29 maart 2010 (derde reis)

Geschreven door Henk Oosterwijk.
Datum: 29 maart 2010.

Na een overwintering in Drimmelen van 13 oktober 2009 tot 29 maart 2010 was het weer tijd om op pad te gaan. TIjdens die overwintering heb ik veel aan de boot gedaan. Koelkast gebouwd, nieuwe bekleding, reserve accu met voltmeter, nieuw kompas, rolfokinstallatie, berghout verwijderd en de naad tussen boven- en onderbouw opnieuw gekit, nieuwe driebladschroef, vetveters vernieuwd bij de schroefas, nieuwe hoezen voor grootzeil en rolgenua, kortom een hele waslijst. De motor was op de vorige reis al vernieuwd en grootzeil en genua waren bij terugkomst vernieuwd. Ja, je moet je boot in goede staat houden als je er lange reizen mee wilt maken. Alles moet tiptop in orde zijn.

Op 29 maart ging ik er dus vandoor terwijl vrienden op de steiger stonden te praten. Plotseling hadden ze door dat ik er echt tussenuit piepte, en zo mag ik het ook graag doen. Want anders kom je nooit weg. Dan is er altijd nog wel een afspraak die je aan de wal houdt. En na zo’n lange periode binnen liggen, was het al weer geruime tijd gaan kriebelen. Via Middelharnis en Roompot kwam ik terecht in Ramsgate. Ik was eigenlijk van plan om naar Oostende te gaan en daarna pas naar Ramsgate over te steken, maar de omstandigheden waren te ideaal voor de overtocht. Voor Oostende heb ik dus een bocht gemaakt en ben met windkracht 6 tot 7 uit het zuidwesten naar Ramsgate gezeild. Na een prima overtocht kwam ik daar natuurlijk laat aan, namelijk om 01.00 uur op 3 april.

Ik wilde naar Ramsgate om daar vrienden te bezoeken. Tony Ashby die ik op Guernsey had leren kennen van december 2005 tot maart 2006, en Dave die ik op de Faroer heb ontmoet en die eigenlijk op de Orkney eilanden woont maar zijn charterboten veelal in Ramsgate heeft liggen. Hij had al eens het idee geopperd om met gasten een trip naar Madeira te maken en dan zouden we samen op pad gaan. Maar zoals dat zo vaak gaat in de charterwereld is er van dat plan niets gekomen bij gebrek aan betalende gasten. Toch ging Dave richting de Scilly eilanden en dat lag op mijn route naar Falmouth. Na een bezoek aan Tony Ashby en een hele week in Ramsgate, ben ik naar Yarmouth op het eiland Wight afgereisd op 10 april. Dave zou mij na het weekend volgen.

Er stond dagenlang een noordoostelijke wind kracht 4 tot 5 en dat is voor het kanaalgebied heel uitzonderlijk. Met ruime wind ging ik dus naar Yarmouth, Weymouth, Dartmouth en Falmouth. Na Dartmouth is Dave doorgevaren naar Ierland om vervolgens naar het noorden, naar de Orkney’s te zeilen. Maar we hebben weer een leuke tijd samen doorgebracht.

In Falmouth heb ik twee weken gelegen omdat er slecht weer op komst was. Daar leerde ik een Duitser kennen, Hinnerk (Oostfriese naam), die als journalist voor het blad Segeln gewerkt heeft en nu zo’n vijf jaren op pad gaat en onderweg geld verdient door voor het blad te blijven schrijven. Dat schept verplichtingen, maar op zijn leeftijd – hij is midden dertig – moet je toch iets doen om van te kunnen leven. We hebben veel samen opgetrokken en nog wat dingen aan boord van onze schepen verbeterd. Ik heb een klimtuig om zonder hulp in de mast te kunnen klimmen en daarmee heb ik hem behulpzaam kunnen zijn. Hinnerk had trouwens de pech gehad om bij de monding van de Thames een gigantisch stuk net in zijn schroef te krijgen. De Engelse kustwacht heeft zijn positie toen opgenomen in de scheepvaartberichten, maar uiteindelijk vonden ze het toch verstandig om hem naar Ramsgate te slepen. Hij maakte zich nog een beetje zorgen over de kosten van zo’n sleeptocht, maar voorlopig is hem nog niets in rekening gebracht. Engine troubles hadden ze in het rapport gezet, maar ik heb hem aangeraden om de foto van het visnet goed te bewaren. De avonturen van Hinnerk kun je volgen op zijn website www.hinnerk-weiler.de.

