemak) laten hun tropische geluid permanent horen.
Bij de beheerders van de haven heb ik voor acht nachten geboekt. Dan kreeg je 10
procent korting en een week wilde ik toch al blijven. Ik zal me hier de komende
week prima vermaken en in het warme zonnige weer kan ik de knop van het koudere
noorden even omzetten. Hier eindig ik dit eerste verslag en morgen zal ik het
naar jullie mailen. Het is nu maandagavond 23.30 uur op 17 mei 2010 en ik ben
anderhalve maand op weg. O ja, bij het opruimen van de keuken vind ik toch de
aansteker voor het fornuis terug. Hij had zich door de slingering van het schip
in een hoekje verstopt. Zo zie je maar weer, als je er tijd overheen laat gaan
lossen de meeste zaken zich vanzelf weer op. De valwinden loeien door de haven
en ik draai met mijn twee windgeneratoren goed stroom. Aan de steiger met stroom
liggen is twee keer zo duur, maar ik heb dat dus niet nodig. Self supporting
zijn is voor de oceaanzeiler het hoogste goed. Het bespaart enorm en het geeft
je een goed gevoel van onafhankelijkheid. Je kunt overal naar toe als je self
supporting bent. Maar daarvoor moet je de boot wel goed aanpassen en nog steeds
breng ik verbeteringen aan waardoor het stroomverbruik neerwaarts wordt
bijgesteld. Soms waan ik me op een kleine Ark van Noach. En laat ik daar maar
mee besluiten voordat het al te filosofisch wordt. Want met die inslag zijn al
genoeg zeilboeken geschreven. Tot de volgende keer. O ja, en ik hoop dat het bij
jullie nu echt wat warmer gaat worden!
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

2e reisverslag van Henk Oosterwijk 2010
Ik heb me op
Porto Santo een week lang prima vermaakt. Daar leerde ik o.a. Sue Thatcher
kennen die heeft meegewerkt aan de Imray Guide voor de Atlantische eilanden. Ze
heeft veel foto's gemaakt van de Kaapverdische Eilanden en de Azoren. Jarenlang
zeilt ze al in de wereld en doet aan diverse bekende wedstrijden mee. Haar man
houdt minder van het varen en meer van havens, dus die blijft vaak aan de wal
terwijl zij dan met vrienden erop uit trekt. Ze is de zeventig gepasseerd, maar
ik mag hopen dat ik nog zo actief ben als zij nu is. Toen ik haar ontmoette was
ze druk bezig haar boot van een nieuwe laag anti-fouling te voorzien. Rotwerk
vond ze het, maar het moet nu eenmaal gebeuren. Ze was erg geïnteresseerd in
mijn boot omdat ze gezien haar leeftijd toch wel merkte dat haar 11,5 meter boot
een beetje te arbeidsintensief voor haar werd. En dan zou een kleine boot als de
Midget 26 ideaal voor haar zijn. Kon ze toch blijven zeilen. Ik heb haar Ariës
windvaan stuurinrichting kunnen repareren, waarmee ze erg gelukkig was. En zij
heeft voor mij twee nieuwe lierhendels en bescherming voor het want uit Engeland
meegebracht. Ze ging vanuit Porto Santo terug naar Engeland met het vliegtuig om
het huwelijk van haar zoon mee te maken en daarna heb ik de spullen van haar
gekregen op het vliegveld van Madeira toen ze medio juni terugvloog. En zo
helpen oceaanzeilers elkaar omdat ze maar al te goed weten hoe moeilijk het soms
kan zijn onderweg aan de juiste spullen te komen.
Op maandag 24
mei heb ik mijn scheepspapieren weer opgehaald bij het Marinakantoor en heb ik
me afgemeld bij de officials. Om 20.00 uur probeerde ik te slapen tot 04.00 uur,
maar ik was in mijn hoofd teveel bezig met de nieuwe bestemming Madeira. Een uur
later ben ik dan ook uit bed gegaan en ben vertrokken. Ik had de hele overtocht
een goede wind, maar zodra ik bij Madeira was werd de wind minder totdat ik nog
maar anderhalve knoop voer. Toen heb ik de motor gestart en heb de laatste
mijlen op motor en zeil gevaren. Met wat ervaring uit het verleden weet je dat
het hier niet om een windrichting verandering gaat, maar gewoon om windstilte.
En dat bleek ook zo te zijn. Onderweg bij Funchal kwam er nog een patrouilleboot
van de marine in de buurt. Ik heb hem met mijn vlag gegroet, maar de groet werd
niet geretourneerd. Dat heb ik vaker meegemaakt in het zuiden. Ze houden zich
niet zo aan die gebruiken. Bij onze marine doen we dat wel, dat weet ik uit
ervaring. De bergen van Madeira zijn prachtig groen, met hier en daar een
waterval. Overal zie je ook tunnels en viaducten, dus het wegennet op Madeira is
goed verzorgd. Bij binnenkomst in de haven van Calheta werd ik tegemoet gevaren
door een marinero die mij naar mijn steiger begeleidde. Ik had ze, zoals
geadviseerd in de pilot, opgeroepen voordat ik de haven binnenvoer. Er is door
de nauwe ingang weinig manoeuvreerruimte in de haven en dan is het goed als ze
je meteen naar je plaats begeleiden. De formaliteiten werden allemaal
afgehandeld in het Marinabureau. Dus geen uniformen deze keer. Als ze mijn
papieren nog een keer wilden zien, zouden ze zich wel bij mij melden. Ik ga
ervan uit dat het Marinabureau de kopieën ook doorgeeft aan de officiële
instanties. De Marina van Calheta heeft het goed voor elkaar. Een mooie
promenade met restaurants en een supermarkt op loopafstand. Het water is
glashelder en de steigers liggen er goed bij. Hier zou ik het wel een maand
kunnen volhouden.
In de haven
van Calheta leerde ik Nederlandse Dirk kennen. Dirk zorgt voor de aanvoer van
betalende vaargasten voor twee bootjes waarmee dolfin watching, big game fishing
en little big game fishing wordt gedaan. Op de tweede dag van mijn verblijf
leerde ik hem kennen en een paar uren later had hij mijn hulp nodig omdat de
schipper van een van de bootjes waarvoor hij klanten werft had laten weten dat
hij op volle zee dreef omdat de motor niet meer gestart kon worden. We zijn toen
met mijn boot uitgevaren en hebben twee mijlen uit de kust aanwijzingen gegeven
om de motor alsnog te starten. De motor bleek verzopen te zijn en na de
aanwijzingen startte hij wel. Dirk had in zijn jonge jaren, hij was inmiddels
zeventig, veel over de wereld gezworven met eigen boot of als bemanning en kon
daar prachtige verhalen over vertellen. Op de derde dag heeft hij mij driekwart
van het eiland laten zien, toen hij vrienden naar het vliegveld bracht en vroeg
of ik zin had om mee te rijden. We hebben Funchal bezocht en nog vele andere
kleine kustplaatsjes op Madeira. Hij heeft me de ravage laten zien die er na de
aardverschuiving in februari nog steeds is op het eiland. En niet alleen in
Funchal, maar op meerdere plekken is een modderstroom met grote rotsblokken naar
beneden gekomen en heeft veel verwoest. Ze waren nog steeds met grote werktuigen
aan het opruimen en diverse wegen hadden omleidingen.
En dan waren
daar ook nog Argentijnse Juan Pablo met Braziliaanse Renate en Franse Mathieu
met Spaanse Jessica. Zij varen met een grote rubberboot met vaste bodem (RIB)
waarmee ze aan toeristen dolfijnen of zelfs walvissen laten zien. Zij namen mij
op een avond mee naar een barbecue bij een Belgisch gezin dat al heel lang op
het eiland woont en daar dus veel over kon vertellen. En zo kom ik normaliter
gedurende een maand verblijf veel te weten over een plek op de wereld. Gewoon
praten met mensen die er al jaren wonen en hun mening over bepaalde zaken van
tijd tot tijd hebben bijgesteld. Want als je zelf je conclusies trekt dan kun je
er wel eens helemaal naast zitten.
Op zaterdag
12 juni maakte ik een zeiltochtje voor de kust bij Calheta en zag mijn eerste
vliegende vis. Later zou ik er voor de kust nog een zien. Het was prachtig om te
zien hoe hij 100 meter een paar meter boven het water vloog en onderdook. Hele
mooie vleugeltjes had hij en het was net een elfje. Misschien overdrijf ik nu
wat, maar ik was wel onder de indruk van deze zeebewoner. Heel anders dan een
vogel, want de vleugels van een vliegende vis lijken wel doorzichtig en je ziet
door de schubben veel zilverkleuren in de zon glitteren. Een mooie ervaring. En
eerder die week had ik al een kleine haai gezien.
Ik had in
Calheta ook alle tijd om de boot nog beter op orde te krijgen voor lange reizen.
Zo heb ik mijn flexible zonnepaneel voorzien van twee plastic buizen waardoor
hij scharnierend aan de reling is opgehangen. Met een steun kan ik hem
horizontaal klappen zodat hij onderweg nog meer zonlicht oppakt. Een hele
verbetering voor de energiehuishouding. En dan heb ik verder een passaattuig
gemaakt. Als je de wind van achteren hebt, dan boom je de genua uit, m.a.w. de
genua wordt d.m.v. een boom naar buiten gehouden. Als je nu je genua snel in
moet draaien omdat er windstoten zijn (zgn. squall), dan zou je hem eerst los
moeten maken van de boom en de boom moeten opbergen. Een heel gedoe en allemaal
tijdverlies op belangrijke momenten. Als je de boom echter fixeert met drie
lijnen en de genuaschoot door het oog van de boom laat gaan, dan kun je de genua
indraaien terwijl de boom gewoon blijft staan. Is de harde wind voorbij dan
draai je hem weer uit en alles is weer als voorheen. Ook dat is een prima
verbetering tijdens het varen. Ik had de truc al eens gelezen, maar Sue Thatcher
heeft me aan de hand van een tekening nog eens uitgelegd hoe ze het op haar boot
geconstrueerd heeft. Aan de andere kant kun je dan op dezelfde manier een tweede
genua zetten. Omdat ik geen tweede boom heb, heb ik die constructie met behulp
van de giek gemaakt. En dat werkte heel goed. Ik heb regelmatig geoefend met het
snel indraaien en uitzetten van beide genua's. Een rolfok heeft twee sleuven en
zo kun je dus twee voorzeilen zetten.
Op donderdag
17 juni heb ik met Dirk een Engelsman op het vliegveld afgeleverd en de spullen
die Sue voor me had meegenomen in ontvangst genomen. Haar landing was 15 minuten
vertraagd en ze had maar een halfuurtje om in te checken voor haar doorvlucht
naar Porto Santo. Het was dus een hele snelle overdracht van de spullen en toen
moest ze al weer snel door naar de incheckbalie. Ik heb haar per email bedankt
voor haar moeite om alles in Funchal te krijgen. Met Dirk ben ik toen nog een
rondrit gaan maken over Madeira waarbij we ook nog bepaalde boodschappen hebben
gedaan. Dirk moest bij een meubelzaak ergens in het binnenland zijn en zo kom je
op plaatsen waar je als toerist normaliter helemaal niet komt. Het werd een
leuke dag, want Dirk is goed gezelschap. Nog dezelfde avond heb ik de
wantbescherming aangebracht. Ik ben heel tevreden over de degelijke kwaliteit
van de beschermers. Het zal me goed van pas komen bij het voor de wind varen,
want als het grootzeil helemaal uit staat komt hij nu niet meer tegen het kale
want. Schafielen is iets waar je tijdens lange tochten echt voor moet oppassen.
Voor je het weet gaat iets kapot, terwijl je het over het algemeen kunt
voorkomen.
De volgende
dag heb ik verder gewerkt aan mijn passaattuig. Ik had daarvoor spullen gekocht
bij de scheepswinkel in Funchal. De daar bestelde Spaanse beleefdheidsvlag en
die voor de Kanarische Eilanden heb ik laten vervallen. Ik had al 3 1/2 week
gewacht en er was geen uitzicht op levering. Zo gaat dat als je ver van huis
bent. Het wordt steeds moeilijker om aan je spullen te komen. Maar ook daar wen
je aan.
Zaterdag 19
juni heb ik aan Mark, een Engelse big game visser die chartertochten uitvoert,
gevraagd om me te helpen bij het uitzoeken van een goede hengel en molen. Ik had
besloten dat ik mijn bezwaren tegen het vissen tijdens mijn reizen moest laten
varen. Het zou immers wel eens noodzakelijk kunnen zijn om te leven van hetgeen
zich onder water bevindt. En betere deskundigen dan in de haven van Calheta zou
ik zo snel niet meer vinden. De wateren van Madeira staan erom bekend dat daar
de grootste Blue Marlins leven. En dat is de hoofdprijs voor de big game visser.
In de haven van Calheta was een weekend geleden een grote wedstrijd voor deze
big game vissers. Het huren van een boot voor een dag kost al gauw 1000 euro,
dus we praten ook nog eens over big money. Mark had in no time mijn hengel en
molen uitgezocht en hielp me bij het optuigen van de hengel. Duitse Robert heeft
me vervolgens geholpen met het uitzoeken van het juiste aas. Hij is de
representant voor Duitsland van de International Game Fish Association en deed
mee aan de wedstrijd. De volgende dag kwam Mark met een enorme tonijn de haven
binnen. De vis werd opgehangen en er werden foto's gemaakt van degene die hem
had gevangen. Dat was dus iemand die 1000 euro had neergeteld om een dagje te
vissen. De dag daarop voer deze man weer uit met Mark. Zo zie je maar, als je
resultaten haalt, dan is er goed geld mee te verdienen.
Op vrijdag 25
juni vertrok ik naar het kleine eilandje Graciosa, noordelijk van Lanzarote dat
tot de Kanarische Eilanden behoort. De tocht verliep uitstekend met veel wind
uit de goede hoek. In het begin bij Madeira nog wat hoge golven, die al snel
afzwakten. Maar ze bleven toch wel zo hoog en kort dat het een onrustige
overtocht werd. Onderweg zag ik een mooie zeeschildpad. Prachtig zoals die
dieren rustig aan de oppervlakte zwemmen. In twee en een halve dag maakte ik de
overtocht van 290 zeemijlen en toen ik in het haventje van Caleta del Sebo
aankwam werd ik door de bewaker een plek aangewezen en door een Franse
liveaboard geholpen bij het aanleggen. Ik werd meteen uitgenodigd om langs te
komen, want hij bleek met een andere Franse dame hun verjaardagen te vieren. Ik
heb snel twee honeycakes uit Madeira meegenomen als geschenk en zat te midden
van vijf liveaboards. Natuurlijk werd de hele avond Frans gesproken en leerde ik
veel kennen van het eiland. Er werd heerlijke paella gegeten die blijkbaar van
een plaatselijk restaurant was gehaald. Ik heb wel drie keer opgeschept want er
was voldoende en mijn gastheer spoorde me aan om nog een bord op te scheppen. Ik
heb vroeg afscheid genomen, want de vermoeidheid van de overtocht werd toch
voelbaar.
De volgende
dag heb ik ingecheckt bij de havenmeester en meteen geboekt voor vijf dagen,
want wat ik aan de wal tegenkwam sprak me erg aan. Geen wegen, maar straten van
zand en wit gepleisterde huisjes. Toch nog drie kleine supermarkten, een
ijzerwarenhandel, postkantoor, bank, diverse café's en een paar restaurants.
Bijna geen verkeer, behalve de mountainbike die je hier kunt huren en een enkele
Landrover. En die heb je ook wel nodig in de zandstraten. Het meest komische wat
ik zag was een oude vrouw die haar straatje letterlijk schoon veegde met een
bezem. Dat hield dus in dat ze het zand verplaatste, maar ze scheen het toch
belangrijk genoeg te vinden. Dit is inderdaad een heel andere wereld, zoals het
pilotbook over de Kanarische Eilanden over dit eilandje al aangeeft. Het enige
nadeel dat je hier hebt is dat er minder zon is en veel wind. Het was op dit
moment zelfs koud voor de bewoners en de meesten waren verkouden geworden door
de afgelopen dagen met bewolking en wind. Voor mij was het heel aangenaam qua
temperatuur en wat de wind betreft, die had ik nodig voor het opwekken van
elektriciteit. Op de steiger stonden namelijk wel imposante schakel- en
aansluitkasten voor elektriciteit maar er stond geen stroom op. Water was er wel
op de steiger, maar tijdens de Franse avond had ik al gehoord dat er lieden
waren die er ziek van werden. Toch nog maar even informeren bij wat
wereldomzeilers op de steiger want die kunnen het weten. En ik had er twee in
mijn directe nabijheid op de steiger. Een Fransman en een Duitser. Met de
Duitser heb ik 's morgens een goed gesprek gehad over zijn belevenissen onderweg
en vooral bij het passeren van het Panama-kanaal.
Op dinsdag 29
juni won Spanje in het WK voetbal van Portugal, en dat verhoogde de feestvreugde
op het eilandje nog eens te meer. Ik heb er een prima verblijf gehad, hoewel ik
wel moet zeggen dat de brede zandstraten een verlaten indruk maken. Als ik hier
langer zou verblijven dan een week zou dat toch op mijn gemoed gaan werken. Je
kunt het absoluut niet vergelijken met de rust en vredigheid die er buiten het
toeristenseizoen op onze Waddeneilanden heersen. Het is een verlatenheid en
uitgestrektheid die op je afkomt. Als kind zul je hier best een prachtige jeugd
kunnen beleven, maar als je wat ouder wordt dan lijkt me het bestaan hier te
beperkt. Nou is de verbinding met Lanzarote gelukkig voor de bewoners wel heel
frequent door de veerdienst die vele malen per dag overvaart. Maar ook van
Lanzarote zou ik me nog een beeld moeten vormen.
Op zaterdag 3
juli maakte ik de overtocht naar Lanzarote. Ik wilde naar Arrecife om
shipshandlers te bezoeken. In de nabijheid van Arrecife zijn drie ankerplaatsen,
waaronder de Puerto de Naos, en die heb ik gekozen. In het pilotbook staat de
haven aangegeven als vol en weinig aantrekkelijk, en dat klopte ook wel. Toen ik
aankwam werd ik niet echt blij van de aanblik, maar soms kan dat in de dagen dat
je ergens ligt veranderen. In dit geval niet. Er waren drie boten waar iemand op
woonde en de rest lag er verlaten bij. Mijn buren waren beste mensen. Ze gingen
regelmatig met een klein zeilbootje naar de wal. En dan waren ze trots hoe ze
alleen met de wind door de haven navigeerden. Het waren Spanjaarden en ze kenden
elkaar blijkbaar nog niet zo lang, want ze gedroegen zich als tortelduifjes. Hij
was de zestig ruim gepasseerd en zij was hooguit veertig. Die combinatie zie je
vaker bij liveaboards. We zwaaiden regelmatig naar elkaar, maar van een echt
gesprek kwam het niet. Op maandag waren de shipshandlers weer open en meteen om
acht uur stond ik op de stoep. Ik heb daar eindelijk een Spaanse gastenvlag
kunnen kopen, die ik op Madeira maar niet krijgen kon. Uit mijn ooghoeken zag ik
twee prachtige roestvrijstalen Bruce ankers liggen, één van 9 kilo en één van
7,5 kilo. Die kleinste zou ik best willen hebben als hekanker. Mooi formaat en
een goede grip. Maar op het grote anker zag ik een prijsje hangen die me toch
even liet schrikken. Toen de prijs van het kleine anker opgezocht moest worden
en 150 euro onder de prijs van het grotere anker bleek te liggen, wist ik zeker
dat ze een fout maakten. Ik heb het anker gekocht en ben dus nu de gelukkige
bezitter van een fonkelend Bruce hekanker.
Na die
aankoop ben ik weer snel vertrokken, want zoals gezegd was de haven niet
aantrekkelijk. Ik had op Madeira regelmatig gehoord van Marina Rubicón. Die
moest heel mooi zijn en betaalbaar. Hij ligt op de zuidkust van Lanzarote en zou
een mooi punt van vertrek zijn voor het zuidelijker gelegen eiland Fuerteventura.
De tocht was maar 19 zeemijlen en die dag viel de wind in de versnellingszone
aan de zuidkust mee. Hij ging wel van windkracht 2 naar windkracht 5 en soms 6,
maar daar is nog goed tegenin te varen. Ik had dus de wind op de kop en moest de
hele tocht motoren. Dat was nog niet eerder voorgekomen sinds mijn vertrek uit
Falmouth. Altijd gunstige wind in de rug en nu ineens niet meer.
De aankomst
in Marina Rubicón verliep prima en de ontvangst was bijzonder professioneel.
Toen ik de Marina verkende viel mij op dat deze bezaaid is met plaza's vol met
restaurants en winkeltjes. En toch was het heel mooi aangelegd en had ik geen
moeite met dit voor toeristen opgezette oord. Het is ook wel weer eens lekker om
te kunnen douchen, pizza eten, WiFi gebruiken en water en stroom op de steiger
te hebben. Ik heb er dan ook ruim van genoten. Bij de shipshandler heb ik twee
dorado's gekocht (ik hoop dat ik het goed schrijf), dat zijn luchthappers zoals
die al sinds eeuwen op schepen worden gebruikt. Ik was mijn Vetus
luchtverversers goed zat, met hun miniscule propellertje en zonnepaneel. Ze
draaiden nooit uit zich zelf en ik moest ze altijd op weg helpen. Ik ben dus
overgestapt op het aloude concept van de luchthappers. Die van Plastimo hebben
trouwens een pracht systeem waarbij de luchthapper zichzelf sluit als er veel
water binnenkomt. Daarnaast kun je hem van binnenuit openen en sluiten. Na het
monteren van de luchthappers heb ik mijn boot nog eens bewonderd. Het geeft je
boot namelijk ook nog eens een ander uiterlijk, en ik vind de verandering
prachtig.
Wat ik nog
bijna vergeet te vertellen is dat ik onderweg naar Marina Rubicón genoemd werd
(broek naar beneden doen en je blote billen laten zien). Dat ging als volgt. Ik
was bezig om de zuidoostelijke punt van Lanzarote te ronden toen er een moderne
motorboot met sportvissers op me af kwam. Hij kwam van bakboord en moest mij
voorrang geven. Op het laatste moment deed hij dat ook wel en er werd vanaf de
flying bridge druk naar me gezwaaid door één van de jongere sportvissers. Op het
laatst zwaaide hij zelfs met twee armen, draaide zich toen snel om, trok zijn
broek naar beneden en toonde mij zijn blote billen. De etiquette op de
Kanarische wateren van de buitenlandse bezoekers laat dus duidelijk te wensen
over. Op de Middellandse Zee kom je dit ook tegen, dus ik was al wel wat gewend
geraakt aan de decadentie die de toeristen soms aan de dag leggen. Veel
alcoholgebruik en naakte lichaamsdelen, soms tot het absurde toe.
Op
woensdagavond 7 juli, na de WK voetbalwedstrijd Spanje - Duitsland gezien te
hebben, ben ik vertrokken naar het zuidelijker gelegen eiland Fuerteventura. De
zuidpunt van Lanzarote kent namelijk een gemene windversnellingszone en 's
nachts gaat de wind wat liggen. De volgende ochtend om tien uur kwam ik aan in
Gran Tarajal, een haven die mij was aanbevolen. Nu kon je voorheen in de haven
en buiten de haven ankeren, maar inmiddels was de situatie wat veranderd. In de
haven waren nieuwe steigers gemaakt en mocht niet meer worden geankerd en buiten
de haven was de ankerplaats in de baai kleiner geworden i.v.m. een afgeschermd
gedeelte voor strandgasten. Toch heb ik buiten in de baai geankerd en daar trof
ik Zwitserse Vincent met zijn stalen boot aan. Daarmee had hij 14 maanden
doorgebracht in Marokko. Sinds 2008 was hij op reis.en leefde hij permanent aan
boord. Hij was kunstschilder, hetgeen goed bij zijn naam pastte. We hebben wat
ervaringen uitgewisseld. Toen ik aankwam zei hij al dat het goede ankergrond
(zand) was, maar dat er soms wel een behoorlijke deining kan staan. En dat was
ook zo. Het anker hield prima, maar de boot ging behoorlijk te keer. Toch heb ik
toen goed geslapen en de volgende dag ben ik toch maar gebleven. Is ook een
goede oefening, wat je zelf aankunt qua ongemakken tijdens geankerd liggen.
Op
zaterdagavond rond acht uur was ik van een afstand getuige van een dramatische
afloop van een ongeval. Ik zag een volksoploopje, het strand was eigenlijk
helemaal niet zo bezet, en ik hoorde de sirene van een ambulance. Toen ik met de
verrekijker keek, zag ik dat mensen op het strand een drenkeling aan het
reanimeren waren. Toen het ambulancepersoneel en de politie ter plaatse waren,
was het snel duidelijk dat er niets meer gedaan kon worden en werd er een
badlaken over het lichaam van de oudere vrouw gelegd. De echtgenoot en familie
zochten steun bij elkaar. Als je op het water woont, ben je helaas ook getuige
van een dergelijk lijden. Het duurde zeker drie uren voordat fotograaf,
lijkschouwer en lijkwagen ter plaatse waren. Al die tijd stond er een harde
wind, windkracht 6, en moesten ze het lichaam door hogere waterstand en harde
wind hogerop het strand verplaatsen. De harde muziek die tijdens het weekend op
het strand wordt gedraaid was uitgezet. Zodra de vrouw met de lijkwagen werd
weggehaald begon de muziek weer. Het leven gaat gewoon door.
Tja, en dan
op zondag de finale Nederland tegen Spanje. Wat moet ik ervan zeggen. Voor de
Spanjaarden werd het een feestavond, voor ons Nederlanders een ontluistering.
Gelukkig speelde Spanje vanaf het begin beter, zeker in de eerste helft en de
verlenging, dus heb ik er vrede mee. Kansen hebben we gehad, maar niet benut.
Via de Wereldomroep heb ik de partijen kunnen volgen. En nu volg ik verder de
Tour de France en het nieuws uit Nederland. Flink noodweer in Nederland af en
toe. En ook hier heeft de wind sinds die zaterdag niet meer onder de windkracht
5 tot 6 gezeten. Ik heb het tweede anker, het nieuwe Bruce anker met de
rubberboot uitgezet en goed geslapen op een slingerende boot. Het is jammer dat
er nogal wat mensen zijn die afzien van het ankeren omdat ze dan niet rustig
slapen, want het geeft toch zoveel vrijheid. Ik kan maar één advies geven: maak
je toch vertrouwd met de techniek van het op een juiste wijze inbrengen van het
anker. Het is namelijk ook je enige rem als er iets fout gaat met de zeilen of
de motor en je bevindt je op niet al te diep water. Het kan maar geleerd zijn.
Op Graciosa
had ik ook Duitse Axel leren kennen, en dat was niet die wereldomzeiler. Het is
een jonge knul die in de automatisering veel geld verdiend heeft. Hij had samen
met vrienden een bedrijf opgericht en ze zijn zelfs twee jaren achter elkaar in
Duitsland ondernemer van het jaar geweest. Dan moet je toch wat in je mars
hebben. Uiteindelijk heeft hij zijn aandelen verkocht en gaat nu de wereld
bereizen. Hij had in Caleta del Sebo van een Fransman een aluminium boot gekocht
en ging naar Las Palmas om de tuigage te vervangen. Ik zal hem daar bezoeken,
met name omdat ik van hem het boek World Routes van Jimmy Cornell kan overnemen.
Hij had het in december gekocht en zou dan zelf weer een nieuwe kopen. Ik had
dat boek van Amerikanen gekregen die ik op de Middellandse Zee had leren kennen,
toen ik drie maanden op hun kat had gepast terwijl zij in Amerike verbleven. Het
boek was door waterschade echter helemaal onbruikbaar geworden en ik heb het
moeten weggooien. Ik dacht onderweg wel weer een nieuwe te kunnen kopen, maar
dat viel tegen. Axel heeft twee boten, de pas aangeschafte en nog een boot die
al in Las Palmas lag en verkocht moest worden. Het boek had hij op Graciosa niet
bij zich, want dat bevond zich op die andere boot. Mijn bestemming is dus Las
Palmas om met name Axel te bezoeken, maar ik moet nog even wachten met de
overtocht. Op dit moment, we schrijven maandag 12 juli, neemt de wind toe en dat
zal morgen niet beter worden. Woensdag of donderdag zou de overtocht met matiger
wind moeten lukken. In het weekend wordt weer krachtiger wind verwacht, maar dit
keer echt hevig. Ik zal dus afwachten of de voorspellingen uitkomen en dan
overvaren. Dat is 80 zeemijlen en als ik dan later in de ochtend hier vertrek,
zou ik de volgende ochtend in Las Palmas moeten kunnen aankomen. En daarover
lezen jullie in een volgend verslag.
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

3e reisverslag van Henk Oosterwijk 2010
Op woensdag
14 juli ben ik van Gran Tarajal overgevaren naar Las Palmas op Gran Canaria.
Vanuit die haven start jaarlijks ook een georganiseerde overtocht naar het
Caribisch gebied (de zgn. ARC). De overtocht verliep goed, maar er was wel veel
wind en de golven waren hoog. Ik had veelal halve wind toen ik eenmaal uit de
luwte van zuid Fuerteventura weg was. In de windversnellingszone van
Fuerteventura was het echt even oppassen geblazen, want de wind gaat daar van
windkracht 2 binnen een paar minuten naar een dikke windkracht 6. En de golven
worden navenant hoger en ontstuimiger. Maar zoals gezegd, alles verliep goed en
ik ben de nacht wakker gebleven. Dat moest ook wel, want tussen Fuerteventura en
Gran Canaria ligt een shipping lane en die moest ik oversteken. Tijdens die
oversteek was er geen verkeer in de shipping lane, maar je blijft toch alert.
's Morgens
tegen zes uur kwam ik aan en het was helaas nog donker. Het opzoeken van een
goede ankerplaats is dan toch wat lastiger. Maar door de nachtelijke overtocht
waren mijn ogen gelukkig goed gewend aan het donker en het ankeren leverde ook
geen problemen op. Even gelegen en toen naar het havenkantoor. Voor 10 euro kon
ik een week ankeren en dan kreeg ik een sleutel van de douches die verder geen
muntinworp verlangden, kon ik mijn rubberboot aan een aparte steiger in de haven
afmeren als ik aan de wal ging en kon ik uiteraard mijn vuilnis in de containers
kwijt. Geen slechte deal en ik boekte voor een week.
Later in de
ochtend heb ik Axel opgezocht en nadat ik van hem het boek World Cruising Routes
kreeg (hij schonk het me, dat gebeurt wel vaker onder liveaboards, maar dit was
een splinternieuw boek) zijn we in de Sailor's Bar koffie gaan drinken. Hij was
nog druk bezig zijn boot op te knappen en de volgende dag heb ik hem geholpen om
een radar van zijn oude boot te demonteren en naar zijn nieuwe boot over te
brengen. De dagen daarop zagen we elkaar dagelijks en hebben vaak samen gegeten
en gedronken. En vooral veel ervaringen uitgewisseld. Hij kocht veel nieuwe
spullen voor zijn boot en ik keek ook weer rond bij de watersportzaken. In Las
Palmas kun je natuurlijk veel kopen aan apparatuur en spullen die je voor een
overtocht over de Atlantische Oceaan nodig hebt. Want die mensen die meedoen aan
de ARC moeten wat hun boot betreft voldoen aan bepaalde veiligheidseisen en als
ze dat niet voor elkaar hebben, dan moeten ze hun spullen alsnog in Las Palmas
kopen. De handelaren weten dit en houden veel op voorraad. Ik heb er een
radardetector gekocht en Axel kocht een AIS ontvanger.
Mijn apparaat
geeft een alarm als hij het signaal van een radar van een schip ontvangt en
toont dan aan in welke sector t.o.v. mijn boot dat schip zich bevindt. Als je
wat langer met de radardetector werkt dan is het ook mogelijk om uit te maken
van hoever het signaal komt en of het op je af komt of van je weg gaat. Het
apparaat gebruikt bijna geen stroom en kan onbeperkt aan staan. De AIS ontvanger
aan de andere kant geeft de naam, snelheid, koers en nog andere gegevens van een
schip weer zodra het apparaat het AIS signaal van dat schip ontvangt. Alle
grotere schepen zijn verplicht om zo'n AIS zender te hebben en te gebruiken. Op
zich dus een prima apparaat, ware het niet dat je daarvoor je computer constant
moet hebben aanstaan en die trekt al snel 2 tot 3 Amp/uur. Voor een overtocht
naar Engeland of dagelijks van haven naar haven varen geen enkel probleem, maar
voor een langere reis van één of meerdere weken toch iets wat je je niet kunt
veroorloven. Alle stroom die eruit gaat moet er ook weer binnen komen, m.a.w. je
moet ervoor zorgen dat je accu bijgeladen wordt want voordat je het weet doen je
marifoon en je navigatieverlichting het niet meer. Je moet bij dat
stroomverbruik keuzes maken, en ik had er in de winter voor gekozen om voor deze
warmere streken een koelkast te bouwen. Die gebruikt nog geen 1 Amp/uur in
Nederlandse wateren, maar in de warmere streken wordt dat stroomverbruik toch
wel wat hoger. Ik heb dus gekozen voor die radardetector en hoewel het
gedateerde Franse techniek is die overigens in 2007 nog een update heeft
ondergaan, ben ik er erg blij mee. Soms behouden oudere technieken hun waarde.
En Axel experimenteert er lustig op los met zijn AIS ontvanger. We hebben dus
genoeg stof tot praten tijdens de koffiesessies.
Op maandag 19
juli merkte ik in de middag dat een meisje van zo'n 16 jaar met een zeilplank in
de problemen kwam. Ze was ver van het strand verwijderd en tweehonderd meter
achter mijn boot aan het proberen om weer op de zeilplank te komen en ik zag dat
de wind, die een kracht van een dikke 5 en soms vlagen van windkracht 6 had,
haar steeds verder weg dreef. Haar vader was vanaf het strand naar haar toe
komen zwemmen maar ik zag dat ook hij duidelijk vermoeid raakte en op zijn rug
met wat vreemde slagen in haar buurt probeerde te komen. Ik ben er met mijn
rubberboot snel naartoe gevaren en heb gevraagd of ze hulp nodig hadden. De
vader zei dat ze beginners waren met die zeilplank en dat hij graag
teruggebracht wilde worden naar het strand. Ik heb ze toen op sleeptouw genomen
en naar het strand getrokken. Toen ik het strand naderde stond de moeder met nog
een kind naar me te zwaaien. Ze was duidelijk opgelucht dat haar dochter en man
heelhuids terug waren gekomen. Een lichte reddingsaktie dus, waarvoor ik wel de
boeien die het zwemgebied afbakenden moest passeren met mijn gemotoriseerde
rubberboot. Maar ik dacht bij mezelf dat als een strandwacht hiertegen bezwaren
zou maken, ik hem zou kunnen uitleggen waarom het nodig was. In een noodgeval
moet je de regels nu eenmaal overtreden. Toen ik terug was op mijn boot heb ik
er nog wel even over nagedacht hoe dit ook verkeerd had kunnen aflopen en was ik
blij dat ik de juiste inschatting had gemaakt. Het meisje was duidelijk
opgelaten met de hele situatie. Als je 16 jaar bent wil je niet op zo'n manier
opvallen. Ze geneerde zich er duidelijk voor dat ze terug gesleept moesten
worden. De vader was er echter maar al te gelukkig mee, hetgeen ik mij als vader
heel goed kan indenken. Soms breng je jezelf in de problemen als je je kinderen
uit een hachelijke situatie wilt redden. Het zal niet het eerste ongeluk zijn
dat op zo'n manier ontstaat. En ik had natuurlijk het verdrinkingsgeval bij Gran
Tarajal nog vers in mijn geheugen.
De wind
tussen de eilanden kan bijzonder hevig zijn. Je moet daar echt mee oppassen.
Maar je ziet het aankomen, net als bij Cape Trafalgar vóór de Straat van
Gibraltar of de Alderney Race bij Cherbourg. Gelukkig heb ik die ervaring
opgedaan in de afgelopen reizen en zie je het gevaar van verre. Toch zie je vaak
dagjesmensen met een glimlach het gevaar tegemoet gaan. Ze weten niet waar ze in
terecht komen. Ik hoorde op het Nederlandse nieuws via de Wereldomroep dat er
twee zwemmers, ik geloof jongens van 17 en 20 jaar, ondanks waarschuwingen waren
gaan zwemmen in water waar het getij juist aan het wisselen was, en die jongen
van 17 is toen verdronken. Het was bij één van de Waddeneilanden. Het is pure
onderschatting van de kracht van het water door stroming of wind. En dat is
fataal. Zonder arrogantie kan ik zeggen dat ik sinds ik in 2005 op het water ben
gaan wonen en leven, de elementen nog meer ben gaan respecteren dan tijdens mijn
loopbaan in de marine. Je zit er dichter bij dan op zo'n fregat van meer dan
honderd meter en je ziet wat de kracht van water allemaal kan doen. Maar genoeg
hierover, het is gelukkig allemaal goed afgelopen met die vader en zijn dochter.
Ze zullen nog veel moeten oefenen voordat ze op open water met veel wind kunnen
gaan zeilsurfen.
Na een week
heb ik mijn verblijf met een week verlengd. Het meisje van het havenkantoor
vertelde me nog even dat als ik hen opriep via de marifoon en toestemming vroeg,
ik gewoon met mijn boot naar een aangewezen steiger kon gaan en daar mijn
watertank kon vullen. Dat was bij het ankergeld inbegrepen. Ik ben nog
regelmatig naar Axel gegaan, maar ook op de ankerplaats leerde ik mensen kennen.