Ik was op 15 april in Falmouth aangekomen met de bedoeling om daar een weekje voor anker te liggen en dan verder te gaan naar de Scilly’s. Maar op de Scilly’s kun je eigenlijk alleen ankeren of aan een mooringboei liggen en je moet nogal eens verkassen als de wind uit de verkeerde hoek waait. Met slecht weer op komst was een tocht naar de Scilly’s niet verstandig. En zoals gezegd, ik ben in afwachting van beter weer twee weken in Falmouth gebleven.

Op maandag 3 mei was het dan zover. Hinnerk en ik volgden elke dag de weerfaxen over de korte band radio en spraken dan over de mogelijkheden. Zijn bestemming zijn de Azoren, daar een vriend oppikken en dan met die vriend door naar New York, en mijn eerste bestemming is Madeira. Het eerste stuk van de reis moesten we allebei zo ver mogelijk naar het westen zien te komen om de Golf van Biskaje te ontwijken. Zo’n dertig mijlen uit de Engelse kust kwam Hinnerk langsvaren, want hij was een uur na mij uit de haven vertrokken en zijn 9 meter ranke boot is nu eenmaal sneller. We hebben naar elkaar gezwaaid in een wilde zee met harde wind. Ik weet zeker dat ik nog wel een email van hem zal krijgen zodra hij op de Azoren is aangekomen.

De reis naar Porto Santo, een eilandje dat deel uitmaakt van Madeira, is zo’n 1200 zeemijlen en met 100 mijlen per dag zou ik er dus in 12 dagen moeten kunnen zijn. De eerste drie dagen had ik een noordoostelijke wind en voer ik alleen op de uitgeboomde genua. Tijdens de oversteek van de Golf van Biskaje begon de wind wat te draaien en heb ik ’s nachts het grootzeil gehesen. Diezelfde dag, donderdag 6 mei, hoorde ik een harde klap en zag ik achteruit een houten pallet drijven. Nu kan de Sogno d’Oro wel een stootje hebben, maar ik heb dat soort aanvaringen liever niet. ’s Avonds om 7 uur zag ik toevallig nog een pallet drijven op 25 meter afstand van de boot. Omdat ik toen natuurlijk nog even ben blijven kijken zag ik de bekende kleine zeiltjes van de zgn. Portugese Men of War, een zeer gevaarlijke kwallensoort. De tentakels kunnen wel tien meter lang worden en meerdere beten kunnen ook voor de mens bijzonder gevaarlijk worden. Ik had ze in grote hoeveelheden in de wateren rond de Azoren waargenomen. Maar ook nu zag ik er meerdere op een klein stukje zee.

Het aardige van zo’n lange afstand varen is dat je weer helemaal op jezelf wordt teruggeworpen. Na twee dagen begin je echt aan boord te leven, met afwassen en radio luisteren, eten koken en jezelf verzorgen. Er is veel tijd om te denken, maar veel tijd gaat zitten in dingetjes aan boord die kapot gaan. Dat zijn dan meestal electronische dingetjes. Jullie zijn gewaarschuwd als je de zee opgaat. Zoute lucht en water gaan niet goed samen met electronische printplaatjes. Soms krijg ik het weer aan de praat, maar vaak kan het gewoon regelrecht de prullebak in. Zo heb ik al heel wat afgedankt. Het beste materiaal blijft over, maar je moet er nooit teveel vertrouwen in hebben.