Zo was daar Duitse Peter, een man van 70 jaar die veel in het Caribisch gebied
had gezworven en op St. Maarten als zeilmaker had gewerkt. Toen hij een keer zag
dat ik rookte kwam hij bij me langs met twee blikjes bier en vroeg of ik een
sigaret voor hem had. Nu rook ik al jaren geen sigaretten meer, maar ik had op
een boot achter me gezien dat de solozeiler daar sigaretten rookte. Ik stelde
dus voor dat hij naar hem toe zou gaan en hem zou uitnodigen op mijn boot voor
een jenevertje. Zo gezegd zo gedaan en toen zaten we tot laat in de prachtige
avond met zijn drieën ervaringen uit te wisselen. De conversatie verliep soms
chaotisch want de derde was een Tsjech die inmiddels ook een paar woorden Spaans
sprak, maar geen Engels, Frans of Duits. Toch kwamen we er goed uit, want Peter
sprak goed Spaans. En dit soort avonden maakt het ankeren zo leuk. Het is toch
anders dan wanneer je aan een steiger ligt. Je houdt elkaars boot ook in de
gaten, of het anker misschien krabt. Dat is nog eens een keer in je eigen
voordeel, want het zal niet de eerste keer zijn dat een zeiler op een
ankerplaats wordt opgeschrikt door de klap van een boot die door een krabbend
anker tegen zijn boot aan drijft. Let maar eens op, een liveaboard heeft veelal
op de ankerplaats aan beide zijden zijn stootwillen uithangen. En dat is niet
voor niets.
Peter spreekt
wat verwarrend en snel, maar als je aan hem gewend bent geraakt dan valt er veel
van hem te leren. Hij kan honderduit praten over een Atlantische overtocht,
zwaar weer zeilen, vissen op zee en noodzakelijke zaken aan boord. Hij voedt
zich tijdens een overtocht met rijst en zelf gevangen vis. Tijdens mijn verblijf
in Las Palmas kocht hij van een bevriende zeiler een kleine computer en die
wilde hij vooral gebruiken voor emailverkeer. Hij had daarbij hulp nodig en ik
heb een internetadres voor hem aangemaakt en hem ingewijd in het
internetgebruik. Hij bracht mij een aantal leesboeken die hij gelezen had en die
ik weer aan een ander kon doorgeven. Overigens staat in de Sailor's Bar een
boekenkast waaruit je boeken kunt ruilen. Dat is zeer gebruikelijk in havens
waar veel zeilers samenkomen. Het mag duidelijk zijn dat ik tussen de regels
door veel van Peter leerde.
We hebben in
de haven ook nog de verjaardag van Axel gevierd, hij werd 36 jaar. 's Morgens
heb ik hem een ontbijt aangeboden in de Sailor's Bar en toen liet hij me zien
dat hij ook de radardetector had gekocht i.v.m. het geringe stroomverbruik. 's
Avonds ging hij eerst nog duiken, maar daarna waren we met een heel stel
verzameld in een bar/restaurant in de haven en hebben daar wat gedronken. Ik ben
op tijd weggegaan, want ik moet met mijn rubberboot over een groot stuk open
water naar mijn boot varen, terwijl Axel in de haven aan een steiger ligt. En
die avond stond er behoorlijk veel wind.
Las Palmas is
een prima haven als je wat aan je boot moet doen, maar verder is het een grote
stad met wat daar zo bij hoort. Zo hoor je dagelijks de sirenes van
politiewagens en ambulances. Niet bepaald een rustige omgeving. Het werd voor
mij weer tijd om door te reizen. Santa Cruz op het volgende westelijk gelegen
eiland Tenerife leek het aangewezen volgende reisdoel. Niet omdat ik zo graag de
grote steden wil opzoeken, maar meer omdat die haven t.o.v. Las Palmas en de
heersende winden gunstig ligt. Van daaruit kun je dan of het verdere eiland
verkennen of meteen overvaren naar het volgende eiland.
Op donderdag
5 augustus vertrok ik naar Santa Cruz. Ik moest tegen de wind en de hoge golven
in varen en daarbij moest de motor aan. Eenmaal ten noordenwesten van Gran
Canaria aangekomen kon ik halve wind varen en heb ik een aantal mijlen goed
gezeild. Maar toen nam de wind drastisch af en begin de boot door de toch nog
hoge golven enorm te slingeren. De motor dus weer bijgezet. Maar toen ik aan de
oversteek begon van het eiland Gran Canaria naar het eiland Tenerife, begon de
wind weer op te komen en kon de motor worden afgezet. Ik heb zo'n vijfendertig
mijlen goed kunnen zeilen met een windkracht 4 tot 5. Maar toen ik tien mijlen
voor de kust van Santa Cruz was, kwam ik weer terecht in zo'n versnellingszone
en ging de wind van 18 knopen uiteindelijk naar 35 knopen en dat is windkracht
8. Het is voor het eerst dat ik het moest overnemen van mijn elektronische
stuurautomaat, want die kon het niet meer aan. Bakken water kwam er over en
natuurlijk had ik in die warmte geen slecht weer kleding aan. In een mum van
tijd was ik kletsnat en ik moest al mijn kracht gebruiken om de boot in bedwang
te houden. Er is geen gevaar geweest, maar dit heb ik niet eerder meegemaakt. De
golven waren gemeen hoog en brekend dus riskant. Ik heb mijn rubberboot in die
storm verloren. Het was donker en toen hij losraakte had het geen zin meer om
erachter aan te gaan. Ik had hem natuurlijk niet op sleeptouw moeten nemen maar
wegens gemakzucht had ik dat toch gedaan. Soms ben ik hardleers, want mijn
eerste rubberboot, een dure Zodiac, ben ik in een nachtelijke storm in de Golf
van Biskaje verloren. In La Coruña heb ik toen de goedkoopste en kleinste
Plastimo gekocht. En de Zodiac heb ik toen van de verzekering vergoed gekregen.
Maar inmiddels heb ik een wereldwijde verzekering die alleen totaalverlies
vergoed. Anders was het niet mogelijk gezien de afstanden die ik met een kleine
boot afleg. Geen verzekeraar wil zijn vingers daaraan branden. Ik heb het
verlies vrij nuchter tot mij genomen en meteen de volgende dag met behulp van
een Engelsman die transport in de haven had een nieuwe gekocht. Een dinghy is
namelijk extreem belangrijk voor een liveaboard. Als je geankerd ligt
transporteer je daar alles mee, van boodschappen tot dieselolie. Ik kocht een
Zodiac van twee meter, kleiner dan ik had want die was toch nog twee meter en
twintig centimeter. Hij is degelijk uitgevoerd en ik ben er heel gelukkig mee.
Ik was om
00.30 uur in de haven aangekomen en werd meteen naar een goede plaats
gedirigeerd door een marinero van de jachthaven. Blijkbaar lopen ze hier 's
nachts de wacht en had hij me zien aankomen. Hij was heel hulpvaardig en
vriendelijk en dat doet je goed na zo'n zware overtocht. De volgende dag heb ik
ingecheckt en voor een week betaald, want ik wil Santa Cruz toch wel eens beter
leren kennen. Inmiddels had ik Engelse Mike leren kennen die al vijf jaren in
Santa Cruz verblijft en dus aardig de weg weet. Hij bracht me naar een goede
watersportwinkel op enige afstand van de haven waar wij lagen. En daar hadden ze
deze kleinste Zodiac dus. Ik kon nog tien procent van de prijs afhalen en heb
hem toen meegenomen. Daarna heeft Mike me een aantal adressen in de stad laten
zien waar je boodschappen kunt doen of iets voor de boot kunt kopen. Wat me
overigens meteen al opviel is dat in deze stad veel meer geleefd wordt dan in
Las Palmas wat toch wat zakelijker is. Bovendien waren hier geen wolken zoals in
Las Palmas, maar was er een straalblauwe lucht met een gloeiende zon. Mike
vertelde me dat ze hier gedurende een week een hittegolf hadden gehad met
temperaturen van veertig graden.
Op zaterdag 7
augustus zijn Mike en ik de bergen in gereden. Hij doet dat vaker en maakt dan
lange wandelingen, maar nu gingen we voornamelijk rijden en ergens lunchen. Het
uitzicht daar hoog in de bergen was onbeschrijfelijk. Prachtige natuur en soms
aan beide kanten van de weg een uitzicht op de zee. En je zag Gran Canaria
duidelijk liggen. We hebben heerlijk geluncht met plaatselijke gerechten zoals
konijn, geit, een soort gemalen mais en gekookte gezoute aardappels in de schil.
Daarna zijn we nog bij een Frans restaurant langsgegaan dat Mike kende van de
tijd dat ze nog een restaurant in het centrum van Santa Cruz hadden. Daar hebben
we een biertje gedronken en bijgepraat. Het was een fantastische dag in alle
opzichten. Maandag ga ik in ieder geval de stad verder verkennen, want vanaf
zaterdagmiddag tot maandagmorgen is de stad uitgestorven en kun je er dus niets
doen.
In de haven
leerde ik ook Doede kennen, kennelijk een Friese naam. Doede is notaris geweest,
maar zijn dienstplicht had hij bij de marine verricht en dat schepte meteen een
band. Hij nodigde me uit voor een borrel op zijn boot en we raakten al snel in
een goed gesprek. Hij heeft eigenlijk een ideale formule voor het boordleven
uitgevonden. Een aantal keren per jaar gaat hij naar zijn boot die al een tijdje
in Santa Cruz op Tenerife ligt, en is daar dan met zijn vrouw of met vrienden
die als bemanning mee willen varen, of gewoon alleen. Deze keer was zijn dochter
op bezoek en Doede gaf aan dat je tot heel andere gesprekken met elkaar komt als
je op een boot verblijft. Het maakt dan eigenlijk niet eens uit of je met de
boot naar buiten gaat of in de haven ligt. Blijkbaar geeft het bootleven iets
ontspannends, ook in de gesprekken. Ik kan het alleen maar met hem eens zijn,
want zo ervaar ik het ook. Er is geen druk, en vaak gaat zelfs de horloge af en
heeft men geen idee van de tijd. Hij heeft in het verleden veel langere reizen
gemaakt en we hadden genoeg stof voor twee lange avonden.
Op de dag van
vertrek - ik had mij voorgenomen om na een week weer verder te reizen - zag ik
tot mijn grote ontsteltenis bij het wakker worden een kakkerlak zo groot als
mijn grote teen op de deur van mijn slaapverblijf. Ik probeerde hem met een doek
te pakken, maar toen ik buiten de doek opende was de kakkerlak verdwenen. Ik had
hem dus niet te pakken gekregen en dat is een serieus probleem. Door de verhalen
over kakkerlakplagen aan boord had ik al de etiketten van mijn blikvoorraden
gehaald, en mijn schoenen buiten uit gedaan en laten staan. Met je schoenen kun
je op een kakkerlak trappen en de eitjes mee naar binnen nemen en achter de
etiketten kunnen ook eitjes zitten. Ik had al een spuitbus gekocht tegen
kakkerlakken en Doede had mij gewezen op doosjes met gif die je aan boord kunt
zetten. Iedereen in de warmere streken heeft die beestjes wel eens aan boord
gehad, maar ik dus nog niet. Ik had de vorige dag die doosjes gekocht en heb de
ochtend dat ik die grote kakkerlak ontdekte meteen de doosjes overal aan boord
neergezet. Daar vang je echter alleen de kleine kakkerlakken mee, want zo'n
grote past niet in het doosje. Zoals gezegd, een echt probleem, hoewel ik
gehoord heb van schepen die massa's kleine kakkerlakken aan boord hebben en
ermee hebben leren leven. Ook had ik van een Duitser in Calheta gehoord dat hij
ze had opgedaan in de Kanarische Eilanden en toen een contract met een
bestrijder heeft afgesloten voor 200 euro. Die heeft toen een halfuurtje werk
gehad, maar de kakkerlakken waren verdwenen en kwamen ook niet meer terug. De
man had hem de garantie gegeven dat als hij klaar was er gegarandeerd de komende
vier jaren geen kakkerlakken meer aan boord zouden komen. De Duitser vertelde
mij dat als hij weer een kakkerlakkenplaag aan boord had, hij meteen de 200 euro
zou betalen om ervan af te komen. Tevoren had hij namelijk ettelijke weken samen
met zijn vrouw dagelijks kakkerlakken dood gemaakt, maar ze bleven komen.
Op donderdag
12 augustus vertrok ik dus met nog steeds die grote kakkerlak in mijn gedachten.
Ik voer toen in een dag en een nacht de 100 zeemijlen naar Santa Cruz op het
eiland La Palma. Ik was een halve dag onderweg en zat in de kuip. Ineens zag ik
het monster langs de kajuitingang kruipen en heb hem meteen te pakken genomen.
Met een tang heb ik hem daarna overboord gekieperd. Hij was dus toch in mijn
slaapverblijf gebleven en probeerde dus nu weg te kruipen. Daarna heb ik geen
kakkerlak meer gezien, maar het blijft oppassen geblazen.
Op het eiland
La Palma moest het rustiger zijn en heel pittoresk. Ik kwam 's morgens in de
haven aan en die zag er bijzonder verzorgd uit. Ik had meteen contact met een
Zwitsers stel, Anne Marie en Bernhard en later ook met mijn Engelse buren, Penny
en Chris. De volgende dag heb ik mijn boordlicht voor gerepareerd. Het snoer en
de fitting vertoonden al een tijdje storingen en omdat je vooral bij het
binnenvaren in de haven met boordlichten en stoomlicht op de motor afhankelijk
bent van o.a. dat licht werd het tijd dat er wat aan gedaan werd. Het bleek geen
makkelijke reparatie te zijn want de hele fitting was door het zoute water
aangetast en er braken onderdelen spontaan af. Gelukkig had ik nog twee
fittingen en ik heb dus een nieuwe gemonteerd. Geeft altijd weer een goed gevoel
als je zoiets hebt hersteld.
Op de eerste
dag, de dag van aankomst, ben ik 's avonds met mijn vier kennissen naar het
plein voor de kerk gegaan en heb folkloristische zang en dans bewonderd. Er
waren geweldige instrumentvirtuozen bij en prachtige stemmen. En het dansen werd
uiteraard in folkloristische kledij uitgevoerd en was heel mooi om te zien. Zo
beleef je toch meteen het een en ander. Na dat optreden was ik uitgenodigd om
aan boord bij Penny en Chris te eten. Dat was dus om zo'n uur of elf 's avonds,
maar dat is voor Spanjaarden heel gewoon. We aten een soort Engelse stew dat
prima in de snelkookpan was klaargemaakt. Ach, de snelkookpan, een must voor
elke zeiler. Het komt meer dan eens voor dat we elkaars snelkookpannen
vergelijken en aanprijzen.
In Santa Cruz
Tenerife had Mike me nog gewaarschuwd om niet te vroeg te vertrekken naar de
Kaapverdische Eilanden, want daar ontwikkelen de hurricanes zich vaak en trekken
dan de oceaan over. Eind november, begin december gaat de ARC pas aan de
oversteek naar het Caribisch gebied beginnen. Het zou dus verstandiger zijn om
nog even wat langer op de Kanarische Eilanden te verblijven. Mijn kennissen
zouden sowieso nog een aantal weken in Santa Crus La Palma blijven. Op het
havenkantoor had ik gehoord dat een maand verblijf dertig procent korting op het
liggeld zou opleveren en ik had afgesproken dat ik maandag zou laten weten of ik
daarvoor in aanmerking wilde komen. Je moet dan namelijk vooruit betalen.
Om te
beslissen of ik zolang wilde blijven heb ik op zaterdag de stad eens even goed
bekeken en wat ik zag beviel me goed. Een hele lange winkelstraat met mooie
pittoreske huisjes en straatstenen, soms kinderkopjes. Wel veel toeristische
winkeltjes met allerlei prullaria, maar daarnaast alles wat je als liveaboard
nodig hebt in een haven. Ik heb dus voor een maand liggeld betaald.
Chris
probeerde mij, net als Sue Thatcher op Porto Santo, te interesseren voor het
lidmaatschap van de Ocean Cruising Club. Het is een internationaal gezelschap
zonder clubgebouw of zoiets, dat elkaar bijstaat en informeert over lange
afstand reizen per zeilboot. In havens over de hele wereld zijn zgn. officieren
van de OCC die je met raad en daad bijstaan tijdens je verblijf. Je kwalificeert
je door 1000 zeemijlen, gemeten langs een rechte lijn, aan één stuk te varen, en
je moet worden voorgedragen door een volwaardig lid. Sue Thatcher is een senior
member, en Chris is sinds 2005 lid. Na lang aarzelen heb ik uiteindelijk
besloten om lid te worden van de OCC en Chris draagt mij voor. Ik heb Sue
Thatcher gemaild of ze mijn voordracht wil steunen. Ze heeft toen voor mij een
email van die strekking naar het secretariaat gestuurd. Daar was ik best trots
op. Nu is het afwachten of ik als lid wordt aangenomen, want dat wordt in hun
eerstvolgende vergadering besproken.
Chris en
Penny huurden een auto voor drie dagen en vroegen mij of ik daarin wilde
meedoen. We hebben drie dagen lang over het eiland gereden en het was een van de
beste ervaringen op deze reis. Vulkanen, observatoria, naaldwouden, lavavelden,
bananenplantages, zwarte stranden, we hebben echt heel veel gezien. Men zegt dat
La Palma het mooiste eiland is en dat het juist hier de moeite waard is om een
auto te huren en het eiland te bekijken. Ik kan dat alleen maar bevestigen. Hier
wordt overigens ook tabak geteeld en sigaren gemaakt. Toen we in een dorp waren
waar dat zou plaatvinden heb ik een heel klein tabaksfabriekje bezocht. Daar kon
je zien hoe de sigaren in elkaar worden gedraaid en vervolgens in de pers wordt
gestopt. Ik zag in een vitrine nog een aantal mooie Franse pijpen, maar ik wist
me te beheersen om er een te kopen. Ik ben al goed voorzien.
En dan
probeer je tijdens zo'n maand binnenliggen een ritme op te pakken. Elke dag wel
een klusje op de boot, maar ook een wandeling door de stad en het avondeten
inkopen. Ze hebben hier trouwens een hele mooie kleine markthal met verse
produkten. Terug in de haven is er dan altijd wel even een praatje met mijn
kennissen. Ik mag ook graag een pijpje roken en dan een goed reisboek lezen. Op
dit moment ben ik aan het lezen in "A Passion for the Sea" van Jimmy Cornell,
een aanrader voor de zeiler. Toch leer je veel door deze reisverhalen te lezen.
Veelal zijn het bekende ervaringen, maar er zit er altijd wel weer een nieuwe
bij waar je in de toekomst iets aan kan hebben. En het is gewoon leuk als in het
boek verteld wordt over havens waar je zelf ook bent geweest of trajecten die je
ook zelf hebt afgelegd. Kortom, voordat je het weet is een dag al weer om. De
reden dat ik af en toe een maand ergens blijf liggen is dat ik dan zo'n haven
met zijn omgeving veel beter leer kennen. En ik woon op mijn boot, dus af en toe
moet het ook gewoon een huiskamer zijn die zich op dat moment gewoon ergens in
een haven bevindt. Dat geeft rust, en na zo'n binnen lig periode ben je weer
helemaal klaar voor het verder reizen. Waar dat allemaal naartoe gaat, dat lees
je in het volgende reisverslag. Voorlopig ben ik hier tot 13 september.
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

4e reisverslag van Henk Oosterwijk 2010
Op maandag 13
september, na een volle maand in Santa Cruz op La Palma, reisde ik door naar het
eiland La Gomera. Op de zaterdag daarvoor ontmoette ik in de haven de Belgische
talkshowpresentator Jambers. Jarenlang was hij ook op de Nederlandse televisie
te zien met spraakmakende zaken. Hij vertelde me dat hij in 2003 was gestopt,
maar dat hij i.v.m. een of ander jubileum nu gevraagd was om weer een aantal
shows op te nemen. Wellicht zien we hem dus binnenkort ook weer op de
Nederlandse beeldbuis. Hij vertrok naar La Gomera en zou later doorreizen naar
de Kaap Verdische eilanden, net als ik. Wellicht zou ik hem dus nog weer
tegenkomen.
Bij de
overtocht naar La Gomera gebeurde er iets vreemds. Ik was om 04.30 uur uit de
haven vertrokken en vanaf het begin waren er behoorlijke golven maar weinig
wind. De dag ervoor had het hard gewaaid en dan kunnen de golven nog even
doorzetten. Maar toen ik een tiental mijlen onderweg was had ik een goede wind,
kracht 4 tot 5 beaufort, en dat bleef zo tot zo'n tien mijlen van de kust van La
Gomera. Toen raakte ik in de windversnellingszone en ging het steeds harder
waaien. De golven werden hoger en onstuimiger. Op een gegeven moment brak een
hoge golf tegen mijn boot en werd ik behoorlijk opzij gezet. Ik bereidde me voor
op meer van dat soort ongemak. Ik had trouwens de genua al wat ingehaald en een
eerste reef in het grootzeil gedaan. Maar na die heftigheid van de brekende golf
was het van het ene op het andere moment windstil en rustig qua golven. Daarna
draaide de wind 180 graden van noordelijke naar zuidelijke wind. Nu is het me
wel vaker overkomen dat er een langere windstilte is en dat dan de wind uit een
andere richting komt. Maar deze plotselinge overgang was nieuw voor me.
Ik voer langs
Puerto de Vueltas en volgde de kust totaan Santiago waar mijn Zwitserse
kennissen voor anker lagen. Ik heb me bij hen gevoegd en de volgende dag
ankerden we in een baai die slechts 2 mijlen daar vandaan lag. Later op die dag
kwamen de Nederlandse kennissen uit Santa Cruz er ook bij. Zo lagen we dus met
drie boten geankerd in een grote baai in het zuidoosten van het eiland La
Gomera.
De
Nederlanders hadden ook een vreemde ervaring opgedaan bij hun overtocht.
Eigenlijk wilden ze namelijk Puerto de Vueltas, ook wel Valle Gran Rey (vallei
van de grote koning) geheten, aandoen maar daar is het niet van gekomen. Ze
hadden ook heftige wind en het grootzeil en de genua gereefd. Toen het net als
bij mij ineens zo goed als windstil was en ze de haven naderden, waren ze net
bezig de reven eruit te halen. Maar opeens stak er zo'n harde wind op dat ze met
kracht richting de havenmuur werden voort geblazen. Ze hadden 50 knopen gemeten
en dat is meer dan windkracht 8. Daarbij liepen ze ook schade aan de zeilen op,
zowel grootzeil als genua. Het was allemaal zo kwaadaardig dat ze er behoorlijk
van waren geschrokken. Ze hebben de steven af kunnen wenden van de kademuur en
zijn zo snel mogelijk ervandoor gegaan richting zuiden. Toen ze dus bij ons
aankwamen in de baai moesten ze eerst even hun verhaal kwijt. De volgende dag
zouden ze naar San Sebastian varen en daar in de Marina gaan liggen. Daar is een
zeilmaker en die zou de schade kunnen repareren.
Maar de wind
was nog niet klaar met ons. Er stak een noordoostelijke wind op met een kracht
van 35 knopen, windkracht 8 dus. En daarbij zulke harde vlagen dat het ons
verstandig leek om gedurende de nacht ankerwacht te houden en de marifoon op
kanaal 67 zodat we elkaar konden waarschuwen. Voordat het avond werd hebben de
Nederlanders nog geprobeerd om de haven van San Sebastian te bereiken, die maar
zo'n zes zeemijlen verderop lag. Maar na een halfuur zagen we ze terugkeren, het
was ondoenlijk om zelfs met de motor tegen de wind en de golven in te varen. En
zo gingen we dus gedrieën de nacht in. Ook de volgende dag was er nog een
stevige deining met wat wind, maar zowel de Zwitsers als de Nederlanders hadden
er genoeg van en gingen zo snel mogelijk naar San Sebastian. Ik ben toen alleen
in de baai gebleven en heb daar nog een dag doorgebracht. 's Avonds toen het
rustiger was ben ik teruggekeerd naar de baai van Santiago en heb daar geankerd.
De anderen
berichtten mij per sms dat het propvol was in de haven van San Sebastian en dat
er dagelijks vlagen met windkracht 5 tot 6 te verduren waren. Ik voelde er dus
weinig voor om hun kant op te gaan en bleef met toch wel wat deining bij
Santiago liggen. Daar leerde ik een Frans/Israëlisch stel kennen die er al lange
tijd woonde. Op een gegeven moment hebben we voor een spelletje jeu de boules
afgesproken. Daar deed ook nog een ander Frans stel aan mee. Het werd bere
gezellig en ik had er een goed gevoel over dat ik was blijven liggen. Maar na
drie dagen, op zaterdag 18 september ben ik 's morgens vroeg naar Puerto de
Vueltas of ook wel Valle Gran Rey afgereisd. Dat is bekend vanwege de Duitse
hippies die er in de 70-er jaren naar toe getrokken waren en nu met hun
nageslacht daar nog steeds woonden. Ik wilde dat wel eens zien. Bovendien
vertelden de Zwitsers mij dat toen zij daar voor anker lagen, ze een wat vreemde
blanke Keniaan hebben ontmoet die naar de beschrijving van persoon en boot wel
heel veel leek op Tim die ik al in Falmouth had ontmoet. De Duitse Hinnerk
Weiler en ik zijn toen nog bij Tim aan boord geweest en Tim zou met zo'n 150
boten in één stuk vanuit Falmouth naar New York reizen. Het was een wedstrijd en
die moest gezeild worden in een kleine boot zonder motor. Wat deed Tim, als hij
het was, dus hier op La Gomera. Ook dat intrigeerde mij.
Toen ik na
een probleemloze tocht van twee uren in Valle Gran Rey aankwam zag ik al direkt
dat het inderdaad Tim zijn boot was die daar geankerd lag. Het weerzien was
hartverwarmend. Later hoorde ik van hem dat hij door harde tegenwind in drie
weken slechts 800 zeemijlen had afgelegd en op een gegeven moment nog maar twee
blikken bonen had. Toen is hij zo snel mogelijk naar de Azoren gegaan en heeft
proviand ingeslagen. Omdat het door harde wind ondoenlijk was om de tocht naar
New York voort te zetten was hij naar het zuiden gevaren en op La Gomera terecht
gekomen. Daar lag hij nu al ettelijke maanden.
's Avonds
werd het meteen gezellig op mijn boot, want Tim en een bevriend stel kwamen bij
mij macaroni eten en daar werd een goed biertje bij gedronken. Iedereen nam wat
mee en zo hadden we plezier tot laat in de avond. De volgende dag had ik een
afspraak met Tim om met zijn Avon rubberboot op het strand te landen en op zoek
te gaan met zijn metaaldetector naar overblijfselen van Amerikanen die zich hier
in de 70-er jaren hebben schuilgehouden om de dienstplicht voor Vietnam te
ontduiken. We vonden helaas alleen de restanten van een oud cola-flesje, maar
het was toch een bijzonder avontuur. De landing op het strand was een natte
landing in de branding en toen we eenmaal aan land waren zijn we de canyons
ingegaan op zoek naar schuilplaatsen. We vonden een prima schuilplaats met water
en vluchtwegen naar twee kanten, maar zoals gezegd we hebben niets spectaculairs
gevonden. Tim is een bijzondere vent en zijn verhalen zijn helemaal bijzonder.
Hij leeft op een kopie van Jesper, de boot waarmee "Blondy" Hassler om de wereld
is gezeild. Toentertijd een spectaculaire tocht. Toen Tim vanuit Falmouth wilde
vertrekken naar New York ontdekte hij tot zijn schrik dat hij geen geld meer had
om te provianderen. Toen heeft hij zijn buitenboordmotor verkocht en dat was de
enige motorische aandrijving van zijn Blue China. Nu mag je tijdens de wedstrijd
ook geen motor gebruiken en hij had hem sowieso in de opslag moeten doen, maar
nu was hij hem dus voor altijd kwijt. En geld voor een vervanger had hij niet.
Zo zou hij uit de haven gesleept moeten worden bij windstilte als hij de
overtocht naar La Palmas Gran Canaria zou beginnen. Dat zou hij samen met Duitse
Matthias doen, die op zijn eigen boot, een Contessa, ook daar naartoe zou gaan
om samen met Tim te proberen om wat geld te verdienen. Omdat ik groot respect
voor Tim en zijn Jesper heb, heb ik hem mijn buitenboordmotor van de dinghy
gegeven. Zijn reactie was zeer emotioneel. Dat had hij nooit verwacht, en hij
was er geweldig mee in zijn nopjes. Nu kon hij in ieder geval in de havens
manoeuvreren. Uiteraard wilde hij hem eerst niet aannemen, maar toen ik zei dat
ik het niet uit een soort van medelijden deed, maar uit respect veranderde dat
de zaak. Een tijdje roeien zou me goed doen en ik kon later wel weer op zoek
gaan naar een vervanger. Het was al een oud dingetje, maar Tim was er goed mee
geholpen. Ik vind dat zeilers het voor elkaar moeten opnemen en wie weet waar ik
Tim nog eens tegenkom. Overigens is Tim ook goed bevriend met Ian Cheston, wiens
boek ik heb gekregen met een inscriptie toen ik hem heb geholpen in Ponta
Delgado op het eiland Sao Miguel van de Azoren in de zomer van 2007. En zo zie
je maar weer hoe klein de wereld is voor oceaanzeilers.
Inmiddels had
ik nog steeds contact met mijn kennissen in San Sebastian: de Zwitsers Bernard
en Annemarie, de Nederlanders Henk en Barbara en de Engelsen Chris en Penny.
Chris die me had voorgedragen voor de Ocean Cruising Club en waarvan ik nu als
lid ben aanvaard. Die zou ik weer zien als ik naar San Sebastian ging. Ik heb
hen laten weten dat als Tim vrijdag 24 september naar Las Palmas zou vertrekken,
ik naar hen toe zou komen. Dan zou ik in totaal een week hebben doorgebracht in
Valle Gran Rey en dat was het mij wel waard. Want Valle Gran Rey is in alle
opzichten een interessante plek, maar dat heb ik denk ik inmiddels wel aan
jullie duidelijk gemaakt. Mijn kennissen in San Sebastian wilden voor mij
reserveren, maar dat deed de Marina daar niet. Voor hen zijn deze maanden de
voornaamste bron van inkomsten en zelfs reserveringen zijn voor hen niet zeker
genoeg. Ik kan me dat met de heftige winden hier ook wel voorstellen. De kans
dat je op een afgesproken dag daar niet kunt aankomen is ruim aanwezig. Toen ik
overigens een keer op een morgen in het dorp rondliep groette mij de Israëlische
Moty met wiens familie ik in Santiago jeu de boules had gespeeld. De wereld is
toch zo klein. Hij was op weg naar de dokter, want die heb je blijkbaar niet in
Santiago.
Ik reisde ook
af naar San Sebastian omdat niet alleen de internetverbinding maar ook het
gewone gsm verkeer problematisch is in Valle Gran Rey. Dat zal wel door de hoge
bergen komen. Nooit eerder in een haven had ik problemen met mijn gsm, maar hier
wel. Maar idyllisch is de baai wel, dat zal niemand ontkennen.
Op de
woensdag hadden we de hele dag regen, dat had ik op de Kanarische Eilanden nog
niet meegemaakt. Het bleef uiteraard wel warm en dat maakte dat alles erg klam
aanvoelde. En op donderdag, de dag vóór vertrek, was er ineens een geweldige
klap met veel stof op de weg langs de hoge rotsen. Het bleek dat een klein
stukje van de rotswand naar beneden was gevallen. Gelukkig waren wandelaars daar
nog zo'n 200 meter van verwijderd en een auto die daar naartoe reed was er ook
nog een stuk vanaf. Toen de wandelaars en de auto ter plekke waren, hebben ze
eerst wat puin van de weg geruimd voordat ze verder gingen. Tim, die bij mij op
bezoek was en ik hebben dit schouwspel vanaf mijn boot gevolgd. Het is dus niet
ongevaarlijk om die weg te nemen. Wij zeilers zeggen ook wel eens dat alle
gevaar van het land komt.
Op vrijdag 24
september heb ik op de motor de 15 mijlen naar San Sebastian afgelegd want de
wind kwam steeds recht van voren om het eiland heen. Daar aangekomen werd ik
meteen uitgenodigd om de verjaardag van Zwitserse Bernard te vieren. En daar
ontmoette ik alle anderen ook. Ik werd bijgepraat over het leven in de haven van
San Sebastian. Bij het inchecken heb ik aangegeven dat ik wel twee weken wilde
blijven. En dat heb ik uiteindelijk ook gedaan. Ik heb heel veel voeding
ingekocht want er wordt vaak gezegd dat je je inkopen moet doen voordat je
verder zuidelijk gaat. Daar zijn bepaalde dingen heel moeilijk te krijgen en ze
zijn veel duurder als je ze al kunt kopen. Ik heb binnen ook netten opgehangen
waar ik fruit en groente in kan doen.
De Zwitsers
gingen het eerste weg, want die gaan in november met de ARC naar de overkant van
de oceaan. Daarna willen ze na een bezoek aan het Caribisch gebied door het
Panamakanaal en de Pacific op. Een reis rond de wereld. Dat is hun grote droom.
En daarna gingen de Nederlanders naar een ankerplaats. Ze moesten hun zeilen
laten repareren maar dat duurde wat lang en de haven is niet goedkoop. Na vijf
dagen waren ze al weer terug. Het ging toch behoorlijk tekeer op die ankerplaats
en na vijf dagen hadden ze het wel gezien. De Engelsen hadden een nieuwe
computer en ik heb hen geholpen die aan boord te installeren. Het was zo'n
nautische computer die tegen de omstandigheden op een boot moet kunnen. We
hebben wat gaten geboord en wat leidingen getrokken. Ze zouden eerst naar Gambia
gaan, maar toen bleek dat ze daar niet verzekerd zouden zijn hebben ze er toch
maar van af gezien. De Nederlanders gaan daar nog wel naartoe.
Op de steiger
heb ik veel contact gehad met Fransen. Er waren wel vier Franse boten en het was
een gezellige toestand op mijn steiger. Ik heb met ze gegeten en gedronken. Daar
zijn ze goed in. En natuurlijk elke dag Frans gesproken. Langzaam aan kwam ik er
weer een beetje in. Want onderweg is Engels toch wel de voertaal. Eigenlijk zou
ik nog eens beter Spaans moeten leren, want nu ken ik alleen een paar woorden.
Ik kan het met mijn school-Latijn wel volgen, maar spreken is een andere zaak.
Op vrijdag 8
oktober was ik er helemaal klaar voor. De reis naar de haven Mindelo op de
Kaapverdische Eilanden is ongeveer 800 mijlen. Een mooie tocht als alles goed
verloopt. Ik vertrok 's morgens vroeg om 05.30, want dat is twee uren voor laag
water en dan is de zee ter plaatse rustiger. De eerste 25 mijlen heb ik de motor
bij moeten zetten omdat ik de wind en de golven op de kop had en ik de
windversnellingszones moest passeren. Soms is het dan net alsof je in een
wasmachine zit. De golven komen overal vandaan. Er staat bovendien nog een
sterke stroming langs het eiland. Op sommige plaatsen heb ik 1,5 knoop gemeten.
Toen de zon opkwam zag ik een groep hele grote dolfijnen. Dus niet die snelle
kleine exemplaren, maar grote die ook heel langzaam voorbij kwamen. Een mooi
gezicht zo op de vroege morgen. En daarna begon het te motregenen en vormde zich
door de zon een complete regenboog. Op zee is zo'n natuurverschijnsel extra mooi
omdat je hem helemaal van begin tot het eind kunt zien. Na die 25 mijlen kwam ik
in wat rustiger water, maar de wind was nog steeds zuidwest 3 tot 4 en die kant
moest ik nu juist op. Kruisen dus, maar ik wist dat de wind volgens de gribfiles
die ik in de haven had bekeken de volgende dag al weer naar het noorden zou
draaien.
De tweede dag
van de overtocht, zaterdag, was een rustige dag. Er was niet veel wind waardoor
mijn gemiddelde snelheid terugliep naar 3 knopen en dat betekent 72 mijlen per
dag. De wind was inderdaad richting noorden gedraaid en was nu noordwest. Ik kon
nu met halve wind tot ruime wind zeilen. 's Middags gaf mijn radardetector aan
dat er een schip in de buurt was en inderdaad, een groot vrachtschip liep mij
aan bakboordzijde op. Dat was het eerste schip dat ik tot dan toe had gezien.
Verder zag ik weer vliegende vissen, net als voor de kust van Madeira bij
Calheta. Tijdens een langere overtocht is het belangrijk dat je jezelf weet
bezig te houden en dat je in balans blijft. Wat ik daarmee bedoel is dat soms
heel kleine dingen een groot verschil kunnen uitmaken in hoe je je voelt.
Luister ik normaal nooit naar een voetbalwedstrijd, nu kan een wedstrijd
Duitsland - Turkije via de Duitse Wereldomroep een hoogtepunt van de dag zijn.
Of een cabaretprogramma op de Nederlandse Wereldomroep, dat altijd op
zaterdagochtend wordt uitgezonden. Een douche is ook iets speciaals, omdat je
behoudend met je verse water moet omspringen. Ik heb zo'n zwarte zak, die als je
hem met water vult en in de zon legt, binnen korte tijd warm water via een
douchekop geeft. Die douche had ik voor de zondag gepland.
Maar op
zondag kwam het er door behoorlijke slingering van de boot niet van om een
douche te nemen. Dat stelde ik dus uit tot een later moment. Er kwam mij nog wel
een groep grote dolfijnen begeleiden. Altijd weer een pracht gezicht, hoe
sierlijk ze zich bewegen, en als ze groot zijn dan gaat dat heel langzaam.
Verder was de oceaan leeg, geen schip te zien. Nu is de kans dat zeilers je
tegemoet komen op dit traject wel heel erg klein, gezien de doorgaans heersende
noordoostelijke winden. Er wordt wel gezegd dat de beste route naar het noorden
vanaf de Kaapverdische Eilanden via het Caribisch gebied is. Twee oversteken
dus, eenmaal naar het Caribisch gebied en eenmaal via de Azoren terug naar
Europa. De gemiddelde snelheid bleef staan op 3 knopen, niet snel maar wel
gestaag zoals ik in mijn logboek schreef.