Even een moment van bezinning om half elf ’s avonds op donderdag 6 november. Ik zie dat de barometer met een rotgang naar beneden gaat. In weinige uren is hij van 1014 gekelderd naar 1008 en die neerwaartse beweging zet door. Dan weet je dat er wat op je af kan komen. Het is niet de eerste keer dat ik zoiets tijdens mijn reizen beleef en je bereid je voor op een onrustige nacht met misschien wat werk op het dek terwijl je aangelijnd bent. Dan denk ik aan het bezoek dat ik aan de klas van mijn dochter Carlien bracht tijdens mijn afgelopen binnenligperiode. Ze geeft les aan groep 7 op een islamitische school in Utrecht en haar groep bestaat uit Turkse en Marokkaanse kinderen. De kinderen weten van mijn reizen en ze hadden juf Carlien gevraagd om mij eens te interviewen. Ik heb toen zelf voorgesteld om in haar klas met foto’s te vertellen over mijn reis naar IJsland. De sfeer was uitstekend en ze luisterden heel aandachtig. Toen het afgelopen was vroeg Carlien aan de kinderen om op te schrijven wat hen van het verhaal was bijgebleven en wat ze me mee wilden geven voor op reis. Twee reakties wil ik met jullie delen. De eerste was heel kort en van een meisje. Ik moet er nog even bij vertellen dat het kinderen van 10 of 11 jaar zijn. Ze schreef het volgende. “De plaatjes waren leuk en alles was leuk. Ik wens u een goede reis. Ik geef je een blaadje mee.” En dat was dus het blaadje waarop ze dit geschreven had. De tweede reaktie was van een jongen en zowel Carlien als ik waren daarvan stevig onder de indruk. Hij schreef letterlijk het volgende. “Ik heb gezien dat hij veel reist. Ik zelf durf het niet en ik word steeds zeeziek. Ik heb eilanden, havens en lava gezien. Het was leuk.” En wat hij me mee wilde geven is zijn motto en dat luidt als volgt. “Mijn motto = Je moet dingen proberen wat je wil, je moet beter zijn dan je angst.” Ik krijg er nog kippevel van als je bedenkt dat een kind van 10 of 11 jaar oud zoiets moois schrijft. Ik heb alle briefjes meegekregen en kijk er nog regelmatig naar. Die jongen was me trouwens al opgevallen. Hij kwam tijdens de lunchpauze bij me staan. Iedereen had een pakje boterhammen bij zich, maar hij had een zak chips. Daar zat niet echt veel meer in en hij zei: “Meester, je mag wel wat pakken, maar niet te veel hoor!” Ik nam dus een paar chips uit de zak en later kwam hij nog een keer naar me toe en zei: “Je mag nog wel een handje nemen!” Op lange reizen denk je aan dit soort ervaringen. Je neemt ze mee en je bent daardoor nooit alleen.

De volgende dag, vrijdag 7 mei om 7 uur ’s morgens, kwam ik een grote vissersboot tegen. Als we elkaar passeren, komt de kapitein in een pooljekker uit zijn stuurhut en begint uitgebreid naar me te zwaaien. Dat doet je goed. Is mij ook overkomen toen ik negen dagen lang op weg was naar de Azoren. Je ziet dan dagenlang geen schip en ineens is daar die warme ontmoeting. En ’s middags landde er weer eens een vogel op mijn boot. Ik zat onder de buiskap in de kajuitingang en hoorde een krassend geluid. Omdat je er altijd rekening mee moet houden dat er iets aan het schaffielen is en kapot kan gaan, ging ik op zoek naar het geluid. Toen ik omhoog keek, zag ik twee kleine zwemvliezen als schaduwen aan de onderkant van mijn buiskap. Er was dus een vogel op de buiskap geland en die probeerde met zijn zwemvliespoten houvast te krijgen op het doek. Het was een meeuwachtige maar dan met een kromme spitse snavel. Ik ben niet thuis in vogelsoorten, maar wellicht zegt dit jullie iets. Hij was ook zo weer weg. Even uitrusten blijkbaar.

En toen waren daar ineens die tientallen dartelende dolfijnen. Wat zijn ze toch mooi en levenslustig. Ik word er nog altijd blij van als ze zo plotseling verschijnen. Deze keer heb ik ze gefilmd. Heel lang, zodat ik de stukken lege zee weg kan halen en je veel dolfijnen ziet. Misschien waren ze aangetrokken door het geluid van mijn motor. Die had ik gestart omdat het windstil was geworden. De boot liep op een gegeven moment nog maar twee knopen en de Spaanse kustwacht gaf een stormwaarschuwing voor zondag in het gebied waar ik nu inzat en nog een dag in zou zitten als ik goede snelheid behield. Ik hoefde maar een paar uren te motoren en toen kwam de wind weer uit een gunstige hoek opsteken en kon de motor uit. Het geluid kan ze dus aangetrokken hebben.

De volgende dag, zaterdag 8 mei, heb ik i.v.m. de aankomende storm een Ría uitgezocht aan de Noord-Spaanse kust waar ik beschut voor de noordelijke wind kon ankeren. Het werd Ría de Camariñas, dat ligt net even oostelijk van Kaap Finisterre. Daarvoor hoefde ik niet te ver van mijn route af te wijken. Liever was ik in één ruk doorgezeild naar Madeira, maar zo’n stormwaarschuwing moet je serieus nemen. En zeker in de Golf van Biskaje en bij de beruchte Kaap Finisterre. Na een goede nacht doorslapen – tijdens het varen neem je slaapjes van max. een halfuur – is alles nog in orde, ook al zijn er regelmatig zwaardere windvlagen. Wel viel me op dat de wind uit een andere hoek kwam dan voorspeld. En dat betekende dat ik aan lager wal lag, oftewel ik werd in de richting van het strand geblazen. Nou houdt mijn Delta anker altijd voorbeeldig en een krabbende anker is mij vreemd. Daar moet ik nu echter op terugkomen, want toen ik nog even ging liggen