De nacht van
zondag op maandag heb ik goede voortgang gemaakt. De wind trok wat aan en de
boot voer 4 tot 5 knopen. De gemiddelde snelheid over de tocht tot dan toe was
opgelopen met een schamele 0,1 naar 3,1. Mij overkwam nog iets vreemds op die
maandagmorgen. Terwijl ik in de kajuit zat dacht ik aan een groot stuk hout dat
ik onderweg tegen zou kunnen komen. Dat is mij op andere reizen ook overkomen.
Je hoort dan een klap en gaat snel naar de kuip. Daar zie je dan nog net een
heel groot stuk hout drijven. Maar deze keer zat ik er alleen maar over te
denken. En toen ik daarna in de kuip ging zitten zag ik meteen een enorme balk
waar een hele grote spijker uitstak. De balk was zeker vijf meter lang en wel
dertig centimeter dik, en dreef op nog geen drie meter van mijn boot voorbij.
Gek hè, maar op zo'n moment geloof ik niet in toeval.
Op dinsdag,
de vijfde dag op zee, nam ik mijn douche. Daar waren twee redenen voor. Ten
eerste was er zo weinig wind dat ik de motor moest bijzetten. Ik moest sowieso
stroom draaien, oftewel de hoofdaccu opladen, want die was gezakt tot een
vulling van 35%. De windgenerator en het zonnepaneel kunnen met name bij lichte
wind het stroomverbruik van de koelkast niet aan. En omdat er dus weinig wind
was, was de oceaan ook navenant kalm. Een ideale situatie voor een douche. Maar
ik deed het ook om me beter te voelen, want in de kuip zag ik een grote donkere
kakkerlak en die kroop door een gat in het stuurboords opbergvak naar binnen. En
dat geeft echt een domper op de dag. De grote donkere exemplaren zijn namelijk
de vrouwtjes en die leggen eieren. Ik had al eens verteld dat ik zo'n exemplaar
met een tang overboord geslingerd heb. Maar deze kreeg ik echt niet te pakken.
Ik heb zelfs de houten roosters op de kuipbanken losgeschroefd om bij hem te
komen. En toen ik een rooster waar hij onder gekropen was losschroefde zag ik
hem het opbergvak insnellen en kon ik het verder wel vergeten met de jacht. In
die opbergvakken zit namelijk een groot gat ter ventilatie van het motorruim. De
motor heeft als hij loopt lucht nodig en via deze gaten moet hij aan zijn extra
lucht komen. Toch heb ik al in meerdere boeken gelezen dat dit een zwakke
schakel is in een boot. Ik heb al eens verhaald dat als de boot hevig slagzij
maakt en blijft houden, het water niet terug kan stromen naar de kuipvloer met
zijn afvoergaten, maar in het opbergvak terechtkomt en via dat gat in het
motorruim en uiteindelijk de bilge. Het is goed om dit te weten en maatregelen
te treffen om het afsluitbaar te maken. Ik moet dat nog doen. De afgelopen
maanden heb ik gevochten tegen de kakkerlakken en ik had al een tijdje geen
kakkerlak meer gezien. Ik heb gifdoosjes, plakdoosjes en een spuitbus. In totaal
vond ik zo'n drie kleinere kakkerlakken, maar die waren allemaal door het gif
doodgegaan. En omdat ik niets meer vond dacht ik dat ik er vanaf was. Maar dit
grote exemplaar moet zich toch ergens aan boord hebben opgehouden, want ze komen
niet midden op de oceaan ineens aanvliegen. Zoals gezegd, een domper op de dag,
maar dat kun je oplossen door een heerlijke douche te nemen. En ik heb ervan
genoten. De kakkerlak komt nog een keer aan de beurt. Zodra ik hem zie, grijp ik
de spuitbus. Afwachten dus. Maar wat was deze snel! Ik heb nog vijf plakdoosjes
erbij geplaatst.
Terwijl ik
dit schrijf ben ik er nog opgewonden van. Het was dinsdagavond rondom tien uur
toen mijn wekker ging en ik naar de kuip liep om mijn 360 graden uitkijk te
doen. Maar toen ik nog geen stap verzet had, want zo groot is mijn kajuit nu ook
weer niet, zag ik een donker ding over de vloer rennen van stuurboordszijde
onder de toiletdeur door naar bakboordszijde. De kakkerlak! Wat was hij groot en
snel. De vorige keer nam ik het mezelf kwalijk dat ik niet aan de spuitbus met
gif had gedacht, maar hem met een mes te lijf ging. Nu greep ik mijn
schijnwerper en de spuitbus voordat ik de toiletdeur open deed. Ik hoopte dat
hij niet al snel de weg naar mijn slaapruimte had gevonden en daar verdwenen
was. Ik slaap weliswaar tijdens het varen op de bank in de kajuit, maar het idee
dat er in je slaapruimte ergens een grote kakkerlak rondloopt, is zacht
uitgedrukt niet plezierig. Ik opende de deur met de schijnwerper aan en de
spuitbus in aanslag en zag hem meteen. Hij probeerde tegen de gladde vloer van
het toilet omhoog te kruipen en was al bijna achter de toiletpot. Blijkbaar
beviel hem die route niet, want hij kwam terug en toen trof ik hem vol met het
gif. En ondanks dat ik kon zien dat het gif zijn werk begon te doen, bleef ik
spuiten. Het is geen damp wat er uit de spuitbus komt, maar echt vloeistof. Denk
maar aan een plantenspray. In no time stond de toiletvloer onder het gif, en het
liep naar beneden richting de deur. De kakkerlak was nu niet alleen aangeslagen,
maar had zich op zijn rug gedraaid en spartelde met al zijn pootjes. Zijn totale
lengte schat ik nu toch echt op vijf centimeter, het was dus een eerlijke
strijd. Onder de insecten is hij zo groot als een reus. Het gif deed verder zijn
werk, want hij baadde erin. Ik heb altijd een keukenzeem in het toilet liggen en
daarmee heb ik hem uiteindelijk dood gedrukt. Kakkerlak en zeem heb ik overboord
gesmeten. Daarna heb ik de toiletvloer goed schoongemaakt, want er wordt gezegd
dat als je zo'n moederkakkerlak doordrukt ze nog snel eitjes legt. Maar met al
dat gif over de vloer en het schoonmaken zullen de eitjes kapot zijn gegaan en
door mij verwijderd. Daarna heb ik uitvoerig mijn handen gewassen en ben ik een
tijdje in de kuip gaan zitten om frisse lucht op te snuiven en over deze
overwinning na te denken. Zo snel al, dat was onverwacht! Maar wel fijn. En zo
eindigde de dinsdag in een ware triomf.
De volgende
ochtend, het is woensdag 13 oktober en de zesde dag op zee, werd ik volledig
uitgerust wakker en heb eerst maar eens de afwas van de afgelopen dagen gedaan.
Ik ben alleen, dus dagelijks afwassen op zee is niet nodig. Het afwassen gebeurt
overigens met zeewater, om drinkwater te sparen. Na het afwassen drink ik in de
kuip een kop thee en kijk uit over de oceaan. Er is nauwelijks wind en dus zijn
er ook geen golven. Het is de oceaan op zijn vriendelijkst. De zon schijnt fel
en met het zuchtje wind is het goed toeven in de kuip. En dan overkomt je wat
eigenlijk bij elke langere overtocht gebeurt. Het maakt je niet meer uit wanneer
je aankomt en de snelheid van de boot is niet meer zo belangrijk. Je zou zo nog
wekenlang door kunnen gaan. Je bent in balans met jezelf en je omgeving. Daarom
kunnen zeilers maar moeilijk omschrijven wat er werkelijk door hen heen gaat als
ze in een haven aankomen. Het is een dubbel gevoel. Enerzijds is het in zicht
krijgen van land iedere keer weer een feestelijke ervaring en de aankomst in de
haven puur plezier. Anderzijds zou je nog weken hebben kunnen doorzeilen en komt
er een abrupt einde aan die harmonie die je onderweg gevonden hebt. Ik wil hier
geen zwevende teksten schrijven en filosofisch worden, maar het is gewoon een
feit dat je tijdens en lange overtocht geestelijk een veranderingsproces
doormaakt. En dat moet natuurlijk ook, want anders zou je gek worden. Ga maar
na, de ene keer speer je met 5 tot 6 knopen door het water met windkracht 5 en
leg je dagelijks meer dan 100 mijlen af. En het volgende moment dobber je met 2
knopen met windkracht 1 tot 2 en leg je dagelijks niet meer af dan 50 mijlen.
Het contrast kan niet groter zijn. De motor bijzetten is voor een zeiler niet de
uitkomst, bovendien heb je de brandstof die je verbruikt wellicht later nog hard
nodig. Met de voorraad die ik aan boord heb, zo'n 160 liter in totaal, kan ik
toch maar een beperkte afstand afleggen en dan is het gebeurt. Zonder brandstof
kun je ook geen stroom meer draaien en de stroom kun je nog wel eens nodig
hebben voor je marifoon, gps en navigatieverlichting. Net als met drinkwater
moet je met je brandstof dus ook zuinig omgaan. En dan is het hoogst
noodzakelijk dat je in balans komt met het contrast van de afgelegde mijlen. Een
natuurlijk proces helpt je daar gelukkig bij.
De nacht van
woensdag op donderdag werd een bijzondere nacht. Woensdag was er de hele dag
hoegenaamd geen wind en ik heb lang liggen dobberen met de snelheid van 1 tot 2
knopen. Maar tegen zonsondergang kwam de wind ineens van alle kanten en zag ik
rondom mijn positie zwarte regenwolken. Het begon dan ook te regenen en voor ik
het wist kwam de wind van voren. De motor moest nu echt bij en zo is dat een
hele tijd doorgegaan. De deining kwam gelukkig wel nog steeds vanuit het
noorden, die had ik dus mee. En je zou zeggen dat wind tegen de golven in een
onstuimige zee zou geven, maar dat bleef uit. Soms was het volstrekt windstil en
op andere momenten kwam er weer zo'n regenbui en draaide de wind met sterkte 1
tot 2 alle kanten op. Dat betekent dat het een lange nacht zou worden, want
slapen doe ik in dit soort overgangssituaties niet. Want dat dit een
overgangssituatie was, was vanaf het begin duidelijk. De heersende winden in
deze regio komen uit het noordoosten en de gribfiles voor zeven dagen die ik in
San Sebastian nog had bekeken gaven daarin geen verandering te zien. Dat er
perioden zouden zijn met weinig wind en dan met name uit het noordwesten tot
westen, dat had ik wel gezien. Maar winden uit het zuiden kunnen alleen maar
veroorzaakt zijn door die regenwolken. Even doorzetten dus, en uit dit gebied
geraken. De volgende dag zou alles wel weer beter zijn.
Dat viel
echter tegen, want de hele donderdag bleef het windstil. Pas om vijf uur 's
middags was er een beetje wind uit een vrijwel vaste hoek. De wind was gedraaid
naar het oosten en kwam op dat moment niet hoger dan kracht 1 tot 2. Vanaf dat
moment ging ik dus met een snelheid tussen de 1,5 en 2,5 knopen vooruit. Ik heb
de donderdag wel genoten van de zon en ik heb zelfs gevist. Helaas nog niets
gevangen. Tegen zessen moest ik nog 260 mijlen afleggen. Maar je kunt ook zeggen
dat ik er al 540 op had zitten. Toen ik met sigaar, gemaakt op het eiland La
Palma, en Franse muziek op de zonsondergang zat te wachten in de kuip, keek ik
nog eens naar het kunstaas dat ik de hele dag had gebruikt. Wat denk je? Zit er
een plastic beschermhoesje over de haak zodat je je niet bezeert. En dat had ik
er niet afgehaald. Ja, zo kun je natuurlijk ook niets vangen. Beginnersfout.
Moest er zelf erg om lachen.
Op de vrijdag
om 10.00 uur hoorde ik mijn windgenerator voor het eerst weer draaien en kreeg
ik behoorlijke wind. De snelheid schoot omhoog en ik moest nog 200 mijlen
afleggen. Mijn hengel heb ik ook weer van het kunstaas voorzien, deze keer
zonder beschermhoesje, en uitgegooid. Het was een genot om weer normale snelheid
te hebben. In mijn ogen gaat het bij zeilen, ik heb het vast al eerder gezegd,
om het contrast. Zo zit je een tijdje in windstilte gebied en even later vaar je
weer met een behoorlijke snelheid alsof de wind nooit weggeweest is. De vrijdag
werd zo een prima vaardag, en ik keek uit naar een weekend met voldoende wind.
Mijn verwachting was dan dat ik op zondag in Mindelo zou kunnen aankomen.
Overigens had ik tweemaal beet en wist de vis op het laatste moment los te komen
van de haak. Ik heb nog veel te leren bij het zeevissen, want ik klungel nog te
veel met de hengel bij het binnenhalen.
Zaterdagochtend werd ik uitgerust wakker en gelukkig stond er nog steeds
voldoende wind. Deze was zelfs wat aangetrokken want nu stond er windkracht 4
tot 5 en was de zee wat onstuimiger. Ik hoefde nog maar 125 mijlen tot aan het
eiland São Vicente met de haven Mindelo. 's Morgens zag ik een grote zeilboot op
behoorlijke afstand aan bakboord passeren. Toen ik door mijn kijker naar hem
keek, leek het alsof hij op de motor voer want ik zag geen zeilen. Dat verbaasde
me wel, want er was prima wind om te zeilen. Overigens had ik vrijdag nog een
grote tanker gezien, maar die voer op zo'n grote afstand voor me langs dat zelfs
de radardetector hem niet ontdekte. En op zaterdag voer ik door een school
vissen met goudkleurige huid. Ik moet nog leren wat voor vissen dat zijn, maar
ik denk dat het makrelen zijn. Ze sprongen soms recht omhoog het water uit. Ik
ontdekte ze omdat ik aan mijn hengel hoorde dat ik beet had. Wederom wist ik hem
tot aan de boot te krijgen, maar toen wist hij zich toch nog te bevrijden. Als
je met meer mensen aan het vissen bent, dan haalt de een de hengel in en zodra
hij dicht genoeg bij de boot is pakt de ander de lijn en haalt de vis
binnenboord. Maar ik moet het alleen doen en ik wil niet vooroverbuigen over de
reling, want dat brengt het gevaar met zich mee dat je met een golfje overboord
kiepert. De boot komt dan nog wel aan op zijn bestemming maar ik niet, en dat is
niet de bedoeling. Ik zal nog wel uitvinden hoe ik de vis het veiligst
binnenboord krijg. Ik heb een grote haak en een schepnet, dus attributen genoeg.
Maar voorzichtigheid is geboden. 's Avonds zakte de wind wat in en werd de
voortgang minder. Tegen zonsondergang moest ik nog 95 mijlen. Maar het maakt
natuurlijk helemaal niet uit of ik nu zondagavond of maandagochtend aankom.
Liefst niet in het donker, maar dat heb je ook niet altijd voor het uitkiezen.
En met radar en plotter is het me nog altijd gelukt om een haven in de nacht aan
te doen als het moet. En daar waren in het verleden best lastige havens bij
waarbij de ingang van de jachthaven goed verborgen lag en er een overmaat aan
lichtjes in de haven was.
Om twee uur
's nachts werd ik ingehaald door een cruiseschip, maar dan heel langzaam omdat
hij pas 's ochtends op de Kaapverdische Eilanden aan hoeft te komen. En daar kun
je goed zonder, als solozeiler. Want door zo'n langzaamaan actie blijft dat
cruiseschip een groot deel van de nacht in je buurt. En dan kun je niet gaan
slapen. Vissers en cruiseschepen zijn de vervelendste dingen die je 's nachts
kunnen overkomen. Vissers moeten altijd daar zijn waar jij bent, en
cruiseschepen varen vaak in cirkeltjes rond totdat het ochtend is. En als jij
daar dan in de buurt bent, kun je het slapen helemaal vergeten want je kunt je
radardetector of radarwaarschuwing niet aanzetten. Je zou gek worden van het
constante alarm. En als je het alarm uitzet, dan heb je tijdens de korte
slaapjes geen waarschuwing. Vissers kom ik uiteraard veel tegen langs de kust,
maar dan toch wel een behoorlijk aantal mijlen van het land. En cruiseschepen
vind je uiteraard bij de populaire toeristische bestemmingen zoals de Balearen
of de Engelse Kanaaleilanden om er maar even twee te noemen waar ik er flink
last van heb gehad. Nou ja, het is misschien wel voorlopig de laatste nacht op
zee. Dus wat geeft het, slaap haal je zo in als je eenmaal in de haven bent. Dat
zeg ik nu wel, maar de ervaring leert me dat zelfs als je de hele nacht zonder
te slapen hebt doorgebracht, je in de haven niet langer dan zo'n drie uren kunt
slapen want dan ben je toch te nieuwsgierig naar de haven. En dat is maar goed
ook, want als je langer zou slapen dan slaap je de nacht niet meer. Zo zie je
maar weer, de natuur regelt het allemaal perfect.
De volgende
morgen, op de zondag, zag ik al om 09.00 uur op 45 mijlen van mijn bestemming
het eerste eiland. Het was het grote eiland Santo Antão dat ten noordwesten van
mijn bestemming São Vicente ligt. Ik heb mijn hengel weer uitgegooid, want ik
zou nog vele uren varen voordat ik in de haven aankwam. Even later zag ik ook
duidelijk het eiland São Vicente. Wat mij trouwens 's middags opviel is dat de
zon hier gloeiend heet is. Je moet echt wel wat op je hoofd hebben, anders loop
je een zonnesteek op. Het kanaal tussen de twee eilanden is weer zo'n
windversnellingszone en ik heb dus op de voorhand gereefd. Toen ik op
stuurboords gangboord schubben zag liggen, wist ik dat ik bezoek had gehad van
een vliegende vis. Blijkbaar had hij zich weer naar het water kunnen
verplaatsen. De meesten zijn niet zo gelukkig en belanden dan in de pan, want ze
zijn goed te eten. Dat heb ik zelf nog niet ervaren, maar zoiets lees je in elk
boek over reizen in deze gebieden. Vlak voordat ik de haven van Mindelo binnen
ging maakte een vliegende vis een sierlijke bocht in de lucht van zeker
driehonderd meter lang voor mijn boot. Een prachtig gezicht, zo sierlijk.
Om 19.00 uur
plaatselijke tijd kwam ik in de haven van Mindelo aan. Toen ik zag dat er
tientallen schepen geankerd lagen, heb ik ook ervoor gekozen om te ankeren
i.p.v. in de dure jachthaven te gaan liggen. Ik heb tot 21.00 uur gewerkt om
alles aan boord weer aan kant te hebben en heb bovendien heel veel spullen aan
dek verwijderd i.v.m. diefstal. Het is bekend dat er in de haven van Mindelo
veel gestolen wordt. Morgen ga ik mij hier inchecken met scheepspapieren en
paspoort. Ik heb de gele Q-vlag gehesen, dus ze weten dat ik wil inklaren. Hier
blijf ik minstens een maand en dan ga ik over eind november of begin december
beginnen aan de overtocht over de Atlantische Oceaan naar het Caribisch gebied.
En als dat nieuw voor jullie is, dan is dat mooi, want zoals je weet: Zeg nooit
waar je naartoe gaat, want dan moet je!
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

5e reisverslag van Henk Oosterwijk 2010
En daar lag
ik geankerd in de mooie baai van Mindelo. Mooi omdat de huisjes kleurig zijn in
Oud-Portugees koloniale stijl, en er tientallen zeiljachten geankerd liggen.
Bijna allemaal wachten ze op het moment waarop de overtocht naar de Carib kan
plaatsvinden. En dat is eind november, begin december want dan is het
orkaanseizoen afgesloten. Ik ankerde in een druk gebied om zo dicht mogelijk bij
de steigers van de Marina te zijn. Toen ik daar ankerde riep Chris vanaf de
steiger dat zij in de Marina lagen. Ze waren zondagmiddag uit San Sebastian
vertrokken en zaterdag hier aangekomen, terwijl ik vrijdagochtend vroeg
vertrokken was en op zondag aankwam. Maar je spreekt dan ook over een heel ander
type boot. Zij hebben een grote Beneteau Oceanis. Bij mij duurt het gewoon wat
langer, maar ik ben nog altijd aangekomen op de plaats van bestemming. Ik wilde
dus dicht bij de steigers ankeren omdat ik met mijn dinghy roeien moet om aan de
kant te komen, immers ik had mijn oude buitenboordmotor aan Tim gegeven.
Ik heb
ingecheckt bij de havenautoriteiten en mijn ankergeld bij de Marina betaald voor
een maand. De volgende dag heb ik bij Kai, de Duitse eigenaar van de Marina, een
buitenboordmotor gekocht. Het is een viertakt, 4 pk Tohatsu en hij heeft dus
even wat meer power dan mijn vorige. Hij is ook wat zwaarder, namelijk 26 kg
maar bij het gebruik dat ik ervan ga maken kan ik die extra power goed
gebruiken.
Zwitserse
Gerry die ik op de ankerplaats bij Las Palmas had leren kennen, lag ook geankerd
en toen ik mijn buitenboordmotor gekocht had ben ik bij hem gaan ankeren. Niet
lang daarna zaten we aan een biertje op zijn boot en hebben bijgepraat. Op een
avond zag ik ineens een heel groot zeil vlakbij mijn boot. Ik zag het terwijl ik
binnen in de kajuit zat. Het was pikdonker en het zeil was te dichtbij. Ik ben
naar buiten gegaan en zag een trimaran met volle zeilen tussen de geankerde
boten door varen. Er was gelukkig niet al te veel wind. Ik vertrouwde het niet
zo en heb gekeken hoe ze op veertig meter naast me ankerden. Het waren
Portugezen en het ankeren ging weer eens op de slordige manier. Anker laten
zakken, rubberboot opblazen en de wal op om ergens wat te gaan drinken. De
volgende dag begreep ik dat hun motor het niet deed, en om je anker goed in te
graven moet je motorvermogen hebben. De volgende ochtend om zes uur hoorde ik
iemand heel hard fluiten. Toen ik naar de kuip ging zag ik dat het Gerry was.
Het anker van de trimaran was gaan krabben en zo was hij afgedreven en tegen
Gerry's boot aangevaren. Ik ben meteen in mijn rubberboot gestapt en Gerry deed
dat ook. Samen hebben we de trimaran de Marina in gesleept. De mannen op die
boot waren ons dankbaar want zelf konden ze niets doen. Gelukkig had Gerry geen
schade. Omdat hij erg opgelucht was nam hij een ochtendbier. Ik heb het aanbod
om zo vroeg al een biertje te drinken afgeslagen.
En dan was er
mijn verjaardag op zaterdag 23 oktober. Ik heb nog nooit in mijn leven zoveel
regen gezien. Er was ruim van tevoren voor gewaarschuwd, want er kwam een
depressie over de eilanden heen. Het begon vrijdagmiddag heel onschuldig met wat
donkere wolken en veel wind. In no time was mijn lichtaccu gevuld door de
windgeneratoren. En ik heb ze op een gegeven moment zelfs moeten afzetten. En
toen begon de regen door te zetten. Toen ik in Mindelo was aangekomen en door de
straten liep zag ik overal schotten en zandzakken voor de deur. Het was
bloedheet en geen wolkje aan de lucht. Maar toen ik vroeg waarvoor dit diende
wezen ze op de lucht en begreep ik dat het met de regen te maken had. Nou, op 23
oktober begreep ik pas echt hoe het in elkaar zat. Als het hier regent, dan komt
het ook met bakken tegelijk de hemel uit. Ook weer een nieuwe ervaring.
Zondagmiddag
ben ik met de Engelsen voor het vieren van mijn verjaardag uit eten gegaan. Het
was heerlijk met vele gangen en er werd zelfs nog aan mijn tafel happy birthday
gezongen, maar dan in het Portugees of Kaapverdiaans. En zo vlogen de dagen
voorbij. Dagelijks kwamen er andere jachten bij en velen wachten op het moment
voor de oversteek net als ik. Tijdens zo'n maand in een haven gaat de routine
toeslaan. Je hebt 's morgens je wandelingetje naar de bakker en neemt in het
café een kopje koffie. Je slentert de markt eens over om te kijken wat voor
verse producten ze die dag hebben. En je komt altijd wel een zeilcollega tegen
die een praatje met je wil maken. Dan zijn er natuurlijk op de koele perioden
van de dag altijd wel een paar klusjes aan boord te verrichten. Maar dat kun je
gezien de tijd die je ervoor hebt heel rustig aan doen. En voor je het weet
gedraag je je net zo langzaam als de Kaapverdianen. Als de zon aan de hemel
brandt, doe je sowieso niet veel meer. Maar wachten is moeilijk, zeker als je
veel zin hebt in de oversteek. Toch heeft het ook zin, want je moet hier aan het
water en de voeding wennen. Iedereen heeft wel even maagklachten gehad of is aan
de dunne geweest. Maar daar moet je even doorheen. Je systeem gaat eraan wennen.
Want al het water dat hier vloeit is geen natuurlijk water zoals wij dat hebben,
maar gemaakt uit zeewater. En je hebt hier in deze warme oorden weer wat andere
bacteriën dan bij ons in Europa. Het heeft dus zin dat je hier even een tijdje
acclimatiseert. In het Caribisch gebied zal het niet veel anders zijn dan op de
Kaapverden.
Een bekend
technisch verschijnsel in warme oorden is de dieselbacterie. Heb ik ook gehad op
de Middellandse Zee en toen heb ik ook daarover geschreven. Die kan vooral goed
gedijen in diesel waar water in zit en die warm wordt door de zon. Nu heeft
Chris, de Engelsman, een trechter met daarin een duur filter dat water van
diesel scheidt en die mocht ik gebruiken. Zo heb ik met een lege jerrycan van
hem al mijn jerrycans met reservediesel nog eens apart gefilterd. Voor de
oversteek is het immers belangrijk dat je onderweg geen verstopte filters
krijgt, of nog erger de dieselinjectors opblaast omdat daar water in is gekomen.
Wellicht heb je je motor nog nodig om stroom te draaien onderweg als er geen
wind is voor de windgeneratoren en er door wolken ook niet al te veel zon op het
zonnepaneel schijnt. En dan heb je je motor natuurlijk nodig bij aankomst of om
bij absolute windstilte toch nog wat voortgang te hebben door langzaam op de
motor verder te varen. Lang kun je dat overigens niet doen, want zoveel diesel
kun je niet meenemen op een boot van acht meter. En zo staat alles in het licht
van de oversteek die drie tot vier weken zal gaan duren.
In de Marina
leerde ik Ierse Sam en Engelse Peter kennen. Peter had met zijn gezin al rond de
wereld gezeild, en deed dat nu in een boot met meer comfort nog eens in zijn
eentje over. En Sam was in zijn jongere jaren met zijn zeilboot in het Caribisch
gebied en Zuid-Amerika geweest. Altijd heel leerzaam om een avondje met zulke
kennissen door te brengen. Ook al is de informatie misschien al wat over de
houdbaarheidsdatum.
Op donderdag
4 november ging ik met vier Duitsers, twee Engelsen en een Ier met de veerboot
naar Santo Antão. Dat is het eiland dat ten westen van São Vicente ligt. We
hebben daar een busje gehuurd met chauffeur en een gids die Engels spreekt. We
hadden daar een geweldige dag, want de natuur op dat eiland is heel anders dan
op São Vicente. Op São Vicente is niet veel te zien, dacht ik, maar op Santo
Antão zijn veel bossen, ravijnen, een enorme krater, bergen, kortom een
fantastische natuur. En ik heb het idee dat de groente en het fruit dat je op
het eiland São Vicente kunt kopen van dit eiland komt.
Op maandag 8
november huurden Chris en Penny, Sam en ik een pick-up truck waarmee we het
eiland São Vicente, waar Mindelo de havenplaats is, verkenden. Vanaf de haven
leek het land erg dor en oninteressant, maar als je over het eiland rijdt kom je
toch plekken tegen waar mooie zandstranden zijn of waar groente en fruit
verbouwd wordt. Met windmolens halen ze water omhoog om de kleine stukjes
vruchtbare grond te irrigeren. Het ziet er indrukwekkend uit als je in het kale
landschap rondrijdt en ineens palmbomen, windmolens en tuinen ziet. Net als
oases in een woestijn, zo stel ik me dat voor. We hebben een prima dag gehad en
het was goed om het eiland eens verder te bekijken dan alleen de havenplaats
Mindelo.
Sam vertrok
en even later vertrokken ook Chris en Penny. De uittocht richting Brazilië en de
Carib was begonnen. Op zondag 21 november vertrok de ARC vanuit Las Palmas op
Gran Canaria naar St. Lucia. De zaterdag ervoor ging ik van mijn ankerplaats
naar een steiger in de Marina. Nu kon ik makkelijker vers water inslaan en de
laatste voorbereidingen voor de overtocht treffen. Ik had me voorgenomen om
woensdag 24 november aan de overtocht te beginnen.Overigens vond er nog een
vervelend incident in de Marina plaats voordat ik daar aan de steiger lag. Een
Noor die al binnen enkele dagen bekend stond om zijn alcoholgebruik - hij was
een echte alcoholist - had al meerdere incidenten op zijn naam staan en werd de
Marina uitgezet. Maar omdat hij geen anker had voer hij rondjes in de baai op de
ochtend dat ik de Marina inkwam. Gelukkig was hij niet meer in de Marina want
dan zou hij mijn buurman zijn geweest. Ik had er al over gedacht om een andere
ligplaats te kiezen vanwege hem, maar de plaats die ik kon krijgen was te
gunstig om ervan af te zien. Die ochtend waren er drie politie agenten in de
Marina en het bleek dat ze gekomen waren om hem aan te houden. Hij had niet
alleen een andere gast in het water gegooid, maar ook een politie agent
aangevallen. Volgens Kai was het voor het eerst sinds het bestaan van de Marina
dat een dergelijk incident was voorgevallen. Ik kan ook niet anders zeggen dan
dat ik een prima tijd voor anker in de haven heb doorgebracht en dat de Marina
bijzonder veilig is. Maar ja, één zo'n onberekenbare gast en je hebt de poppen
aan het dansen. Zijn vrouw klaagde hem aan wegens het stelen van de boot die op
haar naam stond, en zo heb je alle ingrediënten voor een spannende morgen. Met
een boot van de Marina gingen de agenten naar het Noorse schip toe en haalden de
man van boord. Hoe dat verder justitieel is afgelopen weet ik niet, maar je moet
geen problemen met de politie maken op de Kaapverdische Eilanden. Dat geldt
trouwens voor de meeste landen. In ieder geval lag ik heerlijk rustig op mijn
ligplaats zonder deze Noorse amokmaker.
Ik vertrok op
woensdag 24 november uit de haven van Mindelo, terwijl ik wist dat er een
depressie aankwam en ik ver naar het zuiden moest varen om de passaatwinden op
te pakken. Normaliter kun je die oppakken op 16 graden Noord, maar nu moest ik
onder de 15 graden Noord varen. Het spel met Herb - die schepen van
weersinformatie voorziet m.b.v . de SSB zender/ontvanger - was begonnen. Ik had
zelf de gribfiles goed bekeken en gezien dat ik waarschijnlijk zelfs naar 13 of
12 graden Noord moest varen. Herb bevestigde al mijn vermoedens in zijn
gesprekken met andere zeilers. Hij raadde velen aan om onder de 15 graden Noord
te geraken. Dat zijn meestal zeilers die met de ARC vanaf Las Palmas zijn
gestart op zondag 21 november. Ik had dus het voordeel dat ik al veel
zuidelijker zat. Maar toen ik met goede wind uit de haven wegvoer, nam die
zienderogen af toen ik eenmaal op zo'n 10 mijlen van Mindelo verwijderd was. En
uiteindelijk had ik slechts windstilte. De motor moest aan en dat doe je niet
snel in het begin als je nog 2100 zeemijlen moet afleggen. Maar zoals gezegd, om
20.00 uur UTC bevestigde Herb dat ik echt even door moest zetten naar het
zuiden. Ik praat zelf niet met Herb omdat ik geen zendlicentie heb. Apparatuur
mag je aan boord hebben, maar zenden mag niet zonder licentie en daar houd ik me
aan behalve wat betreft onderonsjes met andere zeilers of wanneer er zich een
noodgeval zou voordoen. De SSB zend- en ontvangapparatuur heb ik vooral als
extra veiligheidsmiddel aangeschaft. Terug in Nederland zal ik wellicht alsnog
mijn licentie proberen te halen. En zo voer ik dus een zuidwestelijke koers om
op het beoogde punt te geraken waar ik de passaatwinden kon oppakken.
De hele nacht
heb ik moeten motorzeilen, want het was volledig windstil. Maar 's morgens trok
de wind aan naar windkracht 4 en kon ik weer heerlijk zeilen. Diezelfde dag ving
ik ook nog een vis, die ik meteen schoonmaakte en met citroen besprenkelde. De
volgende dag zou ik hem dan in de pan bakken met wat knoflook en een uitje. Een
goed vooruitzicht.
Op vrijdag 26
november, de derde dag op zee, had ik de hele dag 5-10 knopen NO wind. Dat is
niet veel, maar ik kon toch zuidwestelijk doorvaren met een snelheid van zo'n
3,5 knopen. Voor het avondeten heb ik lekker van de vis gesmuld en ik heb nog
een vis gevangen die ik weer voor de volgende dag heb weggelegd. Dat is ook om
te kijken of ik zonder enige blikvoeding op de oceaan zou kunnen overleven. Ik
heb genoeg blikvoeding bij me voor meer dan een maand, maar je weet het maar
niet wanneer je afhankelijk zou kunnen zijn van wat de oceaan je biedt. 's
Avonds heb ik weer naar Herb geluisterd en die stuurde iedereen naar bezuiden 15
graden Noord. Ik zat op dat moment op 15 graden Noord en 28 graden West. Een
goede uitgangspositie dus, hoewel de wind licht zou blijven gedurende de komende
vijf dagen. Maar als je boven de 15 graden Noord zou zitten, dan kreeg je hetzij
variabele lichte wind of zelfs westenwind, waar je dan tegenin moet boksen om
richting de Carib te gaan. Herb nam vakantie tot zaterdag over een week en we
zouden hem dus een weekje moeten missen. Ik voer verder door naar het zuidwesten
en geraakte zo onder de 15 graden Noord. We zullen moeten afwachten wat de
komende dagen ons brengt, maar de oostelijke passaatwinden van 15 to 20 knopen
laten nog even op zich wachten. Overigens had ik de afgelopen 3 dagen geen ander
schip gezien.
Gedurende de
nacht zag ik twee vrachtschepen. Zo zie je maar weer, als je het over de duivel
hebt trap je hem op zijn staart. 's Nachts moet er ook een grote vis aan de haak
zijn geslagen, want 's morgens stond mijn hengelhouder halfstok en was de lijn
gebroken. Zaterdagmorgen meteen een nieuwe lijn geprepareerd en snel weer
uitgezet in de hoop toch ook die dag weer een vis te vangen voor de pan op de
volgende dag. Gedurende de nacht had ik ook mijn eerste ervaring met zgn.
squalls, dat zijn donkere wolken waar veel wind en soms regen uit komt. Deze
donkere wolken brachten wel wind maar geen regen. Ze kunnen gevaarlijk zijn als
je veel zeil hebt opstaan. Maar gelukkig is mijn boot ondertuigd en kan ik de
zeilen zelf in barre omstandigheden gewoon laten staan. Toch zal ik me meer op
deze squalls moeten voorbereiden, want het kan een keer mis gaan. Als je ineens
meer dan 30 knopen wind voor je kiezen krijgt, dan heeft elke boot daar last
van. En met heel veel zeil op kan het in extreme omstandigheden leiden tot
mastbreuk. 's Morgens was de wind even weg, dus de motor bijgezet voor het
acculaden en mijlen maken. Ik koerste nog steeds aan op een zuidwestelijke koers
en inmiddels zat ik onder de 15 graden Noord. De winden bleven gelukkig ook uit
de goede hoek komen, namelijk uit het noordoosten.
Dat laatste
veranderde op zondag, de vijfde dag op zee, want toen draaide hij naar
zuidoosten en vervolgens naar het zuiden. De motor moest gedurende de nacht ook
even weer bij, want er stond even geen zuchtje wind. Overdag heb ik heel rustig
2 tot 2 1/2 knoop gevaren en ben in de kuip een boek gaan lezen. Normaliter
luister ik graag op de zondag naar de Wereldomroep. Dat begint 's morgens met
Vroege Vogels, daarna is er een cabaretprogramma en de hele middag is er Langs
de Lijn met het sportnieuws. Maar de ontvangst was zo slecht dat je er niet lang
naar kon luisteren. En terwijl ik dus een boek zat te lezen in de kuip hoorde ik
opeens een diep ademen. En jawel, twee zgn. pilotwhales begeleiden me en kwamen
regelmatig boven water om diep adem te halen. Het was heel indrukwekkend want ze
kwamen heel dicht bij de boot en ze zijn toch nog behoorlijk groot hoewel het
een kleinere walvissoort is. Het heeft zo'n uur geduurd en toen verdwenen ze. Op
zo'n moment denk je niet meer aan de Wereldomroep, want dit is van een hoger
gehalte. 's Avonds trok de wind, in tegenstelling tot de weersverwachting, weer
wat aan en deed de boot zo'n 3 tot 31/2 knoop. Het zou volgens de verwachtingen
nog twee dagen kalm weer blijven. Ik zou blij zijn als ik de passaatwinden vol
in de zeilen zou hebben.
De maandag
verliep rustig, maar de wind was wel helemaal naar zuidwest gedraaid en dat
betekende dat ik af en toe niet eens richting west kon varen maar iets
noordelijker. De wind was wat aangetrokken naar 10 knopen, maar de boot liep
toch niet harder dan zo'n 3 knopen. Dinsdag zou er niet veel verandering in
komen, maar ook via de SSB radio hoorde ik via de ARC die dagelijks contact
hebben dat woensdag de passaatwinden weer gaan waaien. Afwachten dus, maar de
dag had nog iets anders voor mij in petto. Zo tegen half vijf 's middags begon
mijn radardetector te piepen en zag ik aan de horizon in de zon een prachtig
megajacht mijn richting uitkomen. Hij kwam dichterbij maar voer voor mij langs
richting de Carib zonder ook maar in enige vorm contact te maken. Ik had mijn
marifoon bijgezet en de verrekijker klaargelegd. Toen ik in 2007 van Portugal
naar de Azoren voer, kwam mij zo'n megajacht tegemoet en werd er druk vanaf de
brugvleugel gezwaaid. Maar deze keer was er dus helaas geen contact. Ik voelde
ook niet de behoefte om zelf via de marifoon contact te maken. Zij kwamen immers
naar mij toe varen en dat was beslist ook om eens even naar dat kleine
zeilbootje te kijken.
Ik ging een
donkere nacht tegemoet, met veel squalls en bliksemflitsen. Bovendien werd het
windstil en moest de motor worden bijgezet. Alsof dat nog niet allemaal genoeg
was, draaide de wind in de ochtend naar west en had ik hem dus op de kop. De ARC
boten die veel noordelijker voeren, hadden daar al langer last van, en ik dacht
daarvan vrij te blijven. Mis dus, wind op de kop en maar afwachten wanneer de
passaatwinden uit het noordoosten weer zouden aantrekken. Er waren zelfs ARC
boten die Mindelo binnenliepen om er te tanken en dan daar de dinsdag te blijven
liggen omdat woensdag er pas weer kans was op passaatwinden. Maar ik was
inmiddels al meer dan 450 mijlen verwijderd en moest het doen met het huidige
weerbeeld. En zo dobber je dan totdat er iets gaat veranderen. Als het zo bleef
zou de overtocht inderdaad een maand i.p.v. de gehoopte drie weken duren. Aan de
andere kant moet je de overtocht ook genieten en dus nam ik een goed boek en
vermaakte me in de kajuit.
Op
woensdagochtend was het dan eindelijk zo ver, de wind kwam eindelijk uit de
goede hoek en was ook krachtig genoeg. Ik had in ieder geval het begin van de
passaatwinden zone gevonden en voor mij was dat voldoende. Want Barbados ligt op
de Noorderbreedte die ik nu voer en ik kon er dus recht naar toe varen. Ging ik
nog zuidelijker op zoek naar hardere passaatwinden dan moest ik later weer een
noordelijker koers varen. Ik was in ieder geval geweldig in mijn nopjes dat ik
nu de zeilen kon zetten voor de komende 1600 zeemijlen. Want een eigenschap van
de passaatwind is dat hij uit een constante hoek waait en met een vrij constante
kracht. Een snelle berekening leerde mij dat ik door de windstiltes zo'n twee
dagen had verloren en op drie weken is dat acceptabel.
Maar op
woensdagavond begreep ik al dat ik te vroeg gejuicht had. De wind nam
zienderogen af en ik ging een rustige nacht in. De volgende morgen was de lucht
tot aan de horizon grijs en er viel veel regen. Wind was er niet meer en ik
besloot dan ook op de motor zo ver mogelijk naar het zuiden te varen. Ik had nog
60 liter diesel in jerrycans en iets minder dan 3/4 van de 65 liter tankinhoud.
Die 60 liter moest ik in ieder geval bewaren voor de komende twee weken. Het zou
nog spannend kunnen worden als ik de passaatwinden niet spoedig zou vinden. Want
dan moet je dobberen en afwachten wanneer de wind terugkomt. Na een roggebroodje
met champignonragout besloot ik om de tank half vol te houden. Ik zou dus nog
een stukje op de motor varen en hem dan uitdoen. Dobberen dus en afwachten. Want
uit de berichtgeving van de ARC deelnemers die ik op de SSB radio elke dag volg,
zaten de passaatwinden gisteren bij 10 graden Noorderbreedte. Dat was te ver om
even naar toe te varen. Dat zou drie dagen varen op de motor in beslag nemen en
zoveel diesel had ik helemaal niet. Ik moest dus afwachten totdat de winden in
mijn regio weer gingen waaien.
Op woensdag
volgde ik nog een interessante situatie bij één van de ARC deelnemers die niet
zo ver van mij verwijderd voer. Vier van zijn zes accu's waren gaan koken en die
had hij moeten afkoppelen. Dat betekent dat hij nog maar 1/3 van zijn
accucapaciteit over had. Elke zes uren moest hij nu bijladen en gelukkig had hij
veel diesel bij zich. Via een andere deelnemer die die dag het net beheerde gaf
hij zijn positie en koers en vaart door aan de ARC organisatie. De meeste ARC
deelnemers hebben namelijk niet alleen een SSB radio aan boord, maar ook een
modem waardoor ze email kunnen versturen. Zo'n modem ga ik misschien nog op St.
Maarten kopen want ik heb me laten vertellen dat veel elektronica daar heel
goedkoop is. Via zo'n modem kan dus de netwerkbeheerder van die dag de gegevens
doormailen naar de ARC organisatie. Niet dat die veel kunnen doen, hooguit wat
technisch advies geven. Als er hulp moest komen omdat de boot niet meer verder
kon, dan zou dat van andere ARC deelnemers moeten komen die bij hem in de buurt
zijn. Stel dat je geen accustroom meer hebt aan boord, dan heb je geen
communicatie meer, maar als je een elektronische zelfstuurinrichting hebt dan
houdt die er ook mee op. Dat betekent dat je de komende twee weken dag en nacht
aan het roer staat. Als je dan slechts twee mensen aan boord hebt, bijvoorbeeld
een echtpaar, dan wordt dat toch echt een hele zware taak. Ik ben blij dat ik
niet alleen een elektronische zelfstuurinrichting heb, maar ook mijn Ariës
windvaanzelfstuurinrichting en die heeft namelijk alleen wind nodig en geen
stroom.
Op vrijdag 3
december, de tiende dag op zee, hoorde ik op het ARC-net dat menig deelnemer
zich zorgen begon te maken over een te late aankomst. Sommigen hadden een hotel
geboekt en anderen moesten een vlucht halen. Een veelgenoemde datum was 19
december, op die dag zouden ze al op St. Lucia moeten zijn. Velen lagen maar wat
te dobberen, net als ik, wegens gebrek aan wind. Maar 's middags trok de wind
ineens aan en begon ik vaart te maken. Zou er dan toch eindelijk een eind komen
aan die dagen van windstilte en lichte briesjes? Van mij mocht het, want als je
2100 zeemijlen moet afleggen en je doet 700 mijlen in tien dagen dan duurt de
overtocht wel erg lang. Nu heb ik niets gereserveerd en wat mij betreft is er
geen deadline, maar ik moet ook rekening houden met de gevoelens van het
thuisfront. Die heb ik gezegd dat het drie tot vier weken zou duren, afhankelijk
van de wind. Als het langer dan een maand zou duren, dan zouden zij zich toch
zorgen gaan maken. Dus een beetje vaart is dan wel gewenst.
Op zaterdag
leek de wind wat constanter te worden, in ieder geval wat de richting betreft.
De wind kwam uit Noordoost, zoals een passaatwind zou moeten zijn, alleen de
kracht was nog niet 15 tot 20 knopen maar 7 tot 8 knopen. Uit alle weerberichten
die ik via het ARC-net hoorde bleek dat de komende dagen de wind iets zou
aantrekken en dan met name naarmate men zuidelijker zat. Ik bevond me op 12
graden 30 minuten Noord en dat zou dus zuidelijk genoeg moeten zijn. Toen ik op
zaterdag naar het ARC-net luisterde en de B-groep klaar was, probeerde ik een
radiocheck uit te voeren. Ik riep iedereen die mijn signaal hoorde op om te
reageren en een Amerikaan pakte dat op en we hadden een leuke conversatie. Hij
zat achter mij en was benieuwd naar de wind op mijn positie. Ik kon hem met die
7 tot 8 knopen niet echt gelukkig maken, dat begrijp je wel. Wellicht zou ik
later nog eens van hem horen. Ik heb deze dag ook een heerlijke zoetwater douche
genomen. Mocht ook wel na anderhalve week, het deed me echt goed.
Zondag 5
december zag ik de hele dag zwermen vliegende vissen een eenmaal zag ik toen ze
opvlogen uit het water een gifgroene vis op hen jagen. Ik moet toch nog eens wat
leren over de verschillende soorten vissen, want als je zo'n vis aan de haak
slaat zou je hem gewoonweg niet durven eten vanwege zijn angstaanjagende kleur.
Ik weet dat je alle vissen kunt eten die je tijdens de oceaanpassage vangt, er
zijn geen giftige vissen in die omgeving. Bij riffen van eilanden zijn die er
wel en moet je van de lokale bewoners horen welke je niet kunt eten. En dat kan
van eiland tot eiland verschillen. Is de ene vis bij een eiland eetbaar, dan
hoeft dat voor dezelfde vis bij een ander eiland niet zo te zijn. Het is maar
een weet. Ze worden namelijk giftig door het rif. Op zondag besloot ik ook om
het weer wat noordelijker op te zoeken. Het leek dat de passaatwinden hun
intrede deden en dat gold ook voor de noordelijker breedten.
Maandag liet
ik door de ARC Net-coördinator van die dag de groeten overbrengen aan Willem van
de Flying Swan, die ik kende via onze gezamenlijke vriend Jan de Jong uit 's
Gravenmoer. Met Willem en Jan heb ik voor mijn vertrek nog eens een avondje bij
Jan gedineerd en met Willem gepraat over zijn plannen en de mijne. Het was dan
ook niet vreemd voor mij dat ik hem via het ARC-net via de SSB radio hoorde. En
omdat ik al contact had gemaakt voor het testen van mijn radio met de
Net-coördinator van zijn groep, kon ik dit verzoek makkelijk via hem doen.
Daarna ben ik nog eens bezig geweest met mijn antennetuner, want op de een of
andere manier werkte die niet. Het probleem lag uiteraard weer eens in een
stekkertje en toen ik dat verholpen had kon ik ook zelf contact opnemen met
Willem. Toevallig was hij zelf net online met zijn groepje ARC-deelnemers en kon
ik hem toen hij klaar was aanspreken. We hebben even kort opgelijnd en
afgesproken dat we dagelijks na zijn babbel met zijn groepje even met elkaar
spreken. Op dit moment lag Willem 320 zeemijlen achter mij. Toch mooi hoe je met
zo'n SSB radio dan toch contact kunt onderhouden want met je marifoon kun je
zo'n afstand niet overbruggen. Ze zeggen altijd dat je met je marifoon net zover
komt als je uitzicht bij een heldere dag hebt naar de horizon om je heen. Het
houdt dus al snel op. Willem en ik vonden het beiden bijzonder dat we op deze
manier elkaar midden op de oceaan tegenkomen. Wie had dat gedacht.
's Avonds had
ik een leuk gesprek met een jonge Engelse koopvaardij officier. Mijn
radardetectoralarm ging af en toen ik achteruit keek dacht ik aan de lichten een
zeilboot te herkennen die een stoomlicht toonde omdat hij op de motor voer. En
dan was hij niet al te ver van mij verwijderd. Ik riep hem op via de marifoon en
toen bleek het een vrachtschip te zijn op grote afstand. Het enige nadeel dat je
met de radardetector hebt is dat je je eigen radar weliswaar kunt aanzetten,
maar dan detecteert je detector jouw radar en geeft een constant alarm af. Het
is dus of de radardetector aan of de radar. Nu is dat geen probleem, maar ik
deze keer zat ik er met mijn waarneming behoorlijk naast. Niet dat het gevaar
opleverde, want zoals gezegd bleek de afstand veel groter te zijn dan ik dacht.
Zoiets had ik in de Golf van Gibraltar 's nachts ook al eens waargenomen. Maar
we raakten in gesprek en uiteraard wilde hij graag weten waarvandaan ik was
vertrokken en waar ik heen ging. Zij gingen zelf naar Barbados om brandstof te
bunkeren en daarna bleven ze een maand op Grenada. We wensten elkaar een veilige
reis en gingen weer uit elkaar. Want hij vaart er naar Barbados nog vijf dagen
over en ik doe er nog twaalf dagen over als ik elke dag zo'n 100 zeemijlen kan
afleggen. De laatste twee dagen lukt dat aardig en hoe meer ik westelijk kom,
des te meer wind zou er moeten komen. Afwachten maar, maar die ontmoeting via de
marifoon met de koopvaardij officier was een leuke afleiding voor de avond.
Dinsdag 7
december was alles anders. Er was veel wind en een behoorlijke zeegang. Degenen
die ten noorden van mij zaten hadden meer wind en meer zeegang, maar ik vond
mijn positie wel zo aangenaam. Toen ik besloot om toast met tonijn en mayonaise
te eten en klaar was met de bereiding daarvan, zorgde zware zeegang ervoor dat
alles op de vloer belandde. Uiteraard heb ik het toch opgegeten, maar eerst
moest er behoorlijk worden schoongemaakt. Even tevoren was er zeewater door het
luik gekomen dat een beetje openstond omdat ik voor de wind uitvoer en geen
golven over dek verwachtte. Het werd dus een dag van droogmaken en schoonmaken,
niet ongewoon op een zeilboot trouwens. 's Middags had ik kort radiocontact met
Willem van de Flying Swan die weer in contact staat met een Nederlands groepje
zeilers in de ARC. Omdat de ontvangst voor iedereen die dag slechter was dan de
vorige dagen hebben we besloten om morgen wat meer gegevens met elkaar uit te
wisselen. Willem was vooral geïnteresseerd in mijn reisplannen en nodigde de
andere Nederlanders ook uit om mee te luisteren.
Woensdag 8
december was een bijzondere dag voor mij want op die dag evenaarde ik het aantal
dagen op zee tijdens de reis van de Azoren naar Brest in 2007. Dat was de
langste periode dat ik op zee was geweest zonder een haven aan te doen. En nu
ging ik daar dus overheen tijdens deze reis. En ik was op de helft van mijn
overtocht, maar dat moment had ik op dinsdag al bereikt. Ik had 1100 zeemijlen
afgelegd en het was nog 1100 zeemijlen naar Barbados. Maar het tweede deel van
de reis beloofde sneller te gaan dan het eerste gedeelte waarin ik toch veel
windstilte periodes heb meegemaakt. Nu lag dat heel anders en speerde ik met
vijf tot zes knopen door het water met een windkracht variërende van windkracht
5 tot windkracht 7. Een groot verschil. Op woensdag besloot ik ook om een
polshorloge om te doen en die op UTC-2 te zetten om alvast te wennen aan het
grote tijdsverschil van vier uren als ik straks in Barbados aankwam. Ik had
immers de afgelopen weken helemaal volgens UTC geleefd en het werd tijd om
daarvan af te stappen door eerst het horloge maar eens twee uur terug te zetten.
De boordklok bleef zoals gebruikelijk op UTC afgestemd. Want bijv. de tijden
voor weerberichten en weerfaxen worden allemaal in UTC gegeven. En daarom heb ik
al bij de aanvang van mijn reizen in november 2005 besloten om de boordklok
altijd op UTC te hebben staan. Woensdag was tot nu toe de zwaarste dag van de
reis, want ik kreeg vijf grote buien over me heen met windkracht 7 soms oplopend
tot 8. Maar de Sogno d'Oro kwam er goed doorheen. En daarna scheen de zon weer,
maar waren de golven nog wel erg hoog. Bij het zeilen gaat het allemaal om het
contrast wat zo aantrekkelijk is. Ik heb het al vaker gezegd.
's Middags
kwam er een tweemaster achterop en haalde me langzaam in. Het waren Ieren en via
de marifoon hadden we een goed gesprek van zo'n kwartier. Zij deden mee aan de
ARC en zaten in groep B. De reden dat ik hen nog nooit op het ARC-net had
gehoord is dat ze weliswaar een SSB radio hadden, maar er niet mee konden
zenden. Als ik in St. Lucia was, dan was ik welkom om een Ierse Whisky van het
merk Bushmill te komen drinken. Tot eind december zouden ze op St. Lucia
blijven. Hun boot heette Ocean Hobo.
De volgende
dag meldde ik mijn ontmoeting met de Ocean Hobo aan de ARC-netcoördinator van
die dag van groep B via de SSB radio. Zo weten ze toch dat alles goed is aan
boord van dat schip. En 's middags had ik mijn dagelijkse praatje met Willem van
de Flying Swan. Toch plezierig om even bij te praten via de radio.Hij bood aan
om namens mij een email aan mijn kinderen te sturen. Hij kan namelijk met zijn
iridiumtelefoon aangesloten op zijn laptop email versturen.Dat aanbod heb ik
maar al te graag aangenomen en ik heb hem de emailadressen gegeven. 's Avonds
zou hij ze dan versturen en misschien kon hij tijdens onze middagbabbel de
volgende dag al een reaktie laten horen. Verder waren de golven nog steeds hoog,
zo'n drie tot vier meter, en de wind hard. Maar de voortgang richting Barbados
verliep helemaal naar wens. 's Avonds heb ik het passaattuig weer opgezet omdat
ik dan een rechtstreekse koers naar Barbados kon varen.
Op vrijdag 10
december had ik 's middags weer contact met Willem en hij had de email verstuurd
maar nog geen reaktie ontvangen. Verder kenmerkte deze dag zich door vier zware
buien die overkwamen met hoge golven, veel wind en massa's regen. Door de
laatste werd ik helemaal verrast, want ik was op dat moment aan het afwassen. De
wind die in deze laatste bui zat was het hevigst en ook binnen werd je alle
kanten opgesmeten. Maar Sogno d'Oro kwam ook hier weer goed doorheen en de
afstand tot Barbados bedroeg nog maar 750 zeemijlen. Ik had met omwegen om wind
te zoeken al 1500 zeemijlen afgelegd en zat daarmee op 2/3 van de af te leggen
totale afstand. En nu maar hopen dat de wind op sterkte bleef.
Zaterdag
begin met zware bewolking en veel regen, maar later klaarde het op. Ik had
contact met Willem, hij had een email van Carlien ontvangen en die heeft hij mij
voorgelezen. Toch mooi, dat je met die moderne technieken zelfs midden op de
Atlantische Oceaan contact kunt hebben met je dierbaren. Verder verliep de dag
prima. Heb goed gegeten, rijst met goulash, en daarna een lekkere sigaar gerookt
in de kajuitingang. Daar zit ik het liefst, met mijn zitvlak in de kuip en mijn
voeten op het trapje van de kajuitingang. Dan zit je beschut tegen wind en
regen, behalve natuurlijk als hij recht van achteren komt. En alle instrumenten
die ik nodig heb om te navigeren heb ik aan weerszijden van me. Zo heb ik al
menig mijltje afgelegd, turend door de sprayhood naar de horizon. 's Avonds heb
ik weer geluisterd naar de weerman Herb die mensen over de oceaan loodst met
weervoorspellingen toegespitst op jouw positie. Altijd weer leerzaam om te horen
hoe hij dat doet.
Op zondag 12
december vond ik voor het eerst een dode vliegende vis in stuurboords gangboord.
Hoe lang hij daar gelegen heeft, weet ik niet maar gisteren lag hij er nog niet.
Ik heb hem maar in het water gegooid en niet gebakken, want hij kan uren in de
zon hebben gelegen. Op het ARC-net hoorde ik dat deelnemers die ten westen van
56 graden West zaten geen wind meer hadden. Veelal gingen ze op de motor verder
hoewel het voor hen nog een heel eind is naar St. Lucia. Als het mij overkomt
zal ik goed moeten berekenen wat ik nog met mijn voorraad diesel kan doen. Maar
dat zien we wel als het zover is. Op dit moment zit ik op 51 graden West en is
de afstand tot Barbados 500 zeemijlen.
De maandag en
dinsdag stonden helemaal in het teken van het aftellen tot de aankomst. Gelukkig
bleef ik die dagen wind houden en kon ik meer dan 100 zeemijlen per dag
afleggen. Als ik dit kon volhouden dan zou ik vrijdag in de ochtend op Barbados
aankomen. Maandagavond had Willem trouwens nog een email aan mijn kinderen
verstuurd met mijn positie en mogelijk tijdstip van aankomst. De volgende dag
was er weer een reaktie van Carlien en die heeft hij mij voorgelezen. Op maandag
hadden we trouwens ook nog contact met een andere Nederlandse boot die niet aan
de ARC meedeed, maar wel met ons opzeilde. Zij wilden aanvankelijk naar
Martinique varen, maar door contacten met ARC-deelnemers gingen ze nu toch naar
St. Lucia. Dinsdag gaf ik Willem aan dat ik er de komende twee dagen ook nog
eens over zou nadenken of ik niet toch naar St. Lucia zou varen en Barbados zou
overslaan. Het voordeel van aankomst in St. Lucia is natuurlijk wel dat daar
honderden gelijkgestemden verblijven. Ze zijn allemaal blij en trots dat ze de
overtocht goed doorstaan hebben. Aan de andere kant is het programma voor hen
gevuld met ARC-feestjes en daar zou je als niet-ARC-deelnemer niet aan mee
kunnen doen. Je zou dus een tijdlang aan de zijlijn staan totdat dit hele
feestgebeuren weer was afgelopen. En dan praat je toch over het nieuwe jaar.
Barbados had dan het voordeel dat je daar weer andere mensen kon ontmoeten met
wie je Kerstmis en evt. ook nog Oud en Nieuw zou kunnen vieren. Ik zou er nog
eens goed over nadenken. St. Lucia was trouwens een dag langer doorvaren en er
was nog steeds sprake van windstilte in de buurt van de eilanden. Ik had nog
genoeg diesel voor het afleggen van zo'n 100 zeemijlen, maar moest daar dus
voorzichtig mee omgaan.
De volgende
dag werd het vraagstuk van de bestemming, Barbados of St. Lucia, snel voor mij
opgelost. Nu had ik zelf al een voorkeur voor Barbados omdat ik daar in alle
rust kon wennen aan het weer aan land zijn. Op St. Lucia zou ik met alle
ARC-deelnemers opgesloten zijn in een Marina-complex en dat zou dus een stuk
drukker zijn. Maar 's morgens keek ik op de boot alles nog eens na en toen ik
bij de mast was, zag ik dat een strip waarmee het lummelbeslag van de giek
vastzit was afgebroken. Nu zat hij nog vast aan één strip, want het lummelbeslag
zit met twee strips vast aan weerszijden van de giek. Een reparatie, wellicht
wat laswerk, was zeker nodig en dat kun je dan beter laten doen op Barbados bij
Willy's Boatyard, dan op St. Lucia waar al die ARC-deelnemers aandacht vragen
voor hun reparaties. Op het ARC-net had ik dagelijks gehoord van zaken die
gerepareerd moesten worden en daar zaten wat fikse reparaties bij. Sue Thatcher
die mijn lidmaatschap bij de Ocean Cruising Club had ondersteund en die ik op
Porto Santo had ontmoet, zei over de oceaanoversteek het volgende. Je moet
proberen om met zo min mogelijk schade de overkant te halen. En daarmee bedoelt
ze dat je sowieso schade zult oplopen, groot of klein, maar moet proberen om het
binnen de perken te houden door regelmatige controle. En daar heeft ze groot
gelijk in. Je kunt een oceaanoversteek niet vergelijken met het normale
dagzeilen of een oversteek naar Engeland. Het materiaal is gedurende drie weken
of meer continue blootgesteld aan grote krachten door wind en golven en dat
wreekt zich een keer. De wind was inmiddels wel wat gaan liggen, maar ik hoefde
nog maar 200 zeemijlen af te leggen naar ........Barbados dus. 's Middags kreeg
ik via Willem een uitgebreide email van mijn zoon Jan-Jaap. Dat doet goed
terwijl je de laatste mijlen aan het afleggen bent, want 's avonds ging de wind
liggen en dobberde ik wat rond. De laatste loodjes wegen het zwaarst.
Op de laatste
volle dag op zee, donderdag 16 december, zag ik 's avonds dat de oude genua die
ik slechts voor het passaatzeilen gebruik bovenin een scheur had. Een scheur van
zeker een halve meter, maar gelukkig aan de rand waar hij makkelijk te repareren
is. Nu was ik toch wel blij dat ik afgelopen jaar bij terugkomst uit IJsland
door de Vries twee zeilen, grootzeil en genua, uit het zwaarste materiaal heb
laten maken. Met die twee zeilen was ook na deze oversteek niets aan de hand.
Donderdag was overigens de 23e dag op zee.
En wat zal ik
verder nog over de vrijdag vertellen. Het was gewoonweg fantastisch om Barbados
in de ochtendgloren op te zien doemen. Ik heb ingeklaard bij Port St. Charles en
daarna ben ik doorgevaren naar de stad Bridgetown. Daar lig ik nu voor anker en
probeer de nacht door te slapen. Ik ben heel gelukkig en tevreden over de tocht.
Hij was lang door vele windstiltes, maar hij was ook onvergetelijk. En daar had
ik ook op gehoopt. 's Morgens vond ik nog twee kleine vliegende vissen in het
gangboord. Ze zijn mooi, ook als ze dood zijn. En het schijnt op Barbados een
delicatesse te zijn, een broodje vliegende vis. Morgen ga ik dat allemaal
uitproberen. En later schrijf ik er misschien nog over. Maar nu ben ik doodop en
ga eerst eens goed slapen.
Groeten.
Henk Oosterwijk
a/b Sogno d'Oro

6e reisverslag van Henk Oosterwijk
ontvangen 16-03-2011
Op Barbados heb ik genoten van de stad Bridgetown en had ik een leuk contact met
een aantal Duitsers op de ankerplaats. Dagelijks ging ik de stad in en daar
leerde ik op de eerste dag al Michelle kennen. Zij heeft een hotdog/hamburger
kraampje nog voordat je de brug oversteekt naar het centrum van Bridgetown. Elke
ochtend hadden we een babbeltje met elkaar en toen het bijna kerstmis was heb ik
haar een transistorradio gegeven. Ze had een oud dingetje dat met plakband nog
aan elkaar hing. Ach, en ze had me zoveel over Bridgetown en Barbados verteld
dat ik vond dat ze wel een kerstcadeau had verdiend. Met de kerstdagen lag ik
met griep op bed. En dat duurde wat mij betreft veel te lang, want ik was er wel
twee weken ziek van. Ik hoorde toen dat het ook in Nederland heerste.
Op 29 december vertrok ik naar het eiland St. Lucia. Dat is 24 uren varan vanaf
Barbados en mijn Zwitserse vrienden waren daar na 33 dagen op de oceaan te zijn
geweest in de marina. Onze hereniging was heel bijzonder, we hadden elkaar veel
verhalen te vertellen. Samen hebben we oud en nieuw gevierd met een etentje in
een restaurant in de marina. Er was live muziek in de vorm van een jongen die in
zijn eentje de prachtigste muziek speelde op een steeldrum. En om twaalf uur
vloog iedereen elkaar om de hals en werd er druk gezoend. Ik was blij dat ik het
op St. Lucia in de marina vierde. Ik heb daar lang in de marina gelegen voordat
ik buiten in de Rodney Bay ging ankeren. Mijn Zwitserse vrienden waren
vertrokken naar andere baaien op St. Lucia maar kwamen eigenlijk teleurgesteld
weer terug. Veel te veel verkopers die dagelijks aan je boot verschijnen en
iedereen die maar probeert om geld van je te krijgen. Tijdens mijn verblijf in
de marina kwam er op een dag een Engels stel langs die zeiden dat ze me kenden
van La Linea, een Spaanse ankerbaai vlakbij Gibraltar. Ik herkende ze en ik had
ze inderdaad in 2007 daar ontmoet. Ze hadden inmiddels een andere boot en lagen
geankerd in de Rodney Bay. Met hun boot heb ik als bemanning een wedstrijd
meegezeild naar Martinique en weer terug. Was best enerverend want er was veel
wind en hoge golven en tot overmaat van ramp brak op de terugweg zijn stuurkabel
en moest er met een noodstuurinrichting worden gestuurd. Dat heb ik gedurende de
veertien zeemijlen terug naar St. Lucia op me genomen door op het achterdek te
gaan zitten en met mijn voeten de noodhelmstok te bewegen. Er kwamen toen ik
daar zo zat een aantal squalls over en ik regende helemaal nat. Toch hadden we
veel lol, want we waren met vier kerels en er was er niet een die droog bleef.
Het was dus sowieso een natte boot. Heel anders dan mijn boot, waar je eigenlijk
altijd droog kunt blijven. Toen de Zwitsers weer terug waren in Rodney Bay en de
laatste inkopen hadden gedaan vertrokken we samen naar de plaats Le Marin dat in
het zuidoosten op Martinique ligt. Zij wilden daar nog een paar weken blijven en
ik ging na vier dagen al weer verder en ankerde in het noordwesten van
Martinique in de prachtige baai van St. Pierre. Ik wilde zeilen en niet in de
haven blijven.
Zo kwam ik de volgende dag, het was inmiddels 1 februari, na langs het eiland
Dominica te zijn gevaren, aan op het eiland Iles des Saints in de baai bij Pain
du Sucre. Het werd een onvergetelijke nacht, want dit was de slechtste
ankerplaats die ik ooit had beleefd. De boot werd heen en weer geschud door de
golven die van drie kanten de baai in konden komen. Blijkbaar stond de wind
verkeerd, want anderen hebben daar een heel leuk verblijf gehad. Ik ging de
volgende dag snel anker op en ben doorgevaren naar het eiland Guadeloupe.
Inmiddels had ik via de SSB radio weer contact met Willem van de Flying Swan en
hij gaf mij de tip om in een baai te ankeren in het noordwesten van Guadeloupe.
Daar kon je via het internet inklaren en het plaatsje heette Deshaies. Het was
zo'n lieflijk plaatsje dat ik daar twee dagen bleef liggen.
Van daaruit ben ik overgevaren naar het eiland Montserrat waar ik in Carr´s Bay
verbleef. Ik heb daar maar één nacht geankerd gelegen want ook daar was veel
deining van de golven. Heel vroeg in de ochtend ben ik toen overgevaren naar
Antigua waar ik in English Harbour aankwam. English Harbour is een belevenis op
zich. Nelson heeft daar vroeger een ankerplaats gebouwd met gebouwen waar
reparaties voor zijn schepen konden plaatsvinden. Die oude gebouwen zijn er nu
nog en er is een klein museum. Het geheel heet heel toepasselijk Nelsons
Dockyard. Je ziet er veel luxe grote schepen. Ik heb er mijn ogen uitgekeken
naar die fantastische grote zeilschepen. Jaarlijks vinden daar ook heel bekende
wedstrijden plaats. Ik had op de ankerplaats een leuk contact met Canadezen,
maar na zes dagen voelde ik dat ik toch weer verder moest. Je kon oud worden in
English Harbour. Voor je het weet doe je mee aan de wekelijkse Engelse quiz en
kom je er nooit meer weg.
Ik voer in een recordtempo naar St. Maarten en kwam op 11 februari om 03.00 uur
´s nachts aan in Marigot Bay, dat is aan de Franse kant van het eiland. ´s
Middags voer ik door de brug de Simpson Bay Lagoon in en maakte daar ook weer
contact met Willem Winters en zijn vrouw. Die lagen geankerd aan de Nederlandse
kant. Met mijn dinghy kon ik in vijftien minuten naar hen toevaren, wat ik dan
ook gedaan heb. We hebben heerlijk bijgepraat en natuurlijk ging het ook over de
vraag hoe de reis nu verder zou verlopen. Zij blijven nog een jaar in het
Caribisch gebied en gaan hun boot tijdens het orkaanseizoen opleggen in
Trinidad. Ze vliegen dan naar Nederland en komen pas in november weer terug en
cruisen dan weer vrolijk door de Carieb. Ik had me voorgenomen om rustig tot
eind februari in Simpson Bay Lagoon te blijven om na te denken over het verdere
verloop van mijn reis. Omdat Willem Winters vroeger lid was van
Watersportvereniging De Amer geef ik hier op zijn verzoek het adres van zijn
webpagina: www.flyingswan.nl. Dan kunnen degenen die hem kennen hem via deze
website volgen.
Op een gegeven moment kwam Duitse solozeiler Axel, die ik op Graciosa en Gran
Canaria had leren kennen, bij Sint Maarten aan. Hij was vertrokken vanaf Las
Palmas en had de oversteek in 22 dagen gedaan. Bij hem was wel veel kapot gegaan
onderweg en daar waren ook zaken bij die de overtocht minder prettig maken. Wat
dacht je bijvoorbeeld van een toilet dat het niet meer doet, of een
windvaaninrichting die het laat afweten? Nee, Axel had heel veel pech onderweg
en via emails heb ik hem voortdurend aangemoedigd om door te zetten. Ik had hem
beloofd dat ik hem met mijn dinghy tegemoet zou varen en dat heb ik op de dag
van aankomst dan ook gedaan. Gewapend met een handmarifoon ben ik onder de brug
door naar buiten gegaan, de Simpson Bay in. Daar stond nogal wat wind en hoge
golven, dus ik moest nog aardig oppassen met mijn dinghy. Maar we hadden via de
marifoon contact en al snel had ik mijn dinghy aan zijn boot vastgebonden en was
ik aan boord. Het weerzien was geweldig en net toen we elkaar wat verhalen
wilden vertellen zagen we dat de brug naar de Lagoon openging. We waren nog op
behoorlijke afstand van de brug, dus maar even snel marifooncontact met de
brugwachter. Hij zou ons er nog doorlaten als we er nu aankwamen. Eenmaal binnen
in de Lagoon hebben we aan de Nederlandse kant een ankerplaats gevonden. Axels
boot heeft namelijk 2,65 meter water nodig. Mijn boot maar 1,25 meter. En aan de
Franse kant is het behoorlijk ondiep. Ik had Axel laten weten dat ik hooguit tot
het einde van de maand februari zou blijven en dan verder zou reizen. We hebben
een aantal dagen met elkaar opgetrokken en op woensdag 2 maart ben ik de Lagoon
uitgevaren. Bij mijn afscheid waren Axel en Amerikaanse Scott aanwezig in hun
dinghies en Willem met de Flying Swan en de Minor, een Nederlanse boot die ook
met de ARC was overgestoken en die ik van SSB radio contact kende. Het afscheid
was daarom des te intensiever omdat ik had aangegeven dat ik naar Panama zou
reizen om daar door het kanaal te gaan en dan rond de wereld te varen! Ik had er
lang en goed over nagedacht en vond dat ik dat moest doen. Het was nu of nooit!
De boot was nog nooit zo goed uitgerust geweest en aan ervaring schortte het mij
inmiddels niet. Ook de leeftijd gaat een rol spelen. Ik ben nu 57 jaar, en dat
is een hele mooie leeftijd voor zo´n grote onderneming waar fysieke inspanning
gepaard gaat met kennis en kunde. Op naar Panama dus.
Voordat ik aan de tocht naar Panama begon had ik het weer gedurende een aantal
dagen goed gevolgd. De Caribische Zee is in de buurt van Colombia en Panama
zoiets als de Golf van Biskaje in Europa. Het water kan met die sterke
passaatwinden uit het noordoosten geen kant op. En dat geeft hele hoge golven.
Je moet dus een beetje oppassen als je aan die tocht begint. Ik had gezien dat
het gedurende zo´n zeven dagen rustig bleef en leek me lang genoeg om aan die
tocht van elf dagen (1100 zeemijlen) te beginnen. Als het weer onderweg toch zou
omslaan, dan kon ik altijd nog uitwijken naar de ABC eilanden. Het zeilmeisje,
Laura Dekker, was momenteel even terug in Nederland om op de HISWA wat te
vertellen over haar reis tot nu toe en haar boot lag bij Bonaire. Althans dat is
wat ze zelf in haar Weblog schrijft. Ik passeerde haar nu dus eigenlijk want in
haar Weblog schreef ze ook dat ze liever bij Bonaire wachtte dan later bij het
eiland Tahiti. Ikzelf wilde zo snel mogelijk door het Panamakanaal. Ook op de
Pacifische Oceaan heb je te maken met seizoenen en moet je af en toe buiten het
orkaangebied een goed heenkomen zoeken. Dat betekent dat je je reis goed moet
plannen. Daar is een heel goed standaardwerk over geschreven en dat is het boek
World Cruising Routes van Jimmy Cornell. Maar eigenlijk is de basis van dat boek
afgeleid van een Engels boek dat al veel langer bestaat en dat heb ik ooit
gekregen van Jan de Jong van Watersportvereniging De Amer. Een fantastische
gift, en hij heeft er iets moois in geschreven voor mij. Met die twee boeken
gewapend ben ik in april 2010 begonnen aan deze lange reis. De bedoeling was om
eerst de Kaapverdische Eilanden te bereiken en als dat allemaal goed verliep
over te steken naar de Carieb. En als daar alles goed ging, dan zou ik verder
kijken waar de reis naartoe ging. Ik sloot een wereldreis niet uit, maar sprak
er zo min mogelijk over. Het is ook zo arrogant om aan het begin van zo´n reis
te zeggen dat je even om de wereld gaat zeilen met een boot van 8 meter.
Gelukkig heb ik de ervaring van twee reizen die elk anderhalf jaar hebben
geduurd en ik weet dus wat mijn boot waard is in barre omstandigheden. Dat
vertrouwen deel ik trouwens met de hele Midgetclub, nu ik daar zo eens over
nadenk. Maar goed, je kunt het maar beter niet van de daken schreeuwen en rustig
stap voor stap afleggen. En dat betekent dus dat ik nu voor het eerst van mijn
leven de ingang naar het Panamakanaal ga zien bij Colon. Op zich al geen
verkeerd avontuur met eigen boot.
Zoals verwacht verliep de reis naar Panama rustig. De meeste dagen had ik goede
wind en maakte een voortgang van 80 tot 120 zeemijlen per dag. Ik had weinig
last van squalls, hoewel ik ze vooral ´s nachts wel over zag komen. De extra
wind die dat met zich meebracht kon ik goed gebruiken en bracht mij niet in de
problemen. Af en toe kwam ik een vrachtschip tegen en dat gebeurde vooral
tijdens de nacht. Gelukkig waarschuwde mijn radardetector mij bij dergelijke
ontmoetingen. Slechts een keer kwam een schip wel erg dichtbij en minderde
snelheid toen hij mij passeerde. Die was duidelijk geïnteresseerd in dat kleine
zeilbootje. Maar meestal bleven ze op flinke afstand en kon ik nadat ze ver
genoeg gepasseerd waren weer mijn hazeslaapjes pakken. Het koken onderweg was af
en toe door de zeegang niet mogelijk en ik verloor dan ook weer wat kilo's die
ik in de Simpson Bay Lagoon had vergaard. Sowieso val je af als je eenmaal op
zee niet meer aan de verlokkingen van fastfood aan de wal blootgesteld staat.
Want dat moet eerlijk gezegd worden, als je eenmaal weer aan de wal bent is het
moeilijk om van een hamburger met milkshake af te blijven. Dat is namelijk iets
wat je aan boord niet zo gemakkelijk klaarmaakt en waar je echt zin in hebt als
je weer aan de wal bent. Ik heb dat ook ervaren bij andere zeilers die lange
tijd op zee zijn geweest. Toen ik nog zo'n 150 zeemijlen van mijn bestemming af
was, zag ik hele velden planten in de zee drijven. Of ze van de Colombiaanse
kust afkomstig waren weet ik niet, maar vermoed ik wel. Het was een vreemd
gezicht, zoveel groen midden op zee.
En dan nu even een technisch stukje voor de zeilliefhebber. Als ik een grote
tocht ging maken met veel dagen op zee, dan zou ik vooraf vier zaken in verband
met de giek controleren. Zoals de zeiler weet kunnen er ongekende krachten op de
giek staan. Nu heb ik met name voor de wind en met ruime wind gezeild. Bij mij
zijn de volgende vier zaken kapot gegaan door de krachten die erop staan. Dat is
het lummelbeslag, de blokken van de neerhouder, de stoppers op de overloop en de
bevestiging van de bulletalie. Tijdens deze trip naar Panama waren het het
bovenste blok van de neerhouder dat losscheurde (roestvrijstalen beugel brak af)
en de stoppers van de overloop (die bleven vastzitten omdat ze verbogen waren
door het geweld waarmee de slede tegen de stoppers komen bij gijpen met
windkracht 6). Wat het laatste betreft zullen er lieden zijn die zeggen dat je
dan een stormrondje moet maken in plaats van te gijpen. Nou, laat ik je nu
vertellen dat je op zee met achteropkomende golven van drie meter niet zomaar
even een stormrondje maakt zonder zelf het gevaar te lopen ernstig beschadigd te
raken. Het lummelbeslag was overigens op de oceaanoversteek volledig afgebroken.
En dan praat je toch over behoorlijk dik roestvrijstaal. Ik heb het in St. Lucia
eraf laten halen en een nieuwe laten construeren waarvan elke component tweemaal
zo dik roestvrij staal is als de vorige. Ik heb dus nu niet alleen de dikste
zeilen (bij de Vries laten maken in de zomer van 2009) maar ook het dikste
lummelbeslag wat er op mijn boot past. En zo denk ik dat ik nog wel meer
componenten zal vervangen door steviger materiaal in de nabije toekomst. Zo, dit
was het gedeelte voor de echte liefhebber.
Zondagmiddag tegen twaalven keek ik uit over de zee. Een vliegende vis zocht
zijn plek in het water verderop en het viel me toen pas op hoe klein ze hier
zijn in vergelijking met elders. Hier zijn ze zo groot als de sardientjes in een
blikje. Zien ze in het groot er vliegend al uit als elfjes, in het klein is deze
vergelijking nog toepasselijker. Ik hou van vliegende vissen omdat ze er
vliegend zo teer en doorzichtig uitzien. Elke dag vind ik ze op mijn dek,
uiteraard allemaal al lang dood. Ze zijn gedurende de nacht tegen mijn boot
opgebotst en op dek blijven liggen. Af en toe als ik toch bij de mast moet zijn
ruim ik ze op. Er moet ook een vogel 's nachts als passagier zijn meegevaren
want mijn hele buitenboordmotor en een gedeelte van de kuip waren ondergepoept.
Jammer dat ik hem niet heb gezien, want ik was achteraf heel erg benieuwd wat
voor vogel het geweest is. En toen ik op die zondagmiddag 13 maart zo in
gedachten over de zee tuurde, zag ik linksvoor de contouren van de bergen van
Panama. Ik had het kunnen weten want de laatste 50 mijlen zou ik de kust volgen.
Maar ik had er helemaal niet meer aan gedacht en daarom was de verrassing des te
groter. Na 11 dagen varen zag ik nu voor het eerst weer land. Altijd een heel
bijzonder moment. Ik had trouwens mijn genua ingerold en de boot voer alleen op
grootzeil nog 2,5 tot 3 knopen. Door de golven ging de boot geweldig op en neer,
maar het was nodig om zo langzaam te varen. Panama is een dermate belangrijke
mijlpaal voor mij dat ik er met daglicht, of in ieder geval tegen daglicht, de
haven aan wil doen. Tot nu toe heb ik altijd gewoon doorgevaren, of ik nu met
licht of in het donker in de haven aankwam deed er niet zo veel toe. Met radar
en het navigatieprogramma op de laptop aangesloten op de gps vond ik mijn weg in
de haven altijd wel. Maar dit was te bijzonder om in het donker te beleven. En
zo sloop ik langzaam richting Colon met de bedoeling er de volgende dag in alle
vroegte aan te komen.
Om halftwaalf 's avonds lag ik even voor 20 minuten een hazeslaapje te doen,
toen ik het alarm van mijn stuurautomaat hoorde en de boot behoorlijk overhelde.
Dan weet je dat de automaat het niet meer aankan en er iets aan de hand is. Mijn
ST4000 Raymarine stuurautomaat kan het niet meer aan als de wind aantrekt tot
boven de 35 knopen. Dat is windkracht 8 en hoger. Voor de kust van Teneriffe had
ik die wind meegemaakt in een wind versnellingszone voor Santa Cruz en toen had
ik mijn dinghy verloren. Ik ben snel naar buiten gegaan en heb de stuurautomaat
ontkoppeld. Ben zelf aan de helmstok gaan zitten en met alle macht wist ik de
boot weer op koers te krijgen. Het viel me op dat de hele lucht pikkedonker was
terwijl achter me aan de horizon het lichter was. Het bleek om een enorme squall
te gaan waar heel veel wind en regen in zat. Als ik niet kleddernat wilde worden
moest ik snel weer naar binnen. Nu weet je dat die windvlagen niet langer duren
dan hooguit tien minuten. En gelukkig was de wind al weer afgezwakt tot
normalere proportie toen het echt begon te regenen. De stuurautomaat kon het nu
weer overnemen en ik kon naar binnen. Snel alle patrijspoorten dichtgedaan en de
schotten erin gezet bij de kajuitingang. En toen kwam het met alle geweld naar
beneden. Je moet er toch respect voor hebben voor dat natuurgeweld. Ik ben
binnen gaan zitten en kon de voortgang via mijn computer volgen. De
radardetector stond aan dus ik werd gewaarschuwd als er een groot schip aankwam.
Toen ik later de luiken er weer uithaalde en naar buiten ging zag ik pas van
welke omvang die squall geweest was. Colon kon je helemaal niet meer zien, want
daar was hij heen getrokken. En tevoren had ik aan de horizon bij Colon veel
licht gezien. Ik ben blij dat ik niet voor anker lag in de haven van Colon want
ik denk dat er wel een aantal schepen van hun anker geraakt zijn in dat geweld.
Never a dull moment op zo'n zeilreis denk ik dan maar!
De aankomst in de haven van Colon was bizar. Op de bekende ankerplaats trof ik
slecht één zeilboot aan, en de nabijgelegen watersportvereniging bestond niet
meer sinds twee jaren. Ik kreeg het advies om naar Club Nautico te gaan en dan
moest ik een stukje terugvaren. Toen ik daar aankwam zag ik gelukkig diverse
masten. Club Nautico heeft geen steigers, dus je moet er ankeren, maar het
terrein is wel bewaak. Ze hebben een dinghysteiger, een botenhelling, een
restaurant en een tankstation. Het restaurant werd mij aanbevolen en ik at er
tussen de middag een van de beste vissoepen die ik ooit had geproefd. En voor de
kwaliteit spotgoedkoop ook nog. Ik had inmiddels de naam van een agent gekregen
die ik absoluut moest gebruiken voor de doorgang door het kanaal en wellicht ook
voor het in- en uitklaren. Ik heb de goede man gebeld en binnen tien minuten was
hij ter plaatse. Nog diezelfde middag hebben we alle papieren voor elkaar
gemaakt en overlegd en een afspraak gemaakt voor het meten van de boot. Daarvoor
moest ik de volgende dag weer voor anker liggen op die bekende ankerplaats waar
maar één boot lag. Dat bleek trouwens ook het vertrekpunt te zijn voor de
kanaaldoorvaart. De loods komt daar aan boord. Maar je linehandlers moet je dan
al aan boord hebben. Tito, zo heet mijn agent, regelt dus ook vier jongens die
de lijnen hanteren, autobanden met beschermende vuilniszakken eromheen als
fenders en vier hele dikke en lange lijnen voor in de sluis. Tito bleek een
prima vent te zijn, die deed wat hij beloofde en die de vaart erin hield.
Onderweg naar een official gaf hij ook nog wat tips voor de kanaaldoorvaart
waaruit mij bleek dat hij zijn vak erg goed verstaat en er zoveel mogelijk voor
de klant probeert uit te halen. Want als je niet oppast moet je heel veel extra
betalen, en de scheepsagent kan dat voorkomen. Ik betaalde hem voor zijn
diensten 75 dollars en dat was hij dik waard. Ik zal jullie niet verder
opschepen met de hoge kosten van een kanaaldoorvaart, want dan is het al snel
alsof ik daarover klaag. Medezeilers die bij anderen al eens meegevaren zijn
door het kanaal verzekerden mij dat de hoge kosten gerechtvaardigd zijn gezien
het enorme aantal mensen dat dagelijks met het kanaal bezig is. En dan moet je
ook denken aan het onderhoud. Nou ja, en dan komt er natuurlijk bij dat het toch
een once in a lifetime avontuur is. De volgende dag werd de boot dus gemeten en
konden we 's middags al naar de bank om de doorvaart en een borg te betalen. En
daarna kan dan de afspraak gemaakt worden voor de daadwerkelijke doorvaart. Dat
kan drie dagen duren maar ook twee weken. Op dit moment bleek de wachttijd erg
kort te zijn maar ik moest nog even afwachten wat die voor mij is.
Nog even over de stad Colon. In alle boeken die over Colon schrijven wordt
gewaarschuwd voor roof en geweld. Maar pas als je er bent gaat het echt leven en
als je dan hoort dat je na twee uur 's middags niet meer over straat kunt lopen
buiten de hekken van Club Nautico omdat de politie daar dan niet meer rondrijdt,
dan huiver je wel. Een deel van wat Tito levert is ook bescherming van de klant.
Hij heeft ingehuurde bodyguards die op beslissende momenten als je uit de auto
stapt er zijn en je begeleiden naar de bank of Tito's kantoor. Overal zijn
stalen deuren en bij de bank staat er een zwaarbewapende politieman met een
scanner die je scant voordat je de bank in mag gaan en binnen staat er dan ook
meteen weer een. Ik werd er beslist niet vrolijk van toen ik door de straten van
het centrum van Colon gereden werd. Alles moet je hier eigenlijk met de taxi
doen, maar daar staat gelukkig tegenover dat de meeste ritten niet meer dan 75
dollarcent kosten. En de taxichauffeurs die ik ontmoet heb zijn vriendelijke
hard werkende mensen. Wat daar in Colon ooit gebeurd is dat het zo heeft kunnen
verloederen begrijp ik niet. Een taxichauffeur verzekerde me dat het er in het
verleden allemaal heel ordentelijk had uitgezien en er nog rust en orde heerstte
in de straten. Nu zag je verloedering en onveiligheid overal waar je maar kwam.
Nee, ik zou zo snel mogelijk door het kanaal willen en dat hoorde ik overal om
me heen bij de zeilers.
Op de dag van aankomst, maandag 14 maart, had ik dus al heel wat geregeld en de
volgende dag zou de boot gemeten worden. Ik ben dus dezelde avond nog naar de
ankerplaats gegaan waar dat diende te gebeuren. De volgende dag even over tienen
kwam de official bij mij aan boord en was een half uur bezig met het invullen
van papieren. Ik kreeg ook formulieren waarmee ik naar de bank kon gaan om mijn
tol en borgsom te betalen. Dat heb ik diezelfde middag nog gedaan en toen kon ik
eindelijk na 18.00 uur opbellen om te vernemen wanneer ik met mijn vier
linehandlers en de loods door het kanaal kon varen. Het zou overigens een tocht
van twee dagen zijn. 's Nachts lig je geankerd op een meer en blijven de
linehandlers aan boord, maar de loods gaat van boord en komt pas de volgende
ochtend weer terug. En de hele tocht moet je al die mensen voeden en het naar de
zin maken. Een ware opgave voor een solozeiler! Maar het gaat niet anders en je
moet je erbij neerleggen. Ik kreeg te horen dat mijn doorvaart op zaterdag 26
maart, dus over tien dagen, gepland stond. Een lange tijd wachten, maar ik zou
die goed kunnen besteden aan het doen van de laatste inkopen. Want veel spullen
kun je op de eilanden van de Pacific helemaal niet krijgen en als ze er wel zijn
dan zijn ze veel duurder wegens hoge transportkosten.
Ik zal me in ieder geval de komende tijd niet vervelen. En hoe het afloopt daar
in dat beroemde Panamakanaal met de Sogno d'Oro, dat vertel ik in het volgende
verslag.

Reisverslag deel 7
van Henk Oosterwijk, waarin de tocht door het Panamakanaal is beschreven en die
naar de Galapagos eilanden.
(ontvangen
op 02-05-2011)
Ik zal
jullie deelgenoot maken van berichten over aankomst Colon, voorbereiding
doorvaart Panamakanaal, doorvaart Panamakanaal en aankomst ankergebied Balboa,
die ik op verzoek van Nederlandse boten aan hen gestuurd heb. Ze geven heel goed
weer wat ervoor nodig is om door het Panamakanaal te varen. En die doorvaart was
voor mij toch wel een mijlpaal op deze reis.
""Ik ben
door de oostelijke ingang van de breakwater van Colon gegaan. Dat is de
geadviseerde ingang voor kleinere schepen. Je meldt je op VHF 12 bij Cristobal
Signal Station. Ze hebben graag dat je dat doet voordat je bij die ingang bent.
Ik ben daarna naar de Flats gegaan. Dat is een ankergebied waar jouw schip wordt
gemeten en waar de loods aan boord komt. Coördinaten van mijn ankerplaats daar
waren 09 20.59 N 79 54.68 W. Ik ging op zoek naar de vlakbij gelegen Panama
Yacht Club, maar hoorde dat die sinds twee jaren niet meer bestaat. Het heeft
dus geen zin om naar de Flats te varen bij aankomst. Wat je doet is dat je een
zuidelijke koers vaart vanaf de oostelijke ingang en dan zie je aan stuurboord
op een gegeven moment geankerde schepen. Die wachten daar bijna allemaal om door
het kanaal te varen. Daar doe je de laatste informatie op. Mijn coördinaten op
die ankerplaats waren 09 21.80 N 79 53.64 W. Maar pas op, ik heb maar 1,25 meter
diepte nodig. Je hebt veel last van de pijlsnelle loodsboten en de sleepboten
die de hele dag door het water speren. Dus een rustig ankergebied is het niet.
De Flats is wat rustiger dus als je weet wanneer jouw kanaaldoorvaart gepland is
dan zou je daar ook een aantal dagen kunnen liggen. Maar bijna iedereen blijft
op die ankerplaats bij Club Nautico (de laatste coördinaten). Die club stelt
niets voor, heeft geen steigers, geen faciliteiten. Je kunt bij het pompstation
een koude douche nemen, maar die is volgens mij ook niet echt voor gasten
bedoeld. Ik heb er nooit gebruik van gemaakt. Er is dus een pompstation waar je
voor 4 dollar per gallon diesel en gratis water kunt tanken. Die diesel is
tweemaal zo duur als bij het bunkerschip dat in dat ankergebied ligt. Maar ik
heb het niet aangedurfd om bij dat bunkerschip te tanken, ben toch altijd bang
dat het verontreinigde diesel is voor 2 dollar per gallon. Een dag voordat ik
vertrok voor de doorvaart heeft de Club Nautico een pasjessysteem ingevoerd. Ze
hebben namelijk links van het pompstation, er ligt ook nog een kleine
scheepshelling tussen, een dinghy steiger. Daar kun je met gerust hart je dinghy
al of niet op slot achterlaten. Het terrein van Club Nautico is namelijk
beveiligd met hekwerk, poort met slagboom en security man. Daar betaal je 5 euro
per dag voor. Ik vind het het dubbel en dwars waard, al is het alleen al maar om
veilig je dinghy kwijt te kunnen en inkopen te doen. Het restaurant Arrecife is
een aanrader, goed eten voor weinig geld. Zij hebben ook WiFi en als je een
versterker hebt kun je hun bereiken op je ankerplaats. Het wachtwoord is ook
Arrecife. Weet niet of ik het goed spel, maar het is de naam van het restaurant
en de naam van de hotspot. Neem ALTIJD een taxi als je het terrein verlaat, want
het is gevaarlijk in Colon. Supermarkt is vlakbij en daar kun je goed inkopen.
Taxi mag binnen Colon 75 dollarcent kosten, maar ik heb eigenlijk bijna altijd
een dollar gegeven. Het volgende bericht zal over het organiseren van de
kanaaldoorvaart gaan".
"Als je
aankomt hoor je van iedereen dat je een scheepsagent nodig hebt. Er zijn twee
soorten, de ingeschrevenen en de niet-ingeschrevenen. Het voordeel bij een
ingeschreven agent is dat je geen borg van 800+ dollar hoeft te betalen. Maar
die is dan ook veel duurder. Velen kiezen voor Tito (tel 64635009). Hij is veel
goedkoper en doet zijn zaken goed. Is een vriendelijk persoon en geeft je alle
informatie. Hij regelt de inklaring, linehandlers, huur van autobanden (fenders)
die met vuilniszakken en tape beschermd zijn, huur van vier 38 meter lijnen en
het uitklaren. Mijn rekening van hem bedraagt: service 75 dollar, 4 linehandlers
300 dollar, 4 lijnen 60 dollar, 6 autobanden 18 dollar en inklaren/uitklaren 50
dollar. In totaal is dat 503 dollar. Het is het dubbel en dwars waard, want hij
kan alles in het Spaans afhandelen en ze kennen hem goed. Ik was in de sluis met
een Canadese boot die het via Tito had geregeld en met een Franse boot die het
met een aantal vrienden deed. Die laatste boot zorgde dan ook voor de nodige
problemen in de sluis en het was dankzij de drie loodsen en onze professionele
linehandlers dat alles goed afliep. Doen dus. Daarnaast heb je 1500 dollar nodig
voor de doorvaart en de borg. Het gaat als volgt. Na het eerste contact ga je
met Tito naar een kantoor voor de doorvaart. De mevrouw op dat kantoor noteert
onder begeleiding van Tito de scheepsgegevens. Belangrijk is dat je opgeeft dat
je 8 knopen kunt varen. Later bij het meten vragen ze je nog een keer je
gegarandeerde vaart op de motor en dan geef je vijf knopen op. Ik heb zes
opgegeven omdat ik dat met mijn motor kan halen. Kijk maar wat jij wilt
garanderen, maar belangrijk is dat er penalties zijn als je het niet haalt en
voor problemen zorgt. Zorg dat je voldoende cash dollars uit de automaat haalt
waar je nu bent, want hier kun je bij een bank per dag maar 1000 dollar opnemen
en dat kostte mij 23 euro bankkosten. Ik had wel op St. Maarten al 2300 dollar
uit de automaat kunnen halen door dagelijks wat te trekken. Je moet Tito
namelijk cash betalen en ook de organisatie van de kanaaldoorvaart. Ze
accepteren geen creditcard! De eerste dag wordt een tijdstip afgesproken voor
het aan boord komen van de measurer die je boot opmeet en veel papieren samen
met jou invult. Het is de volgende dag en je moet daarvoor naar de Flats varen
(zie mijn coördinaten). Ik neem dan altijd contact op met Cristobal Signal
Station VHF 12 om door te geven dat ik op de Flats ben voor het aan boord nemen
van de measurer. De mevrouw van de kanaalorganisatie vraagt je de eerste dag om
na 18.00 uur een nummer te bellen om te bevestigen dat je de volgende dag op de
Flats bent voor de measurer. Tito heeft dat voor mij gedaan, dus ik hoefde
alleen 's morgens om 08.00 uur te melden dat ik op de Flats was (VHF12). Ik had
mijn afspraak om 10.00 op de tweede dag. Die tweede dag komt dus de measurer aan
boord (zorg voor fenders i.v.m. het langszij komen van de loodsboot). Na een
halfuur is hij klaar en ik heb hem met mijn dinghy naar de volgende boot
gebracht. Hij vertelt je dat je na 18.00 uur een nummer moet bellen om voor het
eerst te horen wanneer je gepland bent. Je krijgt een kaart met een scheeps
identificatie nummer. Die geef je door en dan hoor je het tijdstip. Bij mij
zaten er tien dagen tussen. Het werden er uiteindelijk negen. Vanaf dat moment
bel je eigenlijk elke dag de scheduler om te horen of er wat veranderd is. Op de
eerste dag koop je of een telefoon en een simkaart, of alleen een simkaart als
je een ontsloten telefoon hebt die elke kaart accepteert en ter plaatse
funcioneert. Ik had zo'n telefoon en de simkaart kostte 12 dollar, dit is
inclusief een beltegoed van 10 dollar. Ik deed dat bij Digicel samen met Tito of
zijn hulp Francisco die een taxi heeft. Het is belangrijk dat je voor het lokale
contact een telefoon hebt. En dan begint het wachten. Volgende bericht zal zijn
over de voorbereidingen voor de kanaaldoorvaart".
"Was
vergeten te vertellen dat je de tweede dag naar de bank gaat. Want na de
measurer en de betaling aan de bank van de doorvaartkosten (1500 dollar) kun je
pas de scheduler bellen (tel (507) 272 - 4202). De eerste dag ben je al met Tito
naar zijn kantoor gegaan om hem daar te betalen. Belangrijk die tweede dag is
dat je je bankgegevens bij je hebt. BIC en IBAN gegevens. Je moet een formulier
invullen voor het overmaken van de borg naar jouw bank. Dat gebeurt na ongeveer
zes weken. Je kunt er ook voor kiezen om een check te laten uitschrijven die je
ontvangt na ongeveer twee en een halve week aan de andere kant van het kanaal.
De meesten kiezen voor het overmaken naar de eigen bank. Ik heb al verteld dat
bij de duurdere agent je geen borg hoeft te betalen. De keuze is aan jou. Je
zult nog genoeg horen van de anderen op de ankerplaats. Na het bezoek aan de
bank en het opmeten door de measurer ben je dus klaar voor het vernemen van je
doorvaarttijdstip. Bellen na 18.00 uur".
"Je zult
al veel hebben gehoord over het verzorgen van de loods en de linehandlers. Je
moet ervoor zorgen dat je een schoon toilet hebt, en een bimini of zoiets zodat
er schaduw is in de kuip. Houdt een puts bij de hand want het dek kan tijdens de
sluizendoorvaart zo heet zijn dat de jongens met een puts het dek koel moeten
houden om er te kunnen werken. De doorvaart naar het zuiden gebeurt in twee
dagen. De eerste dag doe je de eerste drie sluizen en ga je omhoog. Dan kom je
op het Gatun meer en lig je aan een grote boei (ik deed dat met een ander schip)
en brengt er de nacht door. De loods gaat van boord en komt de volgende ochtend
om 06.30 uur aan boord. De linehandlers blijven aan boord en slapen in de kuip
of op het dek. Het zijn taaie lui en ze zijn gewend aan deze omstandigheden.
Tito zal adviseren om voor de warme maaltijd een grote emmer Kentucky Fried
Chicken te kopen. Ik had er salade, aardappelpuree en broodjes bij. Volgens mij
wordt dat erbij geleverd, anderen hebben het voor mij opgehaald. Kosten 20
dollar. En dan moet je broodjes aan boord hebben om sandwiches te maken. Ik had
verder een partij snickers en kleine zakjes chips bij me als snack. De loods
bleef 's avonds niet eten maar ging meteen van boord. De volgende dag had ik een
andere loods en die heb ik een warme maaltijd geserveerd die ook voor de jongens
was. Daarvoor had ik de dag ervoor heel veel kipfilet gebakken en daar Uncle
Bens zoetzure saus overgedaan en na afkoeling in de koelkast bewaard. Eerste dag
dus KFC en tweede dag mijn eigen gemaakte rijstmaaltijd. Had heel veel broodjes,
sla, tomaten, ham en kaas aan boord. Zorg voor kleine flessen water. En houd die
zo goed mogelijk gekoeld in je koelkast. Je zult merken dat gekoeld drinken veel
waard is voor de stemming. Ik had ook blikjes cola bij me die gekoeld waren.
Tito zei overigens dat je die kip de volgende dag ook nog prima koud kon eten,
maar de hele emmer was uiteraard die eerste avond al leeg en een tweede emmer op
voorraad houden vond ik niet fris. Had ook geen ruimte in mijn kleine koeling
omdat je zoveel drinken moet koelen. Ik heb een Brita filter en heb ook
regelmatig hun flessen met water daaruit gevuld. Het koel houden van al dat
drinken vraagt wat denkwerk. Bij mij is het gelukt en ik heb toch maar een heel
klein bootje met kleine voorzieningen. Het moet je dus lukken. Drie dagen voor
de doorvaart bel je Tito om te regelen dat hij je twee dagen voor de doorvaart
de banden en de lijnen levert. Dat gebeurt allemaal bij Club Nautico. Die zul je
met je dinghy aan boord moeten krijgen. Anderen kunnen je daar soms bij helpen
met hun grotere dinghies. Op de dag voor de kanaaldoorvaart spreek je met Tito
af wanneer de linehandlers aan boord komen. Normaliter is dat twee uren voordat
je op de Flats moet zijn om de loods aan boord te nemen. Ik moest om 17.00 uur
op de Flats zijn maar de loods kwam uiteindelijk pas om 19.15 aan boord. Dat
werd mij verteld toen ik mij meldde bij Cristobal Signal Station VHF 12 dat ik
op de Flats was voor de loods. En dan gaat het avontuur beginnen. Geniet ervan,
het is waarschijnlijk de enige keer dat je dit kunt meemaken met je eigen boot.
Volgende bericht over de doorvaart zelf".
"Vanaf de
Flats vaar je op aanwijzing van de loods (adviser) met je vier linehandlers naar
de eerste drie sluizen. De loods geeft op een gegeven moment voor de sluis aan
dat de schepen aan elkaar verbonden worden. Pas als de drie loodsen (ik ging in
een pakketje van drie) tevreden zijn over de combinatie gaat het verder de sluis
in. De loods van het middelste schip heeft de leiding en hij geeft jou aan of je
gas moet geven vooruit of achteruit, of in vrijloop moet schakelen. Let goed op
hem in de sluis bij het bevestigen van de lijnen want dan komt het erop aan dat
je precies doet wat hij nodig acht. De eerste drie sluizen ga je omhoog, als ik
me niet vergis 28 meter in totaal. De stroming viel mij mee, maar het is wel
duidelijk dat er enorme krachten op de lijnen komen te staan. Voor ons was een
groot schip, maar het leek alsof hij zijn schroef nooit heeft gebruikt en
slechts door de treintjes getrokken werd naar de volgende sluis. Ik heb dus geen
last gehad van dat grote schip. In de sluis gooien aan weerszijden mannen
keesjes naar de buitenste schepen en die moeten aan jouw lijnen worden
vastgemaakt. Die trekken ze dan naar zich toe en leggen op een gegeven moment om
een bolder. Dat is het moment dat je misschien iets achteruit moet slaan om te
voorkomen dat de lijn met een ruk komt strak te staan. Uiteraard moet jouw
linehandler de lijn dan iets laten vieren, maar er komen toch enorme krachten op
de lijn en dat hoor je ook. Bij het gooien van de keesjes heb je kans dat de
harde bal iets kapot slaat. Bedek daarom bijvoorbeeld zonnepanelen en andere
kwetsbare voorwerpen. Ik vond dat ze heel handig en met een bepaalde techniek
strak in horizontale richting gooiden. Dan kom je aan op het Gatun meer en moet
je nog zo'n halfuurtje varen voordat je bij de grote boei aankomt. Normaliter
leg je daar met twee schepen aan weerskanten aan. Bij ons heeft zelfs het derde
schip vastgemaakt aan een van de schepen die aan de boei lag. Bij mij ging de
loods direkt van boord en heeft dus niet warm meegegeten. Dan is het moment
aangebroken voor de KFC maaltijd of wat je ook maar voor warme maaltijd hebt.
Vervolgens ga je de nacht in met je vier linehandlers. Ze vroegen mij nog wel
even om dekens en kussens, maar daar heb ik ze niet aan kunnen helpen. Ze
moesten het doen met de kuipkussens die ik heb. De vier lagen in de kuip en voor
op dek. De volgende ochtend kwam de loods om 06.30 uur aan boord. Ik was om
06.00 uur al begonnen om pannekoeken te bakken. We voeren meteen weg en de loods
heeft de boot gestuurd terwijl ik verder pannekoeken aan het bakken was. Dan
vaar je de lange afstand naar de laatste drie sluizen. Daar wordt nogal moeilijk
over gedaan omdat de stroming van achteren komt i.v.m. zout water wat van voren
onder het zoete water stroomt. Kennen we in NL ook, en ik vond het allemaal wel
meevallen. Omdat we tegen 12.00 uur bij de sluizen waren ben ik om 11.00 uur
warm gaan koken. Na de sluizen heb je geen tijd meer om te koken en te eten. Die
drie sluizen ga je naar beneden. Wij hadden de hele sluis voor onszelf, geen
groot schip dus bij ons. Na de laatste sluis gaat de loods van boord. Hij wordt
opgehaald door de loodsboot. De vier linehandlers en de vier lijnen worden door
een bootje opgepikt en dan ben je alleen met je boot op de Pacific. Ik ga ervan
uit dat jullie niet in een dure marina willen liggen en ook niet aan een mooring
boei van 20 dollar per nacht maar gewoon op een vrije ankerplaats. Daarvoor vaar
je door de vaargeul door naar Flamengo Island. Het is belangrijk dat je niet te
vroeg bakboord uit gaat want dan kom je vast te zitten. Vergeet niet dat ze aan
deze kant vijf meter verval hebben en behoorlijke stroming. Ach, denk maar aan
de Waddenzee, niets bijzonders voor ons maar je moet het je weer even
realiseren. Dan vaar je tussen Flamengo Island en de stuurboord ervan gelegen
rots. Na Flamengo Island ga je bakboord uit, je maakt dus een complete U-turn.
Je vaart langs de kust en ziet aan bakboord een marina maar je vaart gewoon
verder. En dan zie je allemaal geankerde schepen. Daar lig je prima. Je hebt de
banden nog aan boord. Daarvoor heb ik na twee dagen Tito opgebeld en in overleg
heb ik ze bij de vuilniscontainer gelegd. Hij pikte ze daar op omdat hij toch in
Panama City was die dag voor uitklaren van andere schepen. Zodra je wilt
uitklaren bel je Tito en dan komt hij waarschijnlijk je paspoort ophalen. Bij
mij moet dat nog gebeuren. Over het liggen op de vrije ankerplaats en de
voorzieningen bericht ik jullie de volgende keer".
"De
coördinaten van de ankerplaats zijn 08 55.24 N 79 31.83 W. De twee marina's en
de ankerplaatsen onderhouden een VHF-net op kanaal 74. Dat begint 's morgens al
om 08.00 uur. Is heel informatief en je kunt zelf ook honderduit vragen. Omdat
je op die eilanden vrij geïsoleerd bent, zijn er regelingen voor het ophalen van
wasgoed, jerrycans voor diesel en benzine, en gasflessen. Die worden dan de
volgende dag weer bij de dinghysteiger afgeleverd en daar betaal je dan. Bijna
iedereen heeft VHF 74 permanent aan staan. Niet dat het hier gevaarlijk is. Bij
de dinghysteiger hoef je je boot niet aan een slot te leggen. Het is wel
voorgekomen, heb ik gehoord van een Engelsman die hier tien maanden ligt, dat
een dinghy zonder slot zachter de boot gestolen is. Als je iets wilt doen in
Balboa of Panama City doe je dat met de taxi of de bus. Hier in de buurt is een
Volvo Penta dealer (vlakbij Flamengo Restaurant en dat is eenmaal op de weg
linksaf en dan zie je vanzelf het Volvo reclamebord. Ga je op de weg rechtsaf en
de eerste weer linksaf dan kom je voorbij het hotel bij watersportwinkel
Abernathy (of zoiets). Die heeft wel wat spullen maar voor de grote Abernathy
moet je naar Panama City. Het water hier is niet schoon en dat komt vooral door
de modderige ondergrond en het vuil dat van Panama City komt. Nieuwkomers maken
vaak de fout dat ze te weinig ketting geven omdat het maar vijf meter is, maar
als het dan hoog water is, dan komen ze met die modderige grond tekort. Flink
ankerketting geven dus. Verder zul je hier geen gebrek aan contacten hebben als
je je mond maar opendoet. Er liggen genoeg boten en ze hebben allemaal mooie
verhalen te vertellen op gemaakte reizen of plannen. Verder wil ik het hier bij
laten, want het enige wat je dus nog hier moet doen is Tito bellen voor het
uitklaren en zover ben ik nog niet. Veel succes en als we elkaar ontmoeten nemen
we er een biertje op. Dit was dus even het laatste info bericht".
Met deze
berichten heb ik dus andere Nederlanders op de hoogte gebracht van de
gebeurtenissen rond het doorvaren van het Panamakanaal. Ik hoop dat jullie nu
een beetje een indruk hebben gekregen wat er allemaal bij komt kijken.
Op vrijdag
25 en zaterdag 26 maart voer ik door het kanaal en twee dagen daarna tijdens een
ankermanoeuvre brak er iets in mijn gashendelmechanisme waardoor de boot hard
voorwaarts ging. Moet je je eens voorstellen dat dat in de sluizen van het
kanaal was gebeurd. Ik heb echt geluk gehad dat het pas daarna kapot ging. Het
mechanisme was geblokkeerd, er was wat het schakelen betreft geen beweging meer
in te krijgen. Ik heb via kanaal 74 om een monteur gevraagd en Engelse Simon
kwam toen bij mijn boot langs. Ik wilde van hem vooral weten of er nog iets aan
te doen was of dat ik echt een nieuwe moest zien te krijgen. Simon heeft nog het
een en ander geprobeerd maar concludeerde al snel dat er in het mechanisme zelf
iets gebroken was. En dus moest er een nieuwe besteld worden. Daarvoor ben ik
met Simon wat scheepswinkels afgelopen maar die hadden alleen maar de verticale
morsehendels of hendels voor een buitenboordmotor met bedrading voor het
liftmechanisme. Toen heb ik me nog twee uren in Panama City laten rondrijden
door taxichauffeur Luis, maar bij alle zaken die we aandeden was het hetzelfde
als bij die scheepswinkels in de haven. Uiteindelijk belandde ik bij een Volvo
Penta dealer op loopafstand van mijn ankerplaats. Die zou het voor mij bestellen
en dan was het er een week later. Na een week bleken er eerst douaneproblemen te
zijn en vervolgens bleek dat het verkeerde was geleverd. Weer een week wachten
dus. Nu zou het op donderdag 14 april geleverd worden. Ik leerde Ierse Connor
kennen die nog veel langer op zijn Volvo Penta onderdeel wachtte en het bleek
dat zijn onderdeel met dezelfde zending binnen zou moeten komen als de mijne. En
dat schept een band, dus we hebben samen pizza gegeten en een biertje gedronken.
Inmiddels had ik er wel voor gezorgd dat als de bestelling echt op niets zou
uitlopen ik wel kon varen op de motor. Daarvoor had ik de gashendel zodanig
gemonteerd dat hij alleen nog voor het gasgeven funktioneerde en als ik aan de
versnellingskabel trok dan kon ik in vooruit schakelen. Nou, dat was toch in
ieder geval al wat.
Ik wist
dat het zeilmeisje, Laura Dekker, op 10 en 11 maart door het kanaal zou varen,
dat had ze op haar website geschreven. En op 12 maart in de ochtend zag ik haar
rode boot Guppy voor anker liggen op onze ankerplaats. En zij zelf was in haar
opblaasbare catamaran in de haven aan het zeilen. Ik heb nog even gezwaaid en
later ben ik naar haar boot gevaren met mijn dinghy om even goeiedag te zeggen,
maar ze was er niet. Ik kreeg het idee dat veel tijd bij haar in beslag wordt
genomen door allerlei bekenden die ze onderweg opdoet en die iets met haar
willen. Dat heeft voor haar natuurlijk ook wel voordelen, want op haar website
schreef ze al dat het financieel allemaal niet zo ruim zit. En die kennissen
nodigen haar maar al te graag uit voor een hapje eten of een tripje de stad of
het land in. En zo ben ik toch al aardig wat echtparen tegengekomen die haar
eerder hebben ontmoet en haar te eten hebben gehad. Wellicht zie ik Laura later
nog wel als ze me niet te vlug af is, want ze zal wel een strak tijdschema
hebben voor haar recordpoging.
Mijn
Canadese vrienden waren al eerder vertrokken naar de Las Perlas eilanden die
hier veertig zeemijlen vandaan liggen. Een mooie springplank naar de Galapagos
eilanden die hier meer dan 800 zeemijlen vandaan liggen. Ze zouden daar op me
wachten voor de overtocht naar de Galapagos eilanden maar toen het langer ging
duren met de levering van mijn bestelling zijn ze toch alvast maar naar de
Galapagos eilanden vertrokken. Ze hadden groot gelijk, want de wind begon wat
uit het noorden te blazen en dat is gunstig voor die overtocht.
Waar ik op
den duur hier op de ankerplaats echt helemaal gek van werd is het geklets via
kanaal 74 om 08.00 uur 's morgens over adressen waar je iets kon kopen. De
ankerplaats ligt geïsoleerd en je moet dus voor alles en nog wat een taxi nemen
en je ergens in Panama City of Balboa laten vervoeren om te kopen wat je nodig
hebt. En het kennen van die adressen is hier blijkbaar een eigenschap die
sommige live-aboards zich hebben aangemeten en hen een bepaalde status binnen de
groep geven. Het is bijna surrealistisch als een nieuwkomer naar iets vraagt en
dan de netbeheerder het woord geeft aan een vrouw die werkelijk alle adresssen -
je kunt het zo gek niet bedenken - ergens in een boekje heeft opgeschreven. Dat
zijn dus mensen die nauwelijks meer varen en hier al jarenlang voor anker
liggen. En de kennis van die adressen geeft hen dus status en het vergaren van
die kennis is bijna een dagtaak. Ik werd er niet goed van, en het werd tijd voor
mij om hier snel mijn anker op te halen voordat ik zelf ook mee ging doen. Ik
kon mijn tijd beter besteden, dacht ik zo.
Op
woensdag 13 april was ik om 18.00 uur bij Connor aan boord om daar te eten, toen
er alarm werd geslagen. Er dreef een hele grote boom in het water en die kwam
recht op mijn boot af. Het waaide op dat moment hard en er stonden golven. De
situatie zag er slecht uit. Ik heb met mijn kleine dinghy mijn boot weggeduwd
terwijl mijn buurman met zijn dinghy de boomstam wegdraaide. Toen kwam er nog
een andere man met een grotere dinghy met zwaardere motor en die heeft een touw
vastgemaakt aan de boomstam zodat we hem konden manoeuvreren. Ik heb ook een
touw vastgemaakt en gedrieën hebben we de boomstam tussen de andere boten door
naar de kust gemanoeuvreerd. Dat was kantje boord voor mijn bootje, want als de
grote boom mijn ankerketting had meegenomen dan was hij met anker en boot aan de
haal gegaan. Een aanvaring met een andere geankerde boot zat er dan dik in, want
de ankerplaats was goed gevuld. Geluk gehad dus.
Diezelfde
dag trouwens regende het roet op de ankerplaats. Het dwarrelde in grotere en
kleinere stukken neer op het water en de boten. Als je het aanraakte dan had je
meteen een zwarte veeg op je boot. Je kon het er dus beter laten afwaaien of
afregenen. Een Amerikaan die al tien maanden op de ankerplaats lag vertelde me
dat dit kwam door het afbranden van grasvelden en dat kon best 30 kilometer
verderop zijn. Het was nu zo'n beetje het begin van het seizoen om dat te doen.
Het zou dus nog vaker gebeuren. Omdat het dagelijks wel een keer hard waait en
regent, heb ik niet veel last van die roet gehad. Het was gelukkig ook zo weer
weg van de boot.
Donderdag
14 april haalde ik dus mijn gashendelmechanisme op. De vorige dag waren Connor
en ik nog blij gemaakt met een dooie mus door ons op te bellen dat de onderdelen
die middag om 15.00 uur geleverd zouden worden. Maar toen we daar aankwamen, het
is gelukkig op loopafstand van de haven, en er nog even werd getelefoneerd met
de transporteur, bleek het toch pas de volgende dag te zijn. Teleurstelling op
teleurstelling, maar kenners verzekerden mij dat het heel normaal is in Panama
om wekenlang op iets te moeten wachten en regelmatig misinformatie te krijgen.
Ik zal eraan moeten wennen, maar in deze situaties denk je wel aan Nederland
waar veel toch wat strakker is georganiseerd. De volgende dag begon het wachten
van Connor en mij om 08.00 uur en pas in de middag werden de spullen geleverd.
Bij mijn levering ontbrak de gashendel, die hadden ze niet opgestuurd. Ze wilden
hem wel gratis naar de Galapagos eilanden opsturen, maar daar had ik absoluut
geen vertrouwen in. Ik heb dus diezelfde middag het nieuwe mechanisme ingebouwd
en de oude gashendel erop gezet. Toen wilde ik ook meteen vertrekken naar de Las
Perlas, het eiland San José, en zo ging ik om 17.30 uur weg van de ankerplaats.
De hele nacht heb ik doorgezeild, ik had goede wind vanuit het noorden.
Toen ik op
vrijdag 15 april 's morgens bij San José aankwam lag er welgeteld één bootje
voor anker en besloot ik om door te varen naar de Galapagos eilanden. Daar zou
ik in ieder geval mijn Canadese vrienden weer ontmoeten. Ik had goede wind en
ging op pad voor de meer dan 800 zeemijlen lange tocht. De gribfiles toonden
weliswaar weinig wind onderweg, maar via de SSB radio hoorde ik veel zeilers
doorgeven dat ze op weg naar de Galapagos veel meer wind ervoeren dan de
gribfiles aangaven. Nu maar hopen dat mij dat ook zou overkomen. Want langer
wachten had ook geen zin. Ik had de afgelopen drie weken de gribfiles goed in de
gaten gehouden en er was nauwelijks verandering te bespeuren.
Die
vrijdag heb ik goede wind gehad en ik maakte een snelheid van gemiddeld 3,6
knopen. Voor mijn boot is dat niet slecht, hoewel ik altijd hoop op een
gemiddelde van 4 knopen, want dat geeft zo'n mooi daggemiddelde van bijna 100
zeemijlen. Er deden zich die dag verder geen bijzonderheden voor, behalve dat de
zonsondergang prachtig rood was. Ik was weer blij onderweg te zijn met mijn
boot. Gedurende de nacht nam de wind toe en werd de gemiddelde snelheid als snel
4 knopen. Het ging dus prima. Ik begon er over na te denken om de Galapagos
voorbij te varen en meteen door te varen naar de Marquesas. Dat zou een hele
lange tocht worden, maar ik heb geleerd dat je af en toe je mijlen moet maken.
En zeker als je twee weken in Colon en drie weken in Balbao geankerd hebt
gelegen zonder dat je dat echt gewild hebt. In Colon moest ik wachten totdat ik
door het kanaal kon varen en in Balboa was het het wachten op een nieuw
gashendelmechanisme. Maar als ik veel diesel verbruik tijdens de tocht naar de
Galapagos wegens windstilte, dan zal ik een pitstop moeten maken om te tanken.
Zaterdagavond viel de wind volledig weg en pas de volgende morgen stak hij weer
op. Heb tijdens die nacht vijf uren op de motor moeten varen. Datzelfde gebeurde
op zondagavond, maar nu duurde het langer. Weer de motor bijzetten dus.
Toen die
windstilte tegen elf uur 's morgens even verbroken werd door wat wind heb ik de
zeilen gezet en wilde mijn windvaanstuurinrichting weer inschakelen. Toen ik het
blad erop zette zag ik dat er een strook tapijt om het servoroer gewikkeld was.
Ik pakte de bootsmanshaak en heb het stuk tapijt verwijderd. Toen ik de
bootsmanshaak weer op wilde bergen glipte hij uit mijn handen de zee in. Nu
blijft zo'n stuk hout wel drijven, maar je ziet er weinig van op een grote open
zee met wat kabbelende golfjes. Ik maakte een draai om hem weer in zicht te
krijgen en toen brak er een enorme regenbui los. De bootsmanshaak kon ik nu wel
vergeten. Je zag niets meer en ik was hem gewoon kwijt. Jammer, want het was een
goed ding. Niet zo'n teleskopische maar een echt stevig stuk hout met een mooie
rvs haak erop. Had ik ergens in Denemarken gekocht. Nu moet ik op zoek gaan naar
een vervanger. Zal niet meevallen op de Pacifische eilanden. Ik zal me
waarschijnlijk voorlopig moeten behelpen met een stok waar ik improvisorisch een
soort haak aan vast maak. Ik gebruik hem vooral om mijn servoroer van de
windvaanstuurinrichting naar beneden of omhoog te klappen. En dan zit er een
soort slot op dat ik ook met de bootsmanshaak kan bedienen. Ik zal er dus wel
weer een nodig hebben.
In de
ochtend van dinsdag 19 april trok de wind gelukkig weer wat aan. Ik moest nog
550 zeemijlen tot de Galapagos. En die kun je nu eenmaal niet op de motor
afleggen. Zoveel diesel kan ik niet bij me hebben. De wind kwam nu niet meer uit
het noorden maar uit het oosten en bedroeg ongeveer 10 knopen. Ik kwam er
overigens achter dat een 20 liter jerrycan geen diesel maar benzine bevatte. Die
hadden ze dus verkeerd gevuld. Op mijn vorige ankerplaats leverde je namelijk
jerrycans in en de volgende dag kreeg je ze dan gevuld weer terug en moest je
betalen. Ik had op de jerrycans duidelijk de bootsnaam en gasoleo (diesel)
geschreven, maar bij één jerrycan hebben ze er dus benzine in gedaan. Gelukkig
ruik je het verschil meteen als je de jerrycan opent. Ik heb via het Panama
Pacific Net dat ik via SSB radio dagelijks beluister en waar ik mijn positie
doorgeef en met de netcontroller praat over het weer, gewaarschuwd voor deze
fout. Als je al op zee bent en je komt er dan pas achter, zoals ik, kom je dus
20 liter diesel tekort die je wel ingepland had. Maar geen nood, ik ondervind er
nog geen problemen van. Vandaag wel een nieuw pak pannekoekmeel overboord
gegooid en een pak UHT melk. De melk was bedorven en er zaten wormen in de meel.
Heel langzaam kom ik dichter bij de Galapagos.
Op vrijdag
22 april zag ik 's avonds een toplicht ver achter me aan de horizon. Het moest
wel van een boot zijn, maar na een tijdje was het er niet meer. Nu willen met
name de Fransen hun navigatielichten 's nachts nog wel eens uit doen om stroom
te sparen. Dat heb ik zelf meerdere malen meegemaakt en van vrienden die
regelmatig van Engeland naar Frankrijk varen heb ik gehoord dat ze 's nachts
vaak onverlichte Franse boten tegenkomen. Ik bleef dus kijken of het licht er
weer was, maar pas een paar uur later verscheen het ineens weer en nu was het
dichterbij. Ik deed mijn marifoon aan op kanaal 16 en hoorde dat ik opgeroepen
werd door een vrouw. Toen ik contact maakte bleek het de Franse boot Kajananas
te zijn die ik kende van het ankergebied bij Balboa. Zij waren veel eerder dan
ik vertrokken en hadden nog een week bij het eiland San José geankerd gelegen.
Jean-Pierre had daar waarschijnlijk bij het duiken een oorvliesperforatie
opgelopen en dat was gaan ontsteken. Pas na behandeling met antibiotica en
oordruppels ging het langzamerhand beter en zijn ze vertrokken naar de Galapagos.
Daar zouden ze een arts consulteren, want het gehoor in dat ene oor was slechts
50 procent. Zo hebben we nog even gebabbeld en Kaja, die overigens een
Amerikaanse is, vertelde me een vreemd verhaal. Ze vroeg me of ik de vorige dag
om 21.00 uur een gerommel had gehoord als een snelstromende rivier. Niet lang
daarna kwamen ze terecht in ontstuimig water en ze dacht aan een vloedgolf. Ik
heb daar zelf die dag niets van meegemaakt. Ik was aan het lezen en heb het niet
gemerkt. Kaja wil op de Galapagos vragen of er seismografische aktiviteit is
geweest. Want dat zou het best kunnen zijn. We gingen de nacht in, zij op de
motor en ik op de zeilen. 's Ochtends zag ik een boot naast me op ongeveer twee
mijlen afstand en toen ik de marifoon weer aandeed, bleken zij dat te zijn. Ze
hadden om 02.00 uur de motor uitgezet om brandstof te sparen en hadden wat
rondgedobberd. Ik had juist 's nachts mijn motor vijf uren lang aanstaan om
tenminste enige voortgang te boeken. Ik zou die 24 uren een afstand afleggen van
37 zeemijlen in totaal, een dieptepunt in de geschiedenis van de Sogno d'Oro.
Maar ja, wat wil je als er vijf knopen of minder wind staat. We hebben even weer
bebabbeld en toen afscheid genomen. De wind was wat opgestoken en ik deed 2,5
knopen. Maar omdat zij een grotere boot hebben met veel grotere zeilen deden zij
4 knopen en waren al snel aan de horizon verdwenen met bestemming Galapagos.
Diezelfde zaterdag kreeg ik ook een email van de Chenou, mijn Canadese vrienden.
Ze waren aangekomen op de Galapagos en wachtten daar op mij. Nou kon dat nog wel
even duren, want ik had nog vijftig liter diesel in de tank en alle jerrycans
waren leeg. Met die vijftig liter zou ik 100 zeemijlen kunnen afleggen als ik
rustig vaar, maar ik moest er nog 360. Ik heb dus de koelkast uitgezet om stroom
te sparen, want als er geen wind is brengt de windgenerator niets en zou de
motor bijgezet moeten worden om stroom te draaien. Dat is zonde van de
brandstof, want die heb ik nodig als ik dichter bij de Galapagos ben. En zo ging
ik de nacht in, al dobberend want de wind was weer eens ver te zoeken.
Zondag 24
april tegen zonsondergang kreeg ik bezoek van een grote groep dolfijnen. Het was
een vreemd gezicht, want ze kruisten elkaars vaarwater en ik ben gewend dat ze
in groepen met elkaar opzwemmen. Misschien werden ze gejaagd of was er iets aan
de hand met de groep. Ze bleven toch nog een halfuur in de buurt van mijn boot
en gingen toen weer verder. Zo langzamerhand was de wind wat constanter geworden
en hij blies nu al een paar dagen met 8 knopen uit het zuidoosten. Dat betekende
voor mijn boot een snelheid van zo'n twee knopen, dus echt hard ging het niet.
Ach, de laatste loodjes wegen het zwaarst. Maandagochtend moest ik nog 290
zeemijlen afleggen naar de Galapagos. Ik heb in het weekend weinig van Pasen
gemerkt. Hooguit op de beide netten waar ik op SSB radio 's morgens contact mee
heb werd het door een enkele zeiler vermeld.
Op maandag
25 april laat in de middag landde een grote vogel op mijn voorplecht. Daar bleef
hij zitten en ik ben hem gaan filmen. Een kameraad van hem wilde daar ook nog
landen maar dat werd door hem niet toegestaan. Die moest blijkbaar maar een
andere boot opzoeken. Ik kon die vogel tot wel een halve meter naderen. Zelfs
nog wel dichter bij, maar dan voelde hij zich toch wel bedreigd en begon met
zijn lange snavel te verdedigen. Ik weet niet wat voor soort vogel het was, maar
hij was lichtbruin, met een blauwgrijze kop, en een lange spitse snavel. Hij is
voorop blijven zitten tot diep in de nacht, want af en toe heb ik met de
zaklantaarn even gecontroleerd of hij er nog zat. 's Morgens was de vogel
gevlogen en uiteraard had hij een hoop stront achtergelaten. Het was de grootste
vogel die ik tot nu toe aan boord heb gehad. Toch ook wel weer bijzonder. Van de
Galapagos eilanden is bekend dat de dieren daar erg tam en benaderbaar zijn.
Deze zal daar dan ook wel vandaan gekomen zijn. Op dinsdagochtend moest ik nog
250 zeemijlen afleggen naar de Galapagos. Ik had dus in 24 uur tijd 40 zeemijlen
gevaren. Wederom niet veel dus. Als dit zo door ging, en ik zag voorlopig zelf
geen verandering in het weer komen, dan zou ik meer dan twee weken doen over een
afstand van 950 zeemijlen. Aanvankelijk dacht ik dat de afstand 800 was, maar
omdat je eerst een heel lang stuk naar het zuiden moet varen voordat je een
westelijker koers kunt inzetten is de totale afstand veel langer. Die in de
pilot geadviseerde omweg heeft te maken met stroming en heersende winden.
Op
donderdag 28 april had ik in totaal 25.000 zeemijlen gevaren sinds de aankoop
van Sogno d'Oro in januari 2005. Terugkijkend in mijn scheepsjournaal was ik bij
5.000 mijlen in september 2006 aan de oostkust in Spanje, bij 10.000 mijlen in
april 2008 aan de westkust van Denemarken, bij 15.000 mijlen in februari 2009 op
de terugweg van de Vestmannaeyjar eilanden naar de Faroer eilanden en bij 20.000
mijlen in oktober 2010 op weg van de Kanarische eilanden naar de Kaapverdische
eilanden. Toch leuk als je die dingen bijhoudt en later nog eens kunt opzoeken.
Op vrijdag
29 april doorbreek ik 's morgens de 100 zeemijlen grens, de afstand die ik nog
moet afleggen tot de Galapagos eilanden. Maar omdat ik door de wind wat
noordelijker wordt weggezet dan de direkte koerslijn naar de Galapagos heb ik de
evenaar nog niet gepasseerd. Dat zal wel gebeuren als ik later op de dag op de
motor weer langzaam terugkeer naar mijn direkte koerslijn. Op zee kan ik met
weinig wind en wel golven namelijk niet zo scherp aan de wind zeilen en moet ik
wat ruimer zeilen. Dat corrigeer ik dan later als ik de motor bijzet en de
accu's tegelijkertijd weer bijlaad. Op die vrijdag had ik nog een leuke
ontmoeting met een Franse boot. Dat ging heel vreemd. Ik ging naar de kuip om
weer even buiten rond te kijken en toen zag ik niet ver bij mij vandaag een
grote blauwe zeilboot die in tegenovergestelde richting ging. Dat vond ik toch
wel merkwaardig. Toen ik hem een paar minuten met mijn ogen volgde zag ik dat
hij een gijp maakte en weer op mijn koers kwam te liggen. Langzaam haalde hij me
in en binnen vijftien minuten lag hij langszij. Over en weer werden foto's en
film gemaakt en we zwaaiden hartelijk naar elkaar. Want het blijft bijzonder als
je elkaar op die grote plas tegenkomt. Ze gaven aan dat ze weer verder richting
de Galapagos gingen en ik gaf aan dat ik daar ook naartoe ging. Ben benieuwd of
ik ze in Wreck Bay weer tegenkom. Om 20.10 UTC passeerde ik de evenaar en heb
Neptunus een glas single malt whisky gegeven. Vervolgens heb ik zelf een glaasje
tot me genomen. Heel graag had ik in mijn marinecarrière de evenaar een keer
gepasseerd, maar het is slechts bij de poolcirkel gebleven. Aan de andere kant
is het mooier om het met je eigen boot te doen. En de ceremonie was er niet
minder om. We zullen de evenaar nog wel een keer passeren zodra we weer naar het
noorden gaan om terug in Europa te komen. Maar dat zien we dan wel weer.
Zaterdag
zag ik ineens de eilanden liggen. Wat is dat toch altijd een pracht gezicht als
je zolang vaart en alleen maar horizon ziet en dan ineens zie je eilanden in de
verte. Je weet dat het dan nog heel lang duurt voordat je bij die kust bent,
maar dat betekent ook dat je langzaam aan het idee kunt wennen dat je aan land
zult gaan. Begeleid door allerlei soorten vogels kwam ik tegen middernacht aan
en varend op de radar heb ik mij tussen de geankerde boten doorgewerkt. Ik
meende een scheepsromp te herkennen als de Franse boot Kajananas en niet veel
later riep Jean-Paul mij aan. Ik heb even bij hem gevraagd naar de ankergrond en
toen heb ik mijn anker vlak bij hem neergelaten. Uiteraard kun je dan niet
meteen slapen. Ik heb rustig het journaal ingevuld en heb die nacht zo'n vijf
uren geslapen. Dat is normaal, want je bent veel te opgewonden om lang in je bed
te blijven liggen. Om zes uur was ik dus al op en maakte mij klaar voor die dag.
Om acht uur zat ik bij Jean-Paul en Kaja aan de koffie en vertelden ze mij hoe
het er hier aan toe ging met inklaren en zo. Zij vertelden mij dat het heel
eenvoudig was, maar ook verschrikkelijk duur. Je hebt de keuze tussen binnen 24
uur weer vertrekken, of 400 dollar betalen en maximaal 20 dagen in de baai
geankerd blijven. Dat is dan 100 dollar voor een scheepsagent (zonder die doen
ze geen zaken met jou), 100 dollar voor de haven autoriteit, 100 dollar voor het
nationaal park waarin je ligt en 100 dollar voor immigration, douane,
veterinaire inspectie e.d. Als je dus met zijn tweeën bent dan moet je tweemaal
100 dollar voor het nationaal park betalen en ben je 500 dollar lichter.
Jean-Paul had een probleem met zijn windvaanstuurinrichting en vroeg om een dag
extra, dus twee dagen om het geval te kunnen repareren. Dat was prima, maar dat
was dan 500 dollar, want of je nu twee dagen of twintig dagen blijft, dat maakt
hen niet uit. Na twintig dagen moet je vertrokken zijn. Heel simpel. Uiteraard
vallen er kreten als geld uit de zak klopperij en zo, maar al snel realiseert
iedereen zich dat dit bezoek once in a lifetime is en dus zeer waardevol. De
mensen zijn hier heel vriendelijk, ook de autoriteiten, maar ze moeten gewoon
hun inkomsten hebben. Nou, genoeg hierover. Ik ben na mijn bezoek aan de
Kajananas meteen doorgegaan naar de Chenou, mijn Canadese vrienden. Met hen ben
ik het dorp ingegaan en zij hebben mij wat wegwijs gemaakt. Wat meteen opvalt
zijn de grote aantallen zeeleeuwen die hier overal rondhangen. Op de steigers,
in de boten, onder de valreep in de schaduw. Toen ik wakker werd op mijn boot op
zondagmorgen dacht ik dat er een hele grote familie naast mij was komen ankeren,
maar het waren de geluiden van die zeeleeuwen. Het is hier ook not done om je
rubberboot gewoon in het water te hebben liggen. Daar klimmen ze met zijn drieën
in en schijten de boel onder. Bovendien, en dat wist ik niet, scheiden ze nogal
wat haren af en wordt het een enorme stinktroep. Hier moet je je dinghy dus
echt de mast in hijsen en dat doe ik dus nu ook. Verder doe je eigenlijk het
verkeer naar de wal met de boottaxi want je dinghy aan de wal leggen is met die
zeeleeuwen echt niet vertrouwd. Ik heb me laten vertellen door degenen die hier
al langer liggen dat er geen criminaliteit heerst, dus dat is weer mooi
meegenomen. Die was er namelijk vroeger wel, dan werd er nog wel eens iets van
je boot gepikt als je het open aan dek had liggen. Ook dat heb ik weer van
vrienden die hier vroeger zijn geweest. Maar wie zegt dat dat geen collega
zeilers zijn geweest. Want ook dat komt voor.
Morgen om
tien uur komt mijn scheepsagent met de havenautoriteiten op bezoek voor het
inklaren. Het zullen zo'n vijf man in totaal zijn, dus een behoorlijke drukte.
En dan kijk ik wel hoelang ik hier wil blijven liggen. Mijn Canadese vrienden
gaan medio komende week door naar de Marquesas, maar die hebben hier nu al
twaalf dagen gelegen. En wat de Kajananas gaat doen dat heb ik nog niet van ze
gehoord. Maar groepen ontstaan en vallen even later weer uit elkaar, daar ben ik
in die vijf jaren wel aan gewend. Zo, nu ga ik snel dit reisbericht naar jullie
opsturen en dan vertel ik later wel hoe het hier gegaan is. Tot een volgende
keer.

Reisverslag 8. 2011
Henk Oosterwijk
Ik pak de
draad weer op vlak na de aankomst in Wreck Bay op het eiland San Cristobal,
onderdeel van de Galapagos eilanden. Ik kwam aan op zondag 1 mei en had
diezelfde dag al een scheepsagent. Dat is ook niet zo verwonderlijk, want ze
komen allemaal naar jouw boot om hun service aan te bieden. Omdat de prijs van
de eerste die kwam redelijk was, heb ik hem meteen genomen. En op maandag kwam
er een groep van vier officials aan boord met mijn agent. Dat is dan de
havenautoriteit, de immigratie ambtenaar, de gezondheidsdienst ambtenaar en de
douane. Mijn boot werd kort van binnen even geïnspecteerd en er werden wat
formulieren ingevuld. Na een kwartier verlieten ze mijn boot alweer en dat is
wel heel erg snel, want bij anderen had het wel meer dan een uur geduurd.
Misschien dat het geholpen heeft dat de marineman (havenautoriteit) toen ik hem
had verteld dat ik 32 jaar in de Nederlandse marine had gediend, meteen naar
mijn rang vroeg. Toen ik hem vertelde dat mijn rang kolonel was geweest, kreeg
ik van zijn kant alle respect die ik maar kon wensen. En wellicht daarom werd
het bezoek redelijk snel afgewikkeld.
Ik was
zondag al van boord gegaan en had met mijn Canadese vrienden in een restaurant
gegeten. Ze serveren eenvoudige maaltijden, maar daar is de prijs dan ook naar.
Voor drie dollar kun je al een maaltijd krijgen met een soepje vooraf, rijst met
groente en kip of vis als hoofdgerecht en een eenvoudig vruchtentoetje. Daar
wordt dan ook nog een behoorlijk glas vruchtensap bijgeserveerd. Ga je naar een
wat duurder restaurant dan is de kwaliteit beter en betaal je zes dollar. Later
hebben we ook nog eens 's avonds een barbecue restaurant bezocht en daar zou je
voor zeven dollar klaar zijn geweest. Wij hebben toe echter ruim besteld en
waren wat meer kwijt. Ik heb me laten vertellen dat dit eiland 10.000 bewoners
telt en dat die elkaar redelijk goed kennen. Toch vertelde de zoon van de man
die een nieuwe bootsmanhaak voor me heeft gemaakt dat het wel ieder voor zich is
op het eiland. Er is niet echt een gemeenschapsgevoel. Ieder probeert van de
toerist wat geld te ontvangen door een dienst aan te bieden. Dat kan zijn in de
vorm van eten, of wasserij, of watertaxi of anderszins. Je krijgt dus wel
constant het gevoel dat de dollars je zak uit vliegen. En dat is zeker zo wat
het geld voor de autoriteiten betreft. Je hebt de keuze uit 24 uur blijven, maar
dan moet je ook op stel en sprong vertrekken, of twintig dagen en dan betaal je
voor één persoon zo'n 400 dollar in totaal en ben je met twee personen dan
betaal je 500 dollar. Goedkoop is het dus niet, maar dat weet je al voordat je
hier aankomt. Het is het gesprek van de dag onder zeilers op de ankerplaatsen
bij het Panamakanaal.
Dan is er
nog iets curieus, namelijk de brandstofvoorziening. De bewoners kunnen voor één
dollar per gallon diesel kopen. De zeiler moet bij de havenautoriteit een papier
halen waarin hij toestemming krijgt om aan de pomp een door hem opgegeven
hoeveelheid te tanken voor vijf dollar en twintig dollarcent per gallon. Je hebt
dus toestemming nodig om vijf keer zoveel te betalen en te tanken. En werkelijk
absurd systeem, waar ik me behoorlijk aan heb geërgerd. Zo maakt Equador, waar
de Galapagos eilanden een onderdeel van is, het toerisme kapot. Aan de andere
kant gaat al dat extra geld naar de regering en de medische zorg is bijvoorbeeld
volledig gratis. Maar al met al vind ik het maar niets. Je krijgt namelijk sterk
de indruk dat je absoluut niet welkom bent. En zo ging ik na een week al weer
weg, omdat ik het wel had gezien met die vreemde regelingen. Ik moet nog wel
zeggen dat je meteen doorhebt dat je in een grote dierentuin verblijft, want als
je met de watertaxi naar de haven ging, dan moest je over de zeeleeuwen heen
stappen om bij de straat te komen. En ze zwommen ook de hele dag rondom je boot.
Een dinghy moest je uit het water hijsen anders namen zij er bezit van en zie ze
er maar weer eens uit te krijgen. Ze schrikken namelijk nergens van. En hoewel
het hele grappige beesten zijn, laten ze haren en uitwerpselen achter die
geweldig stinken. Maar ik zal er niet over klagen, want ze zijn maar één keer
kort in mijn rubberboot geweest toen ik op bezoek was bij een andere boot en
verder heb ik alleen maar om hun kunstjes moeten lachen.
Op zondag
8 mei vertrok ik met mijn Canadese vrienden van de Chenou en met een wederzijdse
Zwitserse kennis. De Kajananas bleef nog een tijdje op de ankerplaats want
Jean-Paul had een probleem met zijn rechteroor en met drie kiezen aan die kant
en die wilde zich hier gratis laten behandelen. De kiezen zouden worden
getrokken, hij had er immers al twee jaren last van. En dan zou dat probleem met
zijn rechteroor ook verdwijnen, zo werd hem verteld. Misschien zou ik hen later
nog weer tegenomen op de Marquesas eilanden want zijn boot is een stuk sneller
dan de mijne. Ik had met Robert van de Chenou een frequentie afgesproken voor
het dagelijks contact via de SSB radio. We zouden elkaar elke ochtend om 10.00
uur plaatselijke tijd spreken.
Die eerste
24 uren legde ik 98 zeemijlen af en daarmee was ik dik tevreden. Op maandag had
ik contact met zowel het Pacific Reef Runners Net als met de Chenou en de Alya
(Zwitser). En als het technisch mogelijk was, zou ik dat volhouden totdat ik op
de Marquesas aangekomen was. Het is ook een stuk veiligheid dat je dagelijks
contact met anderen hebt. De Chenou en de Alya lagen wat voor me, maar dat was
ook niet verwonderlijk omdat ik zoals bijna altijd het kleinste schip ben. 's
Morgens was er even wat minder wind, maar 's middags trok die gelukkig weer aan.
Met de lange tocht van Panama naar de Galapagos nog in mijn achterhoofd hoopte
ik toch echt dat die 3000 zeemijlen met wat meer wind gezeild konden worden. Ook
op de Pacific heersen passaatwinden net als op de Atlantische Oceaan. En als je
die eenmaal gevonden hebt, dan zit je op de snelweg met een constante harde wind
uit dezelfde richting.
Op
woensdag 11 mei was de wind inmiddels goed aangetrokken vanuit een vaste
richting en het leek er dus op dat de passaatwinden gevonden waren. 's Morgens
had ik contact met de Guppy, dat is de boot van Laura Dekker, het zogenaamde
zeilmeisje. Ik gaf haar gegevens door aan de boot Rythm die dagelijks probeert
contact met haar te houden. Wellicht vaart haar vader mee op die boot, ik meende
zoiets in het radiocontact een keer gehoord te hebben. Maar op deze woensdag kon
Rythm zelf geen contact met Laura maken en fungeerde ik als tussenpersoon. Ik
hoorde haar maar vaag, maar was toch in staat om haar positie door te geven en
de positie van Rythm aan haar. Ik moet zeggen dat het toch een speciaal gevoel
is als je midden op de Pacific aan Laura vraagt of alles "well is on board". En
gelukkig maakte ze het goed.
De
volgende dagen verlopen helemaal naar wens. Goede wind en ook uit de goede
richting. Ik kom geen boten tegen, maar heb dagelijks via de SSB radio wel
contact met allen die onderweg zijn naar de Marquesas.
Op
zaterdag 14 mei ontstaat er wat onrust in de vloot over hoge golven die door
twee depressies in het zuiden onze kant op gestuwd worden. We hebben het dan
over golven van vier meter hoogte. Sommigen denken dat door de afstand van de
depressies tot onze lokatie de tijd tussen de golven groot genoeg zal zijn om ze
niet gevaarlijk te laten zijn, maar anderen vertrouwen het toch niet helemaal.
Uiteindelijk blijkt het erg mee te vallen. Alleen van Laura Dekker weet ik dat
zij het in haar Weblog over 7 meter hoge golven heeft. Jean-Pierre spreekt over
3 meter hoge golven en dat hoor ik van meerdere zeilers die zich ver voor mij
bevinden. Zelf ervaar ik niets van die golven.
Op dinsdag
17 mei gaat het verhaal door de vloot dat een douaneboot iedereen bekeurd heeft
met 200 dollar boete die geankerd lag bij het eiland Fatu Hiva zonder eerst
ingeklaard te hebben op het eiland Hiva Oa. Wat is het geval? Fatu Hiva ligt
zuidoostelijk van het eiland Hiva Oa waar je moet inklaren. En als je na het
inklaren naar Fatu Hiva zou willen varen, dan moet je zo'n 35 zeemijlen op de
motor varen want het ligt in richting waarvandaan de wind komt. Velen gaan dus
illegaal voor anker bij het eiland Fatu Hiva en klaren pas later in op Hiva Oa.
De douaneboot van Hiva Oa maakt daarom soms een patrouilleronde naar Fatu Hiva
en bekeurt een ieder die daar illegaal ligt. Ik had al ruim vantevoren besloten
om rechtstreeks naar Hiva Oa te gaan en Fatu Hiva letterlijk links te laten
liggen. Je moet keuzes maken tijdens deze reis en alles zien gaat nu eenmaal
niet. Maar vele kennissen van mij zouden eerst naar Fatu Hiva gaan en probeerden
mij daarin mee te krijgen. Na de schrik van deze bekeuringen kiezen velen ervoor
om toch maar naar Hiva Oa te gaan. Ik vind zelf dat je niet moet spotten met 's
lands wetten en regels, misschien is dat de oud-militair in mij. Dus voor mij
verandert er niets door deze gebeurtenis. Overigens had ik op deze dag ook een
derde van de totale afstand tot de Marquesas afgelegd. Op naar de helft!
Op
woensdag 18 mei hoor ik 's morgens op het Pacific Reef Runners Net dat een ander
radionet contact met hen heeft gemaakt over een verdwenen catamaran. Deze
catamaran was onderweg van de Marquesas naar de Tuamotu Archipel en van de
bemanning had men al tien dagen niets vernomen. Enkele deelnemers van ons
radionet zijn momenteel op de Marquesas of al onderweg naar de Tuamotu Archipel
en derhalve was het verstandig van dat andere radionet om de boodschap ook via
ons radionet te verspreiden. Nu ligt de Tuamotu Archipel erg afgelegen van de
bewoonde wereld en daarmee bedoel ik dat het een groep lage atols zijn waar soms
niet vele verkeer en bewoning is. Als je wat pech hebt met je boot en je bevind
je op zo'n onbewoonde atol, dan kan het zijn dat anderen ongerust worden. Het is
mij ook onbekend of ze een SSB radio aan boord hebben, maar als bijvoorbeeld de
mast overboord gegaan is en je dus je achterstagantenne ook kwijt bent dan is
radiocontact onmogelijk. Ik hoop dat dit allemaal goed afloopt voor de bemanning
van die catamaran, maar het sterkt mij in het belang van de radionetten. In
ieder geval kijkt nu iedereen uit naar die catamaran. Al een paar dagen later
kregen we op het net de mededeling dat de catamaran terecht was en op zijn
bestemming aangekomen. Wat er onderweg met die catamaran gebeurd is hebben we
nooit gehoord.
Het
weekend van 21 en 22 mei trokken enorme buien over ons heen. Ik zeg ons, omdat
iedereen in mijn omgeving dit meemaakte en erover klaagde. Slagregen en hele
harde wind, tot wel 40 knopen, zowel overdag als 's nachts. Bij velen kwam er
weinig van het slapen, maar gelukkig was ik door mijn eerdere lange reizen
gewend geraakt aan slechte weersomstandigheden en sliep ik goed. Op zondag 22
mei had ik iets te vieren, want 's morgens was het moment gepasseerd dat ik twee
weken op zee was en 's middags passeerde ik de helft van de af te leggen afstand
tot Hiva Oa. Nu werd het dus aftellen, hoewel ik het prima naar mijn zin had.
Voor deze lange overtocht speelt het getal 20 een rol. Als je over die 3000
zeemijlen 20 dagen of minder doet, dan heb je het er heel goed afgebracht. Ik
wist vanaf het begin dat ik gewoon de volle 30 dagen of daar in de buurt nodig
had. Ik ben altijd met 100 zeemijlen afgelegde afstand per dag ruim tevreden. En
zo ging ik langzaam maar gestaag op mijn doel af. Maandag 23 mei zag ik voor het
eerst weer eens een groep dolfijnen rond mijn boot. Ze bleven niet lang bij de
boot, maar het was toch leuk om ze even op bezoek te hebben. Op het radionet
werd veel gesproken over gevangen vissen en welk aas ze daarvoor hadden
gebruikt. Er werd vooral Mahi Mahi (Dorado) en Tonijn gevangen met meestal een
klein (kunst)inktvisje als aas. Zelf was ik nog niet begonnen met vis te vangen.
Ik ben op zee geen sportvisser, maar vis alleen als ik de vis nodig heb.
Daarnaast sleep ik een Walker log achter de boot aan, om de snelheid door het
water goed te kunnen meten. Dan weet je ook of je stroming mee of tegen hebt,
als je de afgelegde afstand door het water vergelijkt met de afgelegde afstand
over de zeebodem. Het hele kleine schoeprad van de scheepslog die in de romp is
ingebouwd doet het vaak maar matig of helemaal niet, door aangroei op de romp.
Als ik wil vissen, dan moet ik mijn Walker log uit het water halen, anders
bijten de vissen niet maar worden door het log afgeschrikt. Voorlopig hoefde ik
nog geen vis te vangen om me van voedsel te voorzien. Ik had ruim ingeslagen in
Colon en op de Galapagos.
Na dat
weekend kwamen de eerste boten die meedoen aan het Pacific Reef Runners Net aan
op de Marquesas. Ook Laura Dekker was met haar Guppy op Hiva Oa aangekomen. Ze
had onderweg weliswaar haar voet geblesseerd maar het ging al weer beter met
haar. Ik ben benieuwd wie ik er allemaal tegenkom als ik daar aankom. Dat zal
nog wel even duren, want ik maak 100 zeemijlen per dag en op woensdag 25 mei
moest ik nog 1270 zeemijlen afleggen. Bij mijn bootje gaat het nooit zo snel,
maar ik ben altijd nog veilig aangekomen en dat is ook heel wat waard.
Op zondag
29 mei hoefde ik nog maar een afstand van 850 zeemijlen af te leggen naar Hiva
Oa. Het enige nadeel wat zich eigenlijk de hele route voordeed is dat de wind af
en toe van zuidoost naar het oosten draaide. Omdat bij een oostenwind de zeilen
aan weerszijden gezet moesten worden om een rechte koers naar Hiva Oa te blijven
varen en er hoge golven stonden, ging de boot dan naar beide zijden behoorlijk
overhellen. Je gaat dan als het ware schommelend door het water waarbij de wind
af en toe de zeilen laten klapperen. En dat gaat niet zachtzinnig, maar dat
kunnen af en toe behoorlijke knallen zijn. Gelukkig heb ik het zwaarste zeildoek
dat De Vries kon leveren, want daar had ik om gevraagd na mijn tocht in de
noordelijke wateren bij IJsland. Ik had daar mijn grootzeil verloren en dat zou
me niet nog een keer gebeuren. Dan maar wat langzamer varen, maar wel met alle
zeilen intact aankomen. Verder hoef ik bijna nooit te reven, hooguit de genua
als de boot te veel met het gangboord door het water gesleurd wordt en het leven
aan boord aangenamer te maken is door deze wat in te draaien. Maar goed, dat
schommelen ben ik wel gewend hoewel het op zo'n tocht van een maand op zich wel
vermoeiend is. Gelukkig werd het regelmatig afgewisseld met een zuidoostenwind
en ik heb zelfs een keer nooroostenwind gehad zij het maar heel kort. Dan kunnen
de zielen aan één kant staan en vaar je met ruime wind. De snelheid van de boot
is dan ook op zijn best. Mocht er nu een slimmerik zijn die zegt dat je dan toch
beter over die direkte koers (zgn. rumbline) kunt laveren dan zeg ik hem of haar
dat de extra mijlen die je dan vaart wel optellen. Als ik aankom heb ik nu al
3100 mijlen afgelegd i.p.v. 3000 door dat af en toe te doen. En het moet gezegd,
de Sogno d'Oro vaart prima voor de wind. De Alya, de boot van Zwitserse
Jean-Pierre, loopt bijna geen vaart als hij voor de wind vaart dus die was wel
gedwongen om een zigzag koers te varen en zo veel meer mijlen af te leggen. Ook
de Ariës windvaanstuurinrichting houdt de boot op voordewindse koersen prima op
koers. Het slingeren wordt alleen maar door de hoge golven die schuin van
achteren inkomen veroorzaakt.
Op
diezelfde zondag hoorden we ook dat een catamaran, de Galilea, een roer verloren
had op een positie zo'n 120 zeemijlen vóór mij. Iemand op het net vroeg zich af
hoe dat in godsnaam kan, maar dat kan ik hem wel vertellen. Ik had bij een
Duitse vriend die ook een catamaran had en in de haven van Andratx (Majorca)
voor anker lag net zoals ik, geholpen om een roerblad weer aan te brengen. Hij
dook onder het schip met het roerblad met steel en zodra hij dat door het gat
stak moest ik er snel een pen doorheen duwen zodat het bevestigd werd aan de
besturingsstangen. Bij rustig weer en terwijl de catamaran stil ligt zal het
roerblad een opdrijvend vermogen hebben en kun je je niet voorstellen dat het er
onderuit kan vallen. Maar als je zulke hoge golven hebt als hier op de Pacific
(3 tot 4 meter) dan komt soms het achterschip uit het water en kan dat roerblad
indien de bevestiging loslaat wel onder het schip vandaan komen. Ik denk dat het
's nachts is gebeurd, want dan komen de meeste squalls (regenbuien met heel veel
wind) over. Dan hoor je hooguit een dof geluid als het roerblad tegen de romp
slaat en vervolgens is hij echt weg. Zoeken is dan zinloos, want in die hoge
golven zie je hem al snel niet meer. Voor ons is het nu uitkijken naar dat
roerblad, maar ik denk niet dat iemand hem nog tegenkomt. Ze zullen een
noodconstructie moeten maken op de Marquesas en later bij een werf een
vervanging moeten laten maken. Gelukkig heeft een catamaran twee roeren, aan
beide drijflichamen één dus ze kunnen wel verder varen. Maar de navigatie zal er
niet makkelijker op worden. Je mist het evenwicht. Ik heb zelf een aangehangen
roer dat stevig geborgd is en bij een wereldomzeiling kan dat een voordeel zijn.
Je kunt het er makkelijker afhalen en vernieuwen. Laten we hopen dat het mij
nooit overkomt dat ik mijn roer verspeel want dan moet je met de boom voor de
genua een noodroer construeren en dat kost tijd. In een zeetje zoals er nu staat
geen kleine prestatie.
Ik was
trouwens gevraagd om op dinsdag 31 mei als netcontroller op te treden voor het
Pacific Reef Runners Net. En daar was ik best verguld mee in zo'n gezelschap van
Engelstaligen. Over het algemeen zijn het Engelsen, Canadezen, Australiërs en
Nieuw-Zeelanders die in het net participeren. En dat ik dan als enige
Nederlander gevraagd wordt is voor mij best een eer. Ik had dagelijks goed
geluisterd hoe het net gepresenteerd wordt en omdat het om veiligheid van de
vloot gaat is het belangrijk om de juiste procedure te hanteren. Bij aanvang
wordt er bijvoorbeeld eerst gevraag of er noodoproepen zijn en als je zelf niets
hoort of er anderen zijn die wel een oproep gehoord hebben. Vervolgens gaat dan
onder jouw leiding ieder schip zich inchecken met opgave van positie,
windrichting, windsterkte, koers, en hoogte van de golven. De melding wordt dan
altijd beëindigd met de medeling dat alles goed is aan boord en eventueel een
verzoek om na het net contact te hebben met een andere boot. Het betekent voor
de netcontroller dat hij goed moet luisteren en alles moet opschrijven. Als hij
vaag een boot zich hoort melden dan kan hij de hulp van andere boten inroepen
die een betere ontvangst van die boot hebben. En zo duurt dat een half uurtje
waarbij zich zo'n 20 boten of meer zich melden. Overal op de zeeën heb je
dergelijke netten en dat is maar goed ook, want ze zorgen voor een onderling
contact wat in geval van nood essentieel kan blijken te zijn. Uiteraard vragen
we ook of iemand een mooie vis heeft gevangen en hoer die smaakte. Het is niet
allemaal ernstig wat er aan informatie wordt gevraagd en doorgegeven. Het heeft
ook een sociale functie. Je kunt je niet voorstellen hoe je op die grote plas
uitkijkt naar dat dagelijkse kontakt. Soms wordt een bemanning opgepept als ze
in zware omstandigheden verkeren of als er iets kapot is gegaan. En in het
uiterste geval komt er assistentie van een andere boot met woord of daad. Want
dat is een regel op zee, je bent gehouden om bijstand te bieden. De schipper van
de ondersteunende boot moet dan uitmaken in hoeverre hij daarbij zijn eigen boot
en bemanning in gevaar brengt.
Dinsdag 31
mei was in meerdere opzichten een interessante dag. 's Morgens heb ik het
Pacific Reef Runners Net gepresenteerd en hadden we ook contact met boten die
net aangekomen waren op Hiva Oa. Die konden ons nuttige informatie geven voor
het ankeren in de baai. Het presenteren verliep gesmeerd en ik kon gelukkig de
juiste procedures volgen. Die had ik natuurlijk wel vooraf even op een papiertje
geschreven. En ik had de dag ervoor goed geluisterd wie zich allemaal melden en
die scheepsnamen met de namen van de schippers had ik ook op een papiertje met
ruimte voor details. En zo kon ik het lijstje afwerken totdat ik wist dat er
zich geen boot meer kon melden. Verder zag ik tegen het middaguur een enorme
tanker achter mij langs varen. De dichtste afstand tot mijn boot zal drie
zeemijlen zijn geweest. Het was het eerste schip dat ik onderweg tegenkwam. En
mijn radardetector had hem weer keurig opgepikt en gaf tijdig een alarmsignaal.
Over dat ding ben ik zeer tevreden en ik zou niet graag meer zonder uitvaren. En
ten slotte zag ik dat het touwwerk van mijn Ariës windvaanstuurinrichting
versleten was. Bij de blokken was slechts het binnenwerk van het touw nog in
tact, maar het buitenwerk was volledig versleten en hing erbij. Nu weet ik wel
dat al het touwwerk een keer verslijt en je nieuwe moet kopen, maar bij mijn
Ariës is dat dus nu voor het eerst na vier jaren varen. Deze lange oversteken
waarbij die windvaanstuurinrichting 24 uur per dag zijn werk doet en dat
gedurende vele weken achter elkaar leveren natuurlijk een enorme bijdrage aan
die slijtage. Voorlopig moet ik nog even met deze lijntjes doen, want ik denk
niet dat ze op Hiva Oa een nette scheepswinkel hebben met kunsttof lijnen in
soorten en maten. Wellicht heb ik dan toch op Tahiti meer geluk.
Als er
iets is waar een solozeiler beducht voor moet zijn dan zijn dat verwondingen.
Zelfs een klein sneetje kan wekenlang pijnlijk zijn omdat het in de zoute
omgeving niet snel geneest. Op woensdag 1 juni verwondde ik mijzelf toen ik de
boom van de genua weg wilde halen en mijn hoofd aan een borgpen van het bovenste
blok van de bulletalie openhaalde. Het was al schemerig en ik voelde op mijn
hoofd bloed. Toen ik naar mijn hand keek kon ik noch net zien dat het inderdaad
bloed was. Ik ben doorgegaan met het werk en toen ik weer in de kajuit was heb
ik met toiletpapier en wat water de wond goed schoongemaakt. Nu ziet het er
altijd ernstiger uit dan het is als je je hoofdhuid openhaalt. Het was slechts
een kras met twee wondjes. Het is niet de eerste keer en zal ook niet de laatste
keer zijn dat ik mijn hoofdhuid openhaal. Ik heb boven op mijn hoofd bijna geen
haar meer en zou eigenlijk altijd een petje moeten dragen om verwondingen te
voorkomen. Maar midden op zee doe je dat niet omdat zo'n petje makkelijk afvalt
of wegwaait. Op de wal heb ik altijd wel een hoofddeksel op tegen de zon en om
verwonding te voorkomen.
Donderdagochtend 2 juni had ik nog 525 zeemijlen te gaan tot Hiva Oa.
Jean-Pierre van de Alya schreef in een email dat het op Hiva Oa behoorlijk
regende. Blijkbaar was het goede seizoen nog steeds niet aangebroken.
Langzamerhand kwamen er steeds meer vragen uit de vloot die zich dagelijks
meldde op het Pacific Reef Runners Net over de ankerplaats en over Hiva Oa in
het algemeen. We probeerden via contacten op Hiva Oa die vragen beantwoord te
krijgen. Zo moeten niet Europeanen een borg betalen als ze op deze eilanden
verblijven. Die borg is zo hoog als een vlucht naar hun thuisland kost. Maar nu
is er een agent op Hiva Oa, met de mooie naam Sandra, die voor 90 US$ een soort
garantiebewijs afgeeft dat de autoriteiten op Hiva Oa ook accepteren. Je kon
haar gewoon bereiken via de marifoon op kanaal 11 als je was aangekomen op de
ankerplaats. Nou, dat soort informatie is voor sommigen in de vloot belangrijk.
Op
zaterdag 5 juni - ik was nu 27 dagen op zee - zag ik dat de kraanlijn (de lijn
die als het zeil naar beneden wordt gelaten de giek omhoog houdt) aan de
bovenkant pluizig was over zo'n twee centimeter. Op zich een klein detail, maar
niet onbelangrijk. Als je als solozeiler, de haven binnenkomend, het grootzeil
laat zakken en bovenop het kajuitdak staat om het zeil op te binden, dan zou het
heel vervelend zijn als de kraanlijn knapt en de giek ineens naar beneden zakt
op de sprayhood. Tijdens het opbinden van het grootzeil moet je je namelijk bij
slingeren van het schip vasthouden aan die giek. De grootschoot wordt strak
gezet en de kraanlijn goed aangetrokken zodat de giek niet heen en weer zwaait
maar een goed steunpunt vormt. Het knappen van de kraanlijn kan dus vervelende
personele gevolgen hebben. En waarom was die kraanlijn nu zo gesleten? Dat komt
omdat de bovenkant van het grootzeil een metale versteviging heeft en de
kraanlijn daar tegenaan zwaait. Ik neem de kraanlijn namelijk nooit weg als ik
onderweg ben, maar hij wordt ietwat gevierd. Om verdere slijtage te voorkomen
heb ik de kraanlijn wat aangetrokken. Als ik onderweg een goede scheepswinkel
tegenkom met goede lijnen dan zal ik de kraanlijn snel vervangen. En onderweg
moet ik de kraanlijn dus of strakker aanhalen of weghalen en op de mast binden.
Zo zie je maar waar je allemaal achter komt als je wat langer onderweg bent.
Zondagochtend heel vroeg kwam ik erachter dat gedurende de nacht de wind
ongemerkt (door mij) was gedraaid van Oostzuidoost naar Oostnoordoost. En dat
maakte met de windvaanstuurinrichting nogal een verschil in koers, want die
volgt gewoon de wind als hij eenmaal is ingesteld op een bepaalde invalshoek van
de wind. Ik zat 's avonds nog 3 zeemijlen boven de direkte koers (rumbline) naar
Hiva Oa en 's morgens zat ik er meer dan 10 zeemijlen onder. Ik had dus een hele
tijd veel zuidelijker dan naar het westen gekoersd. Dat is jammer, want dat zijn
allemaal extra mijlen die weinig opleveren. Het was een foutje van mij dat ik
dit niet had opgemerkt. Toch even een moment van verslapping van de aandacht na
zoveel zeemijlen zeilen. Misschien toch we goed dat het gebeurd is want daardoor
wordt je even weer met je neus op de feiten gedrukt en weet je dat je
geconcentreerd moet blijven. Ik zou volgens mijn berekening niet dinsdag maar
woensdag aankomen. Dat komt dan niet alleen door die ongewenste koerswijziging
maar ook door het wegvallen van de wind in de afgelopen twee dagen. Maar op
zondag trok de wind weer goed aan en met de zeilen aan beide zijden maakte ik
hele goede voortgang. Tegen het middaguur had ik nog 250 zeemijlen te gaan.
Overigens was er door de wijziging van koers in de vroege ochtend een
waterhouder met Brita filter omgevallen in de koelkast waardoor ik de koelkast
moest ontruimen en droog maken. Dat was ongeveer om vijf uur 's ochtends
plaatselijke tijd. Oceaanzeilen is een 24-uurs bedrijf, elk moment van de dag
kun je aan het werk gezet worden.
Op de
zondag zag ik ook vogels met een enorme spanwijdte wat de vleugels betreft. Ik
denk dat het fregatvogels waren, maar weet daar te weinig vanaf om zeker te
zijn. En ik zag een prachtige grote vis boven water uitspringen. Die was
duidelijk op jacht naar iets want hij was razendsnel. Het was een gifgroene Mahi
Mahi. En dit weet ik zo goed als zeker omdat ik genoeg met echte vissers
gesproken heb in de afgelopen tijd. Een prachtige vis, maar een worsteling om
hem aan boord te krijgen als je hem gevangen hebt. Hij was zeker een meter lang.
Ik heb tijdens het Pacific Reef Runners Net ook gehoord van de vangst van Blue
Marlins. Die zijn nog veel groter en niemand kreeg ze aan boord of wilde ze aan
boord hebben. Ze zijn steeds weer vrij gelaten. Je kunt niet uitzoeken wat je
aan de haak krijgt dus de vangst van een echte grote vis zit er altijd in.
Op dinsdag
7 juni, midden in de nacht, knalde de genuaschoot doormidden. Gelukkig wordt je
op zo'n moment ruimschoots gewaarschuwd door het lawaai van een klapperende
genua. Ik heb de kapotte stuurboords schoot binnengehaald en heb de andere
schoot overgehaald van bakboord naar stuurboord en door het oog van de genuaboom
gehaald. Ik had al wel gezien dat de lijn dunner was geworden bij het oog van de
genuaboom, maar omdat er een stevige kern in de lijn zit had ik gedacht dat hij
de Marquesas wel zou halen. Verkeerd gedacht dus. Maar ik had inmiddels al wel
een tip van een Duitser gekregen toen ik hem van de slijtage vertelde. Je maakt
eerst een meter lijn vast aan het schoothoekoog van de genua en daar maak je de
uiteindelijke genuaschoot aan vast. Als die meter lijn in het oog van de
genuaboom slijt vervang je hem door een nieuwe meter lijn. Slim, eenvoudig en
efficiënt. Als de Engelsen het hadden uitgevonden zouden ze zo'n lijn met
zekerheid een "sacrificial line" hebben genoemd, oftewel een lijn die opgeofferd
mag worden. Op de ankerplaats op Hiva Oa had ik alle tijd om zo'n constructie in
elkaar te zetten. Een mooi klusje, zoals er zich ook anderen opstapelden. Want
ik heb het al eerder gezegd, tijdens zo'n lange tocht kom je erachter waar het
slijt en hoe snel dat gaat.
De
afgelopen maand heeft de boot alleen maar met de wind van achteren of schuin van
achteren gezeild. Daarbij gaat het roer door de inwerking van golven voortdurend
heen en weer. Nu was er al wel wat speling in de ophanging van het roer, maar
dat is erger geworden. Je hoort nu tijdens het varen een gebonk als het roer
heen en weer beweegt. Ik kan daar pas naar kijken als ik op de ankerplaats van
Hiva Oa ben aangekomen. Het is een aangehangen roer en je kunt de roerpennen dus
goed zien. Ook de bussen waarin de pennen geborgd zijn kun je goed inspecteren.
Dat is altijd al het grote voordeel geweest van een aangehangen roer bij het
oceaanzeilen. Eventueel moet ik op een plek waar een werf voorhanden is de
ophanging van het roer verbeteren. Maar dat zien we dan wel. Eerst inspecteren
bij aankomst. Op Hiva Oa kan ik het wel vergeten om structureel iets aan het
roer te wijzigen. Het hoofdeiland Tahiti lijkt daarvoor een betere plaats. Daar
zie ik op de kaart ook steigers en die heb ik al een tijdje niet in de havens
gezien. Een werf zal er volgens mij ook wel zijn. Maar eerst maar eens een
grondige inspectie. Door de borging van de pennen kan het roer er niet zomaar
vanaf vallen. Dat zou het ergste zijn dat je kan overkomen. Het verliezen van
het roer. Al het andere kan worden verholpen. Het is wederom een voorbeeld van
onder welke slijtage het materiaal tijdens deze lange tochten is blootgesteld.
De hele
nacht van dinsdag op woensdag ben ik in de weer geweest. Er stond bijna geen
wind maar wel hoge golven. En dan gaat de boot natuurlijk enorm tekeer. Ik heb
steeds weer andere zeilvoeringen moeten uitproberen om op koers te blijven. En
nadat ik enigszins op koers bleef zag ik navigatielichten achter mij. Aan de
lichten te zien was het een zeilboot die op de motor voer. En dat bleek
inderdaad zo te zijn. Ik riep ze op via de marifoon en het was een Franse boot,
de Circe. Ze hadden de zeilen naar beneden gehaald en voeren hard op de motor
naar Hiva Oa. Met zes uur varen zouden ze aankomen. Dat betekende dat ze 6
knopen op de motor voeren want de afstand was nog 36 zeemijlen. Ik heb hen
verteld dat ik nog steeds zeilde en dus later op de dag zou aankomen. Dat vonden
ze stoer en ze wensten me een goede vaart en tot ziens op de ankerplaats.
Ja, en dan
het moment in de vroege ochtend, bij het opkomen van de zon, als je voor het
eerst je bestemming ziet. Het blijft toch altijd weer een ontroerende ervaring
als je na lang varen land in zicht krijgt. En dan vind ik zelf een eiland nog
weer anders dan een lange kustlijn van het vaste land. Een eiland is zo'n
wereldje op zich in the middle of nowhere. Ik word er altijd door vertederd. Ik
heb nog een heel stuk langs de kust gevaren, zeker zo'n tien zeemijlen voordat
ik op mijn ankerplaats bij Atuona was. En daar lagen vele bekenden en ging ik op
in de sociale evenementen. Genieten van dit eiland, dat zou ik zeker doen. Ik
had in totaal 3170 zeemijlen afgelegd in 31 1/3 dag, dat is een gemiddelde
snelheid van 4,2 knopen. Ik was er bijzonder tevreden mee. Wat er daarna
gebeurt, dat lees je in een volgend reisverslag.

11-07-2011
reisverslag no. 9
Henk Oosterwijk
Ik was op
woensdag 8 juni aangekomen op Hiva Oa en op vrijdag 10 juni
vertrok ik naar het 785 zeemijlen zuidwestelijk gelegen Papeete, de hoofdstad
van Tahiti. De ankerplaats bij Atuona op Hiva Oa was ronduit slecht. Grote
golven rolden zo de baai in. Er werd om ons heen met prauwen geoefend op de surf
van de golven, dus dan kun je je wel voorstellen dat het leven aan boord op die
ankerplaats niet geweldig was. Je moest in verband met de beperkte ruimte een
voor- en achteranker uit hebben staan en de boot trok door de deining tussen die
twee ankers heen en weer. De dinghy steiger was erbarmelijk. Hij was van beton
en de ijzeren staven met scherpe punten staken er uit. Je moest dus voor je
dinghy een achteranker gebruiken zodat hij niet met de surf zo tegen de steiger
gesmeten werd. Ach, eigenlijk was het allemaal heel ongemakkelijk. Maar eenmaal
aan land werd je zo door een auto meegenomen als je liftte naar het dorp en de
mensen waren heel vriendelijk. Er werd veel gelachen en gegroet. Je voelde je er
echt welkom. En Frankrijk doet veel voor de eilanden. De huizen en de openbare
gebouwen zien er netjes verzorgd uit. Ik heb boodschappen gedaan en viel
achterover van de prijzen. Een beetje brie, een stukje emmentaler, wat paté,
droge worsten en limonadesiroop en ik moest 140 US dollars betalen. Alles is wel
drie keer zo duur als bij ons thuis. Maar goed, na ruim 31 dagen op zee dacht ik
dat ik het me maar eens moest veroorloven. 's Avonds at ik bij mijn Ierse vriend
Connor en zijn vrouw aan boord en we maakten samen nog wat muziek, Connor op de
gitaar en ik op trekzak en concertina. Dat werd op de ankerplaats wel
gewaardeerd. De volgende dag heb ik ten afscheid bij mijn Canadese vrienden
Robert en Brigitte gegeten. En toen ik vrijdag bijna vertrok kwam daar nog de
Kajananas van Jean-Paul en Kaja aanzetten. Ik heb hen nog snel een verse
baguette met een klein blikje paté cadeau gedaan. Onder zeilers is het
gebruikelijk om de pas aan gekomen en een vers brood te geven
Toen ik
eenmaal buiten de baai gekomen was bleek er een enorme zee te staan. Golven van
drie tot vier meter hoog en een harde wind. Zo surfde ik op de golven van het
eiland weg en door de hoge bergen kwamen er af en toe valwinden van 40 knopen en
meer. Maar later had ik een constante oostenwind ruim van achteren tussen de 20
en 25 knopen. Als dat zo door zou gaan zou de tocht wel eens snel kunnen
verlopen. Ik moest dwars door de Tuamotu's heen en daar zijn in het verleden
veel schepen vergaan. En het gebeurt nog wel eens omdat er niet goed opgelet
wordt. De Tuamotu's zijn atols die dus omringd zijn door koraalriffen. En het
land is heel laag waardoor je soms veel te laat ziet dat je al dichtbij bent.
Met radar en gps gaat het tegenwoordig een stuk makkelijker maar er zijn tijden
geweest dat je met de zon in de rug de atol moest benaderen zodat je het rif kon
zien liggen. Dat is trouwens nog steeds een beproefde methode om het rif en de
doorgang op te zoeken.
Gedurende
het weekend waren de golven nog steeds erg hoog en de wind blies met een
constante 20 knopen uit het oosten. Maar op zondag braken de golven al minder
waardoor het leven aan boord een stuk aangenamer werd. Zondagmorgen zag ik dat
een vliegende vis recht in mijn grootzeil was gevlogen want zijn schubben zaten
nog op het zeil. Waar hij vervolgens gebleven is is mij een raadsel. Ik vond hem
in ieder geval niet op mijn dek. Als hij toch is ontsnapt zal hij het de rest
van zijn leven met wat minder schubben moeten doen. Of misschien groeien die ook
wel weer aan. Ik had een hele grote tros bananen gekregen op de ankerplaats van
Hiva Oa en toe ik die kreeg waren de bananen nog groen. Drie dagen later werden
de eersten geel en kon ik gaan eten. De hele tros werd in no time geel en je
moet dus flink bananen eten voordat ze bederven. Ik had de grote tros in mijn
kuip liggen en als ik zin had zat ik in de kuip wat bananen te eten. Ze zijn
maar heel klein, dus drie kun je wel op in één keer.
Op de
ankerplaats op Hiva Oa had ik een onderdeel van mijn Ariës
windvaanstuurinrichting verloren. Ik heb er nog naar gedoken maar het water was
daar te troebel om iets te kunnen zien op de bodem. Bovendien zijn daar haaien
en die waren ook daadwerkelijk gesignaleerd. Ik heb het niet zo op haaien dus ik
heb snel de boot rondom even wat schoongemaakt en ben toen weer snel aan boord
gegaan. De as waarop het blad van de windvaan met lagers heen en weer kan
draaien was spontaan uit de gaten van de rest van de constructie geschoven
waardoor een vulstuk het water in viel. De inbusboutjes waren na zoveel jaren
wat los gaan zitten. Ik heb met rip-ties de boel improvisorisch kunnen
repareren, want wat dat vulstuk doet is voornamelijk de lagers op zijn plaats
houden. Opgevuld met een aantal rip-ties op de as ging dat nu ook. Op dit moment
vaar ik er al weer dagen mee en het lijkt te werken. En zo zul je onderweg veel
improvisorische reparaties moeten doen met de middelen die je op je boot kunt
vinden. Het aardige is dat als iemand naar je boot kijkt hij niet weet waar deze
reparaties zich bevinden en hoe lang die het al volhouden. Alleen jij weet dat,
maar elke zeiler heeft dat soort reparaties op zijn boot.
Dan nu
tussendoor even iets over mijn reis. Ik weet wel dat er velen zijn die eenmaal
in hun leven met hun boot de Pacific bezoeken en daar dan ook drie tot wel vijf
jaren eilanden willen bezoeken. Het leven ziet er dan als volgt uit. Beetje het
eiland bekijken, wat boodschapjes doen, nu en dan even zwemmen, bij elkaar op
bezoek gaan en vooral bij zonsondergang de sundowners achterover slaan (en dan
bedoel ik alcoholische drankjes) en de volgende dag hetzelfde. Ik zou mijn tijd
zo niet kunnen doorbrengen en heb dus een heel ander plan. Ik ga proberen om
binnen twee jaren de wereld rond te zeilen. Als dat lukt dan zou ik volgende
zomer weer terug zijn in Nederland. Ik doe dat niet om een of ander record te
vestigen, want anderen hebben dat veel sneller gedaan. Ik doe dat omdat ik
altijd reizen van twee jaren heb gemaakt en waarom zou ik dat nu niet ook doen.
Onderweg kom ik genoeg leuke eilanden tegen waar ik een korte of langere stop
zal houden. Het geeft me ook een doel en dat heb ik altijd nodig. Om het hele
vaarschema hier uit te leggen dat neemt teveel papier in beslag, maar ik kan wel
zeggen dat ik in december of januari in Kaapstad zou moeten zijn. Want ik plan
mijn reis langs Zuid-Afrika en niet de Middellandse Zee. Dat laatste doe ik niet
om Somalië en zijn piraten te vermijden. Ik heb het niet zo op die streek, maar
als ik een groep tegenkom die daar langs gaan varen in konvooi met wellicht nog
marineschepen erbij, dan ben ik wellicht over te halen om mijn reisroute te
wijzigen. Gebeurt dat niet dan ga ik mooi rondom Kaap de Goede Hoop. Wat velen
zich niet realiseren is dat je door de orkaanseizoenen slechts de keuze hebt om
de reis in twee of in drie jaen of meer te doen. Er is geen tussenweg. Als je in
die twee jaren niet op een bepaalde plek op de aardbol bent, dan zul je je tijd
uit moeten zitten totdat je verder kunt in verband met de orkanen. En dan praat
je niet over een paar maanden maar al snel over een halfjaar. En omdat die
orkaanseizoenen verschillend zijn over de aardbol moet je je reis heel
nauwkeurig qua tijd plannen. Gelukkig heeft Jimmy Cornell dat in zijn boek Worl
Cruising Routes al voor ons oceaanzeilers gedaan. In zijn boek kun je precies
lezen waar je op welk moment moet zijn. En dat is tijdens deze reis mijn Bijbel.
Inmiddels
waren er twee catamarans die hun roer verloren hadden op de overtocht van de
Galapagos naar de Marquesas. Er werd over de radio dus druk gecommuniceerd over
lasmogelijkheden op Hiva Oa of Nuku Hiva. Op Hiva Oa was een kleine legerbasis
en voor noodsituaties waren zij bereid om laswerkzaamheden te verrichten. Ik
hoorde zelfs dat ze dit gratis deden, omdat een dergelijke klus hen in ieder
geval wat te doen gaf en ze zich blijkbaar verveelden. Als een catamaran een
roer verliest heeft ze altijd nog een tweede. Als een monohull een roer verliest
moet hij een noodroer maken met behulp van een genuaboom en een blad. In een
noodgeval zou ik daar het servoroerblad van mijn Ariës windvaanstuurinrichting
voor gebruiken. Dat is stevig genoeg voor een roerblad. De genuaboom moet je dan
met behulp van touwen scharnierend aan het hekwerk vastmaken. Ja, en dan blijft
er niets anders over dan uren achter elkaar aan het roer te staan. Om te rusten
zou je dan af en toe moeten gaan bijliggen. Door een bepaalde stand van de
zeilen en het roer parkeer je de boot dan als het ware voor een tijdje. Is ook
een beproefde methode om een storm te doorstaan.
Ik was in
een hogedrukgebied terechtgekomen, vlakbij het centrum daarvan, en had
nauwelijks wind. Woensdag 15 juni had ik in de afgelopen 24 uren 56
zeemijlen afgelegd. Maar ik klaagde niet, want ik voer in een van de mooiste
zeilgebieden in de wereld. Ik was inmiddels bij de Tuamotu's, een gebied van
atollen, terecht gekomen. De eerste kleine atol Tikei was ik 's nachts
gepasseerd en het zou niet lang meer duren of ik zou midden tussen de grotere
atols varen op mijn weg naar Tahiti. Ver zuidelijk in deze atollenreeks doet
Frankrijk nog steeds zijn atoomproeven. Ondanks protesten van de polynesiërs en
eigenlijk de hele wereld gaat Frankrijk nog steeds door met die proeven.
Wellicht dat Frankrijk daarom heel Frans Polynesië zo ruim voorziet van
financiën. Want als de spullen op deze eilanden drie tot vier keer zo duur zijn
als bij ons thuis, dan moeten de verdiensten van de Polynesiërs wel geweldig
zijn. En al dat geld komt uit Parijs.
Nu dan
toch even het thema van het motorsailen bij de kop pakken. Als je tijdens het
oceaanzeilen in een windstilte terecht komt, dan is de verleiding groot om te
gaan motorsailen. Je houdt dus de zeilen op en doet daarbij de motor aan. Maar
voordat je het weet heb je in een paar dagen je dieselvoorraad opgemaakt. Dat
gebeurde dus ook tijdens de Atlantische oversteek bij sommige boten van de ARC.
Paniekberichten kwamen binnen van boten die hoopten dat er boten bij hen in de
buurt waren omdat ze nog maar heel weinig diesel over hadden. Mijn advies aan al
deze schippers is, heb geduld en zit de windstilte uit. Wind komt er altijd, het
is slechts een kwestie van wachten. Die diesel heb je nodig om stroom te draaien
en je accu's op te laden. Een oceaanzeiler die lange tijd gaat motorsailen is
verkeerd bezig. Op korte afstanden zou je het kunnen doen, maar dan komt de eer
van de zeiler om de hoek kijken. Het wordt nog steeds als onwaardig beschouwd
als je lang op de motor vaart als zeiler. Ik weet nog hoe tijdens het
radioverkeer tussen de ARC-boten om de boel wat op te leuken, de vraag werd
gesteld aan een ieder hoeveel hij de motor had gebruikt voor de voortbeweging.
Die vraag werd maar zelden beantwoord en er was zelfs een zeiler die zei dat dit
een impertinente vraag was die niet gesteld mocht worden. Engelsen kunnen dit zo
mooi zeggen in hun taal zonder iemand uit te schelden. Maar de boodschap was
duidelijk, deze vraag werd niet op prijs gesteld. Maar nog steeds wordt onder
zeilers na een lange overtocht gevraagd hoeveel dagen de overtocht geduurd had
en hoe lang de motor daarbij was gebruikt. Het gaat om vergelijkingsmateriaal
waarbij ze dan hopen dat zij minder dagen nodig hebben gehad en minder de motor
hebben gebruikt. Dat zou dan moeten aantonen hoe geweldig hun boot is en hoe
geweldig de schipper is. Ik houd mij daar verre van, want daar ligt mijn
belangstelling nu helemaal niet. Met zo min mogelijk schade van A naar B zien te
komen, daar komt het wat mij betreft op aan.
Op
woensdagavond zag ik op een gribfile dat de wind tot zondag 5 knopen of minder
zou zijn. Ik was nu nog zo'n 50 zeemijlen verwijderd van de grote atol Fakarava
en had via de SSB radio al gehoord dat daar meerdere boten geankerd lagen. Ik
had die avond ook van een boot gehoord dat hij daar betere wind afwachtte en dat
het nutteloos was de komende twee dagen Papeete te bereiken op zeil. Nu moest ik
dus beslissen of ik Fakarava zou aandoen of toch door zou zeilen met een
minimale snelheid van 1.5 tot 2 knopen naar Papeete. Ik had besloten de volgende
dag bij dageraad en als ik dichter bij Fakarava zou zijn te beslissen of ik een
stop zou inlassen. Ik zou daar natuurlijk mooi mijn boot schoonmaken. Want in
verband met de haaien had ik dat niet kunnen doen op de ankerplaats op Hiva Oa.
Ik ben
inderdaad de volgende ochtend de atol Fakarava binnengegaan en heb daar
geankerd. Voordat ik op mijn ankerplaats was zag ik op een mooi plekje eerder in
de atol een catamaran liggen. Toen ik op de kaart keek zag ik dat de diepte daar
vlakbij een strand vijf meter was terwijl de reguliere ankerplaats wel vijftien
meter diepte had. Ik verkoos het dus aanvankelijk om bij dat strand te gaan
liggen. Toen ik bijna bij dat strand was kwam de catamaran me tegemoet, ze
gingen weg. Ik vroeg hem nog hoe de bodem was en of dat zand was. Hij
antwoordde, het was een Fransman maar hij sprak Engels, dat het inderdaad
zandgrond was met hier en daar een koraalrots maar die zou je duidelijk zien.
Toen ik echter verder voer zat ik ineens tussen allemaal koraalrotsen die of een
paar meter of slechts een halve meter onder water staken. Ik voer gelukkig heel
langzaam, maar het was al te laat. Ik ramde een koraalrots hetgeen een schrapend
en afbrokkelend (gelukkig) geluid maakte. Ik schrok me kapot. Dit was helemaal
geen goeie ankerplaats, het was hier bloedlink. Ik zette snel de motor in de
achteruit en zo manoeuvreerde ik de boot weer uit dit mijnenveld van
koraalrotsen. Ik heb mezelf behoorlijk de schuld gegeven van dit voorval, want
er is een regel dat je als schipper je nooit moet laten beïnvloeden door wat
anderen doen. Ik had gewoon naar de ankerplaats moeten gaan die op de kaart
stond aangegeven en niet nadoen wat die Fransman in zijn vermetelheid had
gedaan. Want dat hij niet met die breede boot een stuk koraalrots heeft geraakt
is mij een raadsel. Misschien heeft hij er trouwens bij binnenkomst ook wel een
geraakt. Maar toen hij wegvoer deed hij dat met grote snelheid, ik denk dus dat
hij gewoon heel veel risico nam. En dat had ik nu juist niet moeten doen. Moet
je je voorstellen dat voorlopig hier je grote reis eindigt omdat je polyesther
boot door een koraalrots wordt open gespiest. Want scherp waren ze, die rotsen.
Toch bleek gelukkig bij nader onderzoek op de reguliere ankerplaats dat er geen
beschadiging aan de romp was. Het is toch een beste stevige boot, zo'n
Oostzeejol.
Op
dezelfde dag ben ik begonnen de romp van onderen schoon te maken. En de volgende
dag heb ik die klus afgemaakt. Want het was een best karwei. Op de
donderdagavond had ik mijn buren, een Deens stel, op bezoek. Ik kreeg van
hen vers brood, chocolaatjes en Nieuw-Zeelandse kaas. We hebben ervaringen
uitgewisseld en daar zaten weer een paar bijzonder leerzame bij. Zo bleek dat je
op deze ankerplaats op moest passen met je ketting. Als de boot door
veranderingen in windrichting rond ging draaien dan wilde de ketting nogal eens
om een koraalrots vast gaan zitten. Zij hadden dat al tweemaal gehad. En door
puur toeval kon je op één dag de bodem goed zien en konden ze precies zien hoe
ze door met hun boot een cirkel te varen weer los konden komen. Het water was
namelijk wel helder, maar bij de bodem was het toch melkachtig wit en kon je
niet goed zien. Om te voorkomen dat je ketting vast ging zitten, was het op deze
ankerplaats gebruikelijk om elke vijftien meter ketting een stootwil eraan vast
te maken zodat onder water de ketting werd opgetild. De diepte was vijftien
meter dus je moest al snel vijftig meter ketting steken. Dat was ook precies het
maximum dat ik aan boord had. Maar die truc van die stootwillen zou ik
onthouden, die kon nog wel eens van pas komen. Toen ik er lag draaide de flauwe
wind die er was niet en ik kon op een helder moment zien dat mijn ketting gewoon
over het zand lag. Ik heb er dus geen stootwillen aan vast gemaakt omdat dat nu
niet nodig was.
De
gribfiles gaven aan dat er zaterdag 18 juni in de namiddag weer wind zou zijn.
Het moment tussen hoog en laag water was om 16.12 uur lokale tijd, had ik
berekend. Dat zou dus een goed moment zijn om de reis voort te zetten naar
Papeete. Ik had van de Denen gehoord dat omstreeks de 25 juni er een soort
bijeenkomst van boten was in Papeete en dat dan alles wel propvol zou zijn.
Wellicht kon ik nog proberen om dat voor te zijn. De volgende dag, zaterdag 18
juni stond er ´s morgens al een mooie wind dus ik besloot om zes uur eerder te
vertrekken in verband met het getij. Toen ik echter bij de uitgang aankwam zag
ik witte koppen op de golven. Toch heb ik de Sogno d´Oro er doorheen gestuurd.
Het waren korte drie meter hoge golven, maar de Oostzeejol ploegde er zich
doorheen als een ware reddingsboot. Het was gelukkig maar een stukje van zo´n
halve zeemijl en ik liep een vaart van 6 tot 7 knopen. Achteraf gezien zal het
een uurtje later rustiger zijn geweest, maar ik had nu eenmaal doorgezet en
moest er even doorheen. Nadat ik weer in wat rustiger vaarwater was gekomen zag
ik dat er toch water in de kajuit was gekomen. Het luik was weliswaar goed
afgesloten maar er had een paar maal massief water op het kajuitdak gestaan dat
had blijkbaar toch zijn weg door het luik gevonden. Ik zal de rubbers nog eens
controleren als ik geankerd lig bij Papeete. Het water was op de tafel terecht
gekomen en het was gelukkig niet veel. Maar het was wel precies op mijn kleine
notebook gekomen die ik voor het navigeren gebruik. Nu vertoonde mijn notebook
al kuren en het navigeren met de cursor was steeds moeilijker geworden. Snel heb
ik mijn laptop te voorschijn gehaald waar dezelfde programma´s op staan en al
snel had ik de elektronische kaart met mijn bootje daarop weer op het scherm. Ik
zal toch moeten kijken of ik ergens een vervanger voor de notebook kan kopen
want je moet altijd een back-up hebben als je met elektronische kaarten werkt.
Want bij het opstarten van mijn notebook, nadat ik hem een uurtje in de zon had
laten liggen, ging weliswaar nog lang genoeg om mijn laatste reisverslag ervan
af te halen, maar het scherm viel al regelmatig uit. Nu laat ik hem rusten en
zie wel of hij nog weer bij zinnen komt. Maar ik verwacht er niet veel meer van.
Oceaanzeilen is van A naar B varen met zo min mogelijk schade. Schade zal er
altijd zijn en daar moet je je nu eenmaal bij neerleggen.
Op zondag
19 juni kreeg ik grote regenbuien over me heen met veel wind. De golven waren 2
tot 3 meter hoog en het was een warrige zee. Toch ging de boot er met 5 tot 6
knopen doorheen en maakte ik hele goede voortgang. Toen ik op mijn favoriete
plekje in de kajuitingang zat en een beetje naar het dek tuurde - je bent altijd
bezig met het inspecteren van het materiaal - zag ik een donkere streep in een
hoek van de mastvoet. Ik ging op onderzoek uit en het bleek inderdaad een vijf
centimeter lange scheur in de roestvrij stalen constructie te zitten. Op de
andere hoek zat ook het begin van een scheurtje. Dit zou ik moeten laten lassen.
Ik zou kijken of er in Papeete een goede mogelijkheid is en anders onderweg in
een andere haven. Wellicht was dit gebeurt tijdens het wildwatervaren bij het
verlaten van de atol Fakarava. Toch ook weer een punt van aandacht: een
versterkende manchet laten lassen om de mastvoet.
Maandag 20
juni
was ik nog maar 15 zeemijlen verwijderd van Papeete toen ik op het Pacific Reef
Runners Net Geoff van de boot Duetto hoorde en hij lag geankerd voor de marina
Taina op Tahiti. Toen ik hem om informatie vroeg gaf hij mij aanwijzingen om bij
die marina te komen. Ik moest een landingsbaan tweemaal kruisen en daarbij
toestemming vragen aan Port Control en dan zou hij bij de marina met een gele
dinghy me tegemoet komen en naar een ankerplaats leiden. Zo gezegd, zo gedaan en
het was maar goed dat ik daar naartoe ben gegaan want via de marifoon hoorde ik
een boot die naar het centrum van Papeete ging, maar vanwege de omstandigheden
daar er toch voor koos om naar marina Taina te gaan. In het centrum van Papeete
was het overvol en je lag meteen aan een rumoerige weg. De marina Taina was
ideaal voor mij. Je kon je dinghy veilig achterlaten in de marina. Met het
uitklaringsbewijs kon je in de marina bij het tankstation belastingvrij diesel
tanken. Een hele grote Carrefour (supermarkt) was op tien minuten lopen van de
marina, een McDonald op vijf minuten afstand en tegenover de Carrefour een
bushalte voor de bus naar de stad Papeete. De eerste dag ben ik meteen inkopen
gaan doen bij de Carrefour. Het is op het eiland erg duur, maar de kwaliteit is
prima. Ik heb ruim Franse kaas ingeslagen en kant en klaar maaltijden. Daarna
ben ik bij de McDonalds een grote hamburger met patat en cola gaan eten. Het is
gek, maar daarnaar verlang je als je dagenlang op zee zit en voornamelijk
voeding uit blik eet. En toen heb ik de gescheurde mastvoet omwikkeld met nylon
touw. Om 17.00 uur zat ik met Geoff en zijn vrouw Pat (Nieuw-Zeelanders) voor
een happy hour in een bar en ontmoette daar vele andere zeilers. De volgende dag
ben ik gaan inklaren en uitklaren in Papeete. Het uitklaren had ik gedaan met
als opgave dat ik de volgende dag, de woensdag, zou vertrekken naar
Tonga. De rest van de dinsdag heb ik weer in Carrefour doorgebracht en ik
heb twee boodschappenwagens naar de marina vervoerd. Op woensdag heb ik
water en diesel geladen en nog wat laatste klussen aan boord gedaan, zoals het
vervangen van de lijnen van de Ariës. De marina had namelijk ook een kleine
watersportwinkel en die verkochten hoogwaardige lijnen. Ik moest voor 10 meter
60 US dollar betalen (ik mocht in dollars betalen) maar de kern van deze lijnen
was niet het goedkopere polyesther maar een materiaal dat niet rekt. En voor
mijn Ariës is het beste materiaal gewenst, immers hij stuurt terwijl ik mijn
handen vrij heb. Woensdagochtend stond er geen zuchtje wind, maar op een
gegeven moment verschenen er wat wolken en kwam de wind opzetten. Daar heb ik
gebruik van gemaakt en ik ben door een kleine uitgang ten zuiden van de marina
naar buiten gezeild. Bij die uitgang kon je links en rechts surfers zien die op
de hoge golven hun kunsten vertoonden. Maar bij de uitgang was het water normaal
en waren geen golven te zien. Ik zat rustig in de kuip toen ik ineens met een
enorme kracht door de kuip gesmeten werd. Ik kwam met mijn borst tegen de
kajuitingang en bezeerde me daarbij lelijk. Het zal me zeker een paar gekneusde
ribben opgeleverd hebben. Het moet een grondzee geweest zijn die de boot zo
abrupt gestopt heeft, want ik heb de grond niet geraakt en ook geen voorwerp.
Later heb ik deze gebeurtenis op het Pacific Reef Runners Net verteld zodat
anderen gewaarschuwd zijn als ze daar naar buiten varen. De rest van de dag was
het moeilijk varen. De wind kwam tussen de eilanden van alle kanten en de golven
ook. De motor moest bijgezet want de wind was maar 5 knopen sterk. En zo heb ik
de rest van de dag en de nacht doorgevaren met een laag toerental en een
snelheid van 3,5 knoop. De volgende ochtend kon ik dan eindelijk weer zeilen. De
wind was weliswaar nog steeds matig, maar de zee had zich bedaard en de wind was
voldoende om een snelheid van 3 knopen te halen. En dat is voor mij voldoende.
Ik had
heerlijk eten aan boord en ik heb het er goed van genomen. De eerste avond at ik
witte rijst met kippevlees in Uncle Ben's Sweet and Sour Sauce en ik at ook
regelmatig een stuk baguette met Roquefort. Een paar kiwi's of een appel na, en
de maaltijden waren compleet. Het was echt genieten.
In de
nacht van donderdag 23 juni op vrijdag 24 juni vond ik eindelijk
de goede wind. Hij blies nu met 15 knopen uit een constante richting en de boot
deed meteen 5,5 knopen. Als de Oostzeejol goede wind krijgt uit een gunstige
hoek dan speert ze ook over het water. Ik zou het ook gezien zijn vorm een
werkschip willen noemen. Absoluut geen wedstrijdboot, maar een veilige solide
boot die met de juiste wind heel wat mijlen kan maken. En als oceaan- en
cruisezeiler ben je daar veel meer in geïnteresseerd dan in een lichte
wedstrijdboot. Nu ken ik wel de voordelen van het je snel kunnen verplaatsen. Je
kunt soms met een hoge snelheid zelfs stormen ontlopen. Maar het lichtere
materiaal geeft op lange afstanden toch de nodige problemen. Dan liever klein en
stevig. Maar genoeg hierover, ieder zijn voorkeur.
De dagen
daarna bleef de wind krachtig en dat zorgde voor dagafstanden van 114 en 123
zeemijlen. Ik kreeg wel even flink last van mijn gekneusde ribben op
vrijdagavond, het ademen was pijnlijk en liggen was helemaal niet te doen. Maar
met wat paracetamol had ik de dagen daarna toch een goede nachtrust en kwamen de
ribben tot rust. Als solozeiler zit je niet op dit soort blessures te wachten.
Maar het is niet de eerste keer dat ik ergens tegenaan geslingerd ben. Meestal
levert dat een pijnlijke blauwe plek op, maar deze keer was het dus even wat
heftiger.
Ik
stevende nu af op de datumgrens. Die ligt fysiek weliswaar op 180 graden
westerlengte, maar Tonga en Fiji hebben zich aangepast aan Nieuw-Zeeland en
Australië en gebruiken dus diezelfde datum. Dat betekent dat als ik in Tonga
aankom ik een dag kwijtraak. Het is dan niet twaalf uur vroeger dan bij jullie,
maar twaalf uur later. En dat verschil is dus precies een dag. Verder zal ik me
in Tonga moeten aanpassen aan de diep religieuze cultuur. Op zondag wordt niet
gewerkt en de vrouwen bedekken altijd hun schouders terwijl de mannen lange
broeken en overhemden dragen. Dit is allemaal boekenwijsheid en ik zal dus eerst
bekijken hoe de huidige situatie is.
In het
weekend zag ik op de gribfiles dat de wind naar het noorden zou draaien en zou
gaan liggen gedurende meerdere dagen. Op de kaart zag ik dat ik twee Cook
eilanden - die staan onder protectie van Nieuw-Zeeland - zou passeren. Ik zou
dus als er echt windstilte zou optreden daar een stop kunnen inlassen. Weliswaar
moest ik op maandag nog een 900 zeemijlen tot Tonga en lag Niue, één van die
Cook eilanden op 200 mijlen van Tonga, het andere eiland lag op 100 zeemijlen
van mij vandaan. Het heet Aitutaki en de ingang en de atol zelf is bijzonder
ondiep. In het pilotboek wordt gesproken over 1,80 meter en soms iets ondieper
vanwege getijden of wind. Nu heb ik maar 1,25 meter nodig, maar ik zou rustig
kijken hoe de situatie was wat het weer betreft als ik er in de buurt zou komen.
Ondertussen had ik zondagavond op een Engels net gehoord dat de Guppy van Laura
Dekker zich nog bij Bora Bora bevond en op weg was naar Niue. Ze lag 300
zeemijlen achter mij. Vanuit Tahiti was zij naar Bora Bora gegaan, terwijl ik na
Tahiti meteen was doorgereisd richting Tonga. Ik probeerde op het net nog een
relay voor haar te doen omdat ik haar zacht hoorde en de netcontroller helemaal
niet, maar haar zender is niet krachtig genoeg en vervormt snel. Ik kon dus
alleen de scheepsnaam horen en een ander die dichter bij haar in de buurt was
moest overnemen.
Het leuke
van dit oceaanzeilen is dat je lang onderweg bent en tijdens zo'n overtocht tijd
genoeg hebt om veel te lezen over je nieuwe bestemming. Ik heb daar diverse
boeken voor en ook op de computer heb ik bestanden met informatie daarover. Soms
zoek je naar een specifiek item, of ze bijvoorbeeld in de haven een tankstation
hebben, of dat ze een watertap hebben en het water drinkbaar is. Meestal kun je
dat soort informatie wel vinden. Maar vooral ook hoe de haveninvaart is en waar
de gevaren liggen. Tonga heeft inhammen als Noorse fjorden en je moet goed
oppassen waar je vaart. Ik vond zelfs verslagen van schepen die er geweest waren
en uitvonden dat de elektronische kaarten niet altijd klopten. Meestal was het
dan zo dat je verkeerde informatie van die kaarten kreeg als je niet voldoende
inzoomde. Als ik een haven binnen vaar zet ik hem altijd op de grootste stand
die nog nieuwe informatie biedt. En dan centraliseer ik de pointer zodat die
gewoon tijdens het varen meeloopt en ik niet mijn kajuit in moet duiken voor het
nieuwe plaatje. Ik heb daar zo mijn technieken in ontwikkeld. Het is
bijvoorbeeld ook belangrijk dat je je computer zo instelt dat hij niet ineens in
een slaapstand gaat staan of dat de screensaver aanslaat. Dat kun je echt niet
hebben als je een moeilijke haven invaart. Maar ik heb het allemaal al een keer
meegemaakt en ervan geleerd. Die twee voorbereidende jaren vóór deze grote reis
hebben veel opgeleverd. Maar eerlijkheidshalve moet ik wel toegeven dat ik toen
ook niet had durven hopen dat ik echt nog eens om de wereld zou zeilen. Dat plan
is langzaam gegroeid en pas in het Caribisch gebied is het werkelijkheid
geworden.
Toen ik
dichtbij die kleine atol Aitutaki was - ik zou een omweg van 25 mijlen naar het
zuiden moeten maken - had ik nog steeds 15 knopen wind. Die was weliswaar
inmiddels verder naar het noorden gedraaid en werd zelfs noordwest, maar ik had
nog steeds een bezeilde koers. Ik ben dus niet gestopt en gewoon verder gezeild
naar mijn bestemming Neiafu op Tonga. Op dinsdag, later op de dag draaide
de wind naar het westen en werd steeds lichter. Hij was nu nog maar 5 knopen en
recht op de kop. Ik moest 's avonds de motor bijzetten en een groot gedeelte van
de woensdag. Maar woensdagmiddag draaide de wind naar het zuiden
en zwelde aan tot 8 knopen. De motor kon weer uit en de genua kon bijgezet
worden. Langzaam draaide de wind weer naar zuidoost en werd 10 tot 12 knopen.
Een onverwacht genoegen als je de gribfiles mocht geloven. Iedereen moest de
motor bijzetten, ook zij die naar Bora Bora onderweg waren of in de buurt van
Tahiti voeren. Men hield er rekening mee dat dit tot ver in het weekend zou
doorduren. Ik had contact met Laura Dekker van de Guppy en heb haar van
weerinformatie voorzien. Zij zat in een gebied, 250 zeemijlen noordoostelijk van
mij, waar de windstilte wat langer duurde. Pas op de zaterdag mocht zij weer 10
tot 15 knopen uit het zuidoosten verwachten. Ze bleek zelf geen gribfiles of
weerfaxen te kunnen ontvangen en was geheel afhankelijk van het contact met haar
vader. Ze was blij met mijn informatie die helemaal op haar locatie was
toegespitst en op korte termijn beschikbaar was. En ik was blij met niet alleen
de aanschaf van de SSB radio, maar ook van het Pactor modem wat die informatie
aan mij kon verschaffen. 's Avonds was ik wel even minder gelukkig en tevreden
toen ik een fles rode limonadesiroop onderuit ging na een schuiver van de boot.
Toen moest ik wel even aan de bak om alles weer schoon te maken.
Op vrijdag
1 juli bleek tijdens een gesprek met Laura dat zij niet, zoals wel op haar
website staat, via het Suezkanaal gaat maar via Kaap de Goede Hoop. Ze vroeg mij
namelijk naar mijn plannen en toen ik die vertelde was ze bijzonder enthousiast
omdat ze graag met een andere boot opvaart. En dat kan ik goed begrijpen. Het is
prettig als je met tenminste één andere boot opvaart. Dan kun je via de SSB
radio goed contact onderhouden en je kunt elkaar informeren over bestemmingen en
weer. Ze had slechts één andere boot, waarschijnlijk een solozeiler, ontmoet die
ook onze route zou volgen en die was op dit moment onderweg van Niue naar Tonga.
Het is dus mogelijk dat er een driemanschap ontstaat. Laura had precies
hetzelfde tijdschema voor haar reis naar Afrika als ik, en ook dat verbaast me
niets, want als je het boek van Jimmy Cornell raadpleegt dan zijn er tijdstippen
waarop je op bepaalde plaatsen moet zijn i.v.m. de orkaanseizoenen. Toch wel
leuk hoe uit zo'n toevallig contact een langer samen reizen kan ontstaan. De
Guppy van Laura is veel sneller dan de Sogno d'Oro, het is een ketch getuigd en
slank schip. Om een voorbeeld te geven: zij heeft over de passage van de
Galapagos naar de Marquesas 17 dagen gedaan, ik 32 dagen. Zij kan snelheden
halen van 7 knopen terwijl ik met 5 dik tevreden ben. We moeten dus nog maar
zien in hoeverre of we echt trajecten samen opvaren. We zullen elkaar zeker vaak
tegenkomen in havens omdat ook zij moet wachten op het juiste moment om verder
te varen.
De
verwachte hardere wind kwam inderdaad op zaterdag, maar ik zag op de gribfiles
dat deze dinsdag al weer zou afnemen. Er was een nieuw lagedrukgebied
boven Tonga die de winden van het hogedrukgebied wegnam. Nieuwe windstiltes
zouden het gevolg zijn. Het was nu zaak om zo snel mogelijk die laatste 400
zeemijlen tot aan Neiafu af te leggen. Onderweg zou ik nog de atol Niue
tegenkomen, maar daar was het op de ankerplaats slecht toeven met de deining die
door de harde wind was ontstaan. Ook Laura wilde daarom niet stoppen bij Niue
zoals eerst wel haar plan was geweest. Zij zat nog 125 zeemijlen achter mij,
maar maakte dagafstanden van 140 zeemijlen met haar Guppy. Zaterdagmiddag hadden
we trouwens een gesprek over het vervolg van haar reis na Neiafu. Ze had op de
Marquesas bij kennissen aan boord een film gezien van een doortocht door de Rode
Zee die deze mensen eerder hadden gemaakt. Daarbij kon je op de marifoon horen
dat er regelmatig aanvallen waren door de Somalische piraten. En toen heeft
Laura haar plan omgegooid en een tocht langs het Suez-kanaal laten vallen. Nu
wilde ze van Neiafu naar Suva op Fiji, Port Vila op Vanuatu, de Torres Street,
Darwin in Australië en van daaruit naar de Cocos Islands en verder via Mauritius
naar Afrika. Dat plan zag er goed uit. Maar als je een stop in Australië wilt
maken - niet alleen Darwin ligt in Australië maar ook de Cocos Islands behoren
daartoe - dan moet je een visum hebben. En zo'n visum, had ik gelezen, kun je
krijgen bij de Australische ambassade of consulaat in Suva op Fiji. Zij had zich
daar nog niet mee bezig gehouden. In Darwin zou haar vader overkomen en dan
zouden ze de boot klaarmaken voor de overtocht naar Afrika. Ik had zelf mijn
reis tussen Fiji en Afrika nog niet ingevuld. Wel dat ik eind augustus, begin
september door de Torres Street zou moeten varen, maar nog niet de havens tussen
Fiji en Afrika. Aanvankelijk voelde ik er niet veel voor om een visum voor
Australië aan te vragen. Bij aankomst doen ze namelijk heel moeilijk bij
jachten. Veel formaliteiten en spitsvondigheden, ze maken het de cruisers niet
makkelijk. Waarschijnlijk zijn ze er voor beducht dat de Yachten blijven hangen
in Australië met hun boot en teren op de Australische gemeenschap. Hoe het ook
zij, het plan van Laura gaf voldoende stops om niet maanden op zee te hoeven
doorbrengen tijdens een overtocht. Ik zou er nog eens over nadenken.
De nacht
van zondag op maandag werd een zware nacht vanwege diverse squalls die
overtrokken. Veel regen en veel wind brachten deze squalls. En 's morgens kwam
ik er achter dat de wind inmiddels was gedraaid naar westnoordwest waardoor ik
scherp aan de wind moest gaan varen. De golven waren nog steeds hoog, tot wel 3
meter, en de wind kwam niet veel lager dan 20 knopen. En daar moest ik dus tegen
op boksen. Mijl voor mijl werd van de nog te gane afstand afgetikt en het was de
vraag wanneer die periode van windstilte zou komen en hoe ver ik dan nog van
mijn bestemming af was. Nou, die periode begon dus op de dinsdag. De wind
hield er ineens mee op en toen moesten Laura en ik de motor wel opstarten. Zij
was nog 8 zeemijlen bij mij vandaan. We hebben toen laat in de middag
rendez-vous gemaakt en zij probeerde een reep chocola naar mij toe te gooien.
Dat mislukte en Neptunus moet ons nu wel goed gezind zijn. Ik kreeg het wel voor
elkaar om een blik voeding naar het te gooien. Het is een interessante maaltijd
die ik bij Carrefour op Tahiti gekocht had. Je mengt de inhoud van een blik met
een bijgeleverde plastic bak met hele fijne rijst en dan zet je dat 30 minuten
in de koelkast. Ik had het al eerder geprobeerd en het is een heerlijke
maaltijd. Verder heb ik bij aankomst van Laura een deuntje op de trekzak
gespeeld. Ze heeft me beloofd in de haven Neiafu voor mij een deuntje op gitaar
te spelen. Overigens hadden we nog een leuk gesprek over de Midget. Zij had de
Midget herkend op de ankerplaats bij Balboa en dat vond ik vreemd omdat niet
veel Nederlanders de Midget als boottype kennen. Het bleek dat Laura serieus met
de gedachte gespeeld heeft om een Midget aan te schaffen voor haar
wereldomzeiling omdat ze het zo'n leuke en ruime boot vindt voor zijn lengte.
Uiteindelijk vond ze de tweemaster Guppy en ging de aanschaf van een Midget niet
door. Toen ik haar de ontstaansgeschiedenis van de Midget 26 vertelde kende ze
die nog niet en vond ze dat heel bijzonder. Na onze rendez-vous heb ik voor haar
gribfiles opgehaald en aan haar voorgelezen en toen heb ik de afstand tussen
onze boten vergroot tot een halve zeemijl voor de nacht. Morgen kwam ik dan wel
weer langszij. We hadden inmiddels ook contact met twee Amerikanen, een vader en
zijn zoon, die ook onze route varen op dezelfde momenten. Dat driemanschap van
schepen is dus nu een reële mogelijkheid geworden. Ze wachten ons op in de haven
van Neiafu waar zij inmiddels aan een mooringboei liggen.
's Morgens
tijdens het Pacific Reef Runners Net had ik weer contact met Laura. Ze ging veel
te hard met haar boot en zou het bezaanzeil naar beneden halen. Ze was nu 17
mijlen voor mij uit en zou waarschijnlijk de nacht voor Tonga moeten
ronddobberen om vervolgens bij dageraad de haven van Neiafu in te varen. Neiafu
is een zgn. Hurricane Hole en dus omgeven door hoog gebergte. De invaart is niet
eenvoudig en kan beter niet 's nachts worden ondernomen. Ik voer zelf met een
goede vaart om de volgende morgen bij dageraad voor de haveninvaart te liggen.
Laura en ik zouden elkaar weer ontmoeten bij Tonga en we hebben tijdstippen
afgesproken waarop we elkaar via de SSB radio zouden contacten. Ik was blij met
de 10 knopen uit het zuidoosten die er nog steeds was. Alles is beter dan op de
motor de laatste honderd mijlen afleggen. Toch moet ik uiteindelijk de laatste
50 zeemijlen de motor bijzetten om bij dageraad samen met Laura de haven binnen
te varen. En zo gebeurt het dus. We gaan achter een heel groot cruiseschip naar
binnen en de natuur in de baai voor de haveningang is overweldigend. Hoge groene
bergen met palmbomen. Het is de mooiste aankomst tot nu toe, schrijft ook Laura
later in haar weblog. Samen klaren we in, en dat blijkt een tijdrovende
bezigheid te zijn. Quarantaine, immigratie, douane, health, je moet ze allemaal
langslopen. En bij vertrek immigratie, douane en havenkapitein. We meren beiden
af aan meerboeien en zitten al heel snel aan een uitgebreid ontbijt met koude
vruchtensap bij het restaurant Aquarium. Dit wordt ons favoriete restaurant,
want Mike de eigenaar van het restaurant is helemaal verbaasd en enthousiast
over het rond de wereld zeilen van 15-jarige Laura. Hij zal er alles aan doen om
haar verblijf zo aangenaam mogelijk te maken. En zo brengen wij nu de dagen door
in de haven van Neiafu en zullen er een week blijven. Dan varen we door naar
Suva op Fiji. Maar daarvoor moeten we eerst een formulier invullen en minstens
48 uur van tevoren naar Suva faxen of mailen. Het blijkt dat Nieuw-Zeeland,
Australië en Fiji de aankomst van een jacht ruim van tevoren aangekondigd willen
zien. Verschrikkelijk al dat papierwerk, maar het hoort erbij als je rond de
wereld vaart. Zo, dit was het even voor nu en hoe het verder gaat verhaal ik in
een volgend reisverslag.

Reisverslag no. 10, 2011
Henk Oosterwijk
Veel
leesplezier met dit nieuwe reisverslag. Hierna gaat de reis naar Darwin aan de
noordwestkust van Australië en dat is zo'n 2400 zeemijlen. Voor mijn boot is dat
bij gunstige weersomstandigheden 3 1/2 week zeilen.
Henk Oosterwijk
SY Sogno d'Oro
04-08-2011
Het verblijf in Neiafu was heerlijk. Het is een vredige omgeving met heel
vriendelijke mensen. Niets hoeft te worden afgesloten, er is nauwelijks misdaad
op het eiland. Ik kwam er volledig tot rust na een aantal langere oversteken
gekoppeld aan een zeer kort verblijf in de haven. Ik bleef hier zes dagen. Omdat
Laura Dekker en ik dezelfde dingen nodig hadden, zoals diesel en voeding, deden
we veel samen. En wat haar defecte SSB radio betreft deed Icom Amerika een gul
aanbod. Zij stuurden kosteloos een geheel nieuw apparaat, de opvolger van haar
defecte apparaat, naar de Suva Yacht Club. Laura moest alleen het terugzenden
van het defecte apparaat betalen. En de nieuwe zou op dezelfde kabels
aangesloten moeten kunnen worden als het defecte apparaat. Op donderdag 14 juli
vertrokken we beiden uit de haven en gingen op weg naar Suva op Fiji. Het zou
een korte reis worden want de afstand was maar 450 zeemijlen. Aanvankelijk
hadden we nog contact via de marifoon, maar omdat de Guppy een snellere boot is
dan de Sogno d'Oro ging dat contact uiteindelijk verloren. We hadden goede wind
uit de juiste hoek en voeren voor de wind naar Suva.
Dat was iets te vroeg gejuichd wat de wind betreft, want de volgende dag in de
middag ging de wind liggen en was nog maar 5 knopen. De zeilen begonnen te
klapperen en al gauw maakte ik nog maar 2 knopen snelheid. De motor moest dus
weer eens bij en dat is altijd jammer. Want je hoopt altijd dat je de overtocht
geheel zeilend kunt afleggen. Toch moet er een stroming van minstens een knoop
mee zijn geweest, want met 1500 toeren doe ik normaal tegen de 4 knopen en dat
kan ik dan lang volhouden met mijn brandstofvoorraad. Maar nu deed de boot 5
knopen en dat komt niet van de wind. Ik was er in ieder geval blij mee en voer
de nacht door met de motor bij. Op de gribfiles had ik gezien dat de wind
inderdaad afnam en wel 24 uren niet meer dan 10 knopen zou zijn. Ik hoopte dat
in de nacht of bij dageraad inderdaad die 10 knopen er weer waren want dan zou
ik de motor zeker afzetten. Een snelheid van 3 of 3,5 knoop vind ik ook
voldoende. Het is met een boot als de Midget niet om snelheid te doen, een mooie
constante kruissnelheid brengt je ook waar je zijn wilt. Dat zeg ik trouwens
tegen iedereen die zich afvraagt of zo'n 8 meter boot niet te langzaam gaat voor
een wereldomzeiling. Ik ben nog altijd aangekomen waar ik zijn wil, en dat
alleen telt. En zoals ik al vaker heb gezegd, dat moet je dan bereiken zonder
noemenswaardige schade. Dan kun je spreken van een goede overtocht. De zee was
rustig en ik zat heerlijk in de kajuitingang met mijn voeten op het trapje te
genieten van de zonsondergang en de nacht met een volle maan achter me. Er was
overigens in Neiafu contact geweest tussen de (ere)voorzitter van de Midgetclub
en Laura over de door haar gemaakte foto's van mijn boot. Die wilde Leendert
graag van haar hebben om op de voorpagina van ons clubblad te zetten. Hij had
een foto op haar weblog gezien. De foto's zijn naar hem gemaild en ik ben
benieuwd welke het geworden is. Er zaten een paar mooie bij waarbij de Midget
echt goed tot zijn recht komt. Steeds weer als ik hem zie naast zo'n grotere
boot, dan heeft de Midget toch een heel eigen karakter en dat vertedert menigeen
in de haven. De rode Guppy van Laura werd al snel bekend in Neiafu, maar dat
kleine (Heineken) groene bootje viel iedereen toch ook wel op. Ik moet trouwens
nog vertellen dat ik een weerbericht voor de Fiji wateren had ontvangen waarin
gewaarschuwd werd voor een vernietigende deining (hoge lange golven) die op Fiji
af kwam. Deze is ontstaan door een hogedrukgebied ver ten zuidwesten van Fiji.
Snel aankomen in Fiji was daarom al niet verstandig. Laat eerst die deining maar
komen, dan ga ik daarna de haven van Suva wel in. In ons laatste marifooncontact
kon ik deze waarschuwing nog net aan Laura doorgeven. Dat was om 03.00 uur ´s
nachts. Het waakzaam zijn en navigeren aan boord gaat 24 uur per dag door voor
een solozeiler.
Op zaterdagmorgen 16 juli kwam de wind weer opzetten en bereikte al snel een
kracht van 15 knopen uit zuidzuidoost. Motor uit dus en verder heerlijk gezeild.
In Neiafu hadden Laura en ik ieder een grote tros bananen en wel 15 kokosnoten
in een gevlochten mandje van bladeren gekregen. Bij vertrek was ik gaan eten en
drinken, maar je kunt niet voorkomen dat de bananen ineens allemaal rijp worden,
hoe groen ze ook zijn als je ze meeneemt. Op zaterdag zocht ik de goede bananen
er nog tussenuit en heb de rest aan Neptunus gegeven. Ook wat de kokosnoten
betreft heb ik er nog vier uitgezocht om leeg te drinken in de komende twee
dagen en de rest ging ook naar Neptunus. Want vruchten meenemen naar een ander
land wordt niet op prijs gesteld. Meestal moet je die dan bij aankomst
inleveren. Ze zouden ziektes kunnen overbrengen op de inheemse vruchten. Elke
dag dronk ik twee kokosnoten leeg, een heerlijke en verfrissende drank. En zo
kwam Suva langzaam dichterbij. Ik had gehoopt dat ik de atollen die er voor
liggen gedurende de dag zou passeren, maar bij het invallen van de nacht was ik
er nog maar 20 mijlen van verwijderd. Radaralarm aan, goed uitkijk houden en
korte slaapjes. Als je op de windvaanstuurinrichting vaart dan moet je goed
oppassen dat de wind niet gaat draaien want dan gaat je boot mee. En uit de
koers lopen midden tussen de atollen dat kun je maar beter niet doen. Op
zaterdag kwam ik trouwens overdag nog een vissersboot tegen. Mijn
radardetectiealarm ging af en ver over bakboord zag ik een vissersboot. Niet
veel later lag hij dwars voor me, want vissers moeten altijd daar zijn waar ik
ben. Maar gelukkig draaide hij over stuurboord weg toen hij nog een halve mijl
van mij verwijderd was. Kan ook pure nieuwsgierigheid zijn geweest van zijn
kant. Het was voor mij even weer een leuke afwisseling op de dag.
Zaterdagavond om 21.30 uur lokale tijd passeerde ik de datumgrens. Ik ging van
180 graden westerlengte over naar 180 graden oosterlengte en daarmee ook van
UTC-12 naar UTC+12. Nederland zit in de zomer op UTC+2. Het aftellen is dus nu
begonnen op de weg terug naar Nederland. Ik heb de overgang gefilmd want het is
net als het passeren van de evenaar een bijzondere gebeurtenis. Als je van
Nederland wegvaart in de richting van Engeland passeer je al snel de Greenwich
meridiaan oftewel de overgang van oostelijk halfrond naar westelijk halfrond. Nu
doe je hetzelfde aan de andere kant van de aardbol. Nou, dat is toch wel
bijzonder te noemen.
In de ochtend nam ik weer contact op met het Pacific Reef Runners Net en gaf
mijn positie op, de afstand tot Fiji en de windsterkte en richting. Ik werd
namens het hele net gefeliciteerd met het passeren van de datumgrens. Ook zij
wisten dat dit een bijzondere gebeurtenis is. Toen ik het weerbericht voor de
Fiji wateren las, stond daarin dat er harde winden en ruwe zee op komst was. Een
hogedrukgebied ver ten zuidwesten van Fiji zorgde voor die winden en golven. Ik
had het bericht nauwelijks gelezen of mijn aandacht werd in de kuip gevraagd. De
wind was wat gedraaid en in kracht zeker met 5 knopen toegenomen. Nadat ik de
zeilen weer op de juiste manieren gesteld had ben ik eerst maar eens rustig gaan
ontbijten. Hoewel de wind hard was, was alles onder controle en kon je maar
beter eten nu het nog kon. Ik was nog 57 zeemijlen van Suva op Fiji verwijderd
en zou bij zonsondergang kunnen aankomen. Met deze hardere winden zou ik
misschien nog vóór zonsondergang kunnen aankomen. Ik was benieuwd of Laura, die
ver op mij vooruit gevaren was, de vorige avond bij donker de haven was
binnengevaren of zeil geminderd had en tot vanochtend gewacht had. Zij vaart
minstens een knoop sneller dan ik en dat is 24 mijlen meer per dag. In vier
dagen heb je dan opgeteld zo'n 100 zeemijlen meer afgelegd en dat is voor mij
een dag varen. Op vier dagen wint zij dus een dag met haar boot. Dat is
belangrijk als wij het verdere traject naar Nederland min of meer gezamenlijk
afleggen. We zullen met de nieuwe radio straks weer contact kunnen houden
tijdens de overtochten. Ik had contact met haar vader over het inbouwen van de
nieuwe radio, maar gelukkig waren we het er samen volstrekt over eens hoe dat
moest gebeuren. Goed, ik ging nu de laatste mijlen naar Fiji afleggen met een
windwaarschuwing van de kustwacht. Toch maar even alert blijven tot aankomst.
De tocht verliep verder prima en op 15 zeemijlen afstand van Suva had ik
marifooncontact met Laura. Die was de vorige avond om 22.30 al aangekomen en de
volgende dag pas om 14.00 ingeklaard. Ze had 's morgens contact gezocht met de
Suva Yachtclub die de autoriteiten waarschuwt. Ik heb bij Laura geankerd en
mocht niet de wal op omdat ik nog niet ingeklaard was. Als ik dat bij aankomst
om 16.30 had willen doen dan moest ik 200 US dollars extra betalen voor
overuren. Dat heb ik dus niet gedaan en de volgende dag overkwam mij hetzelfde
als Laura. Ze zouden om 10.30 komen maar dat werd als snel 14.00. Jammer, maar
die dag ben je dan al bijna helemaal kwijt aan het inklaren. We moesten trouwens
naar Suva om daar Health service te betalen. Dat is een voettocht van 20 minuten
of een korte taxi of bus trip. Laura heeft wel voor mij pannekoeken gebakken,
dat was heel aardig van haar. Na de pannekoeken ben ik meteen weer terug aan
boord gegaan en heb eerst eens goed geslapen. Toen Laura de volgende dag bij mij
aan boord was om wat koude limonade te drinken kwam er een boot langs met een
official die kwam zeggen dag ze niet bij mij aan boord mocht zijn op straffe van
2000 dollar boete. Ze is dus snel in haar dinghy gestapt en het bleef gelukkig
bij een waarschuwing. Dat is omdat ik nog niet ingeklaard ben en de gele vlag
voer. Dan ben je dus nog in quarantaine. Moet je ook maar net even weten. Ik heb
wa
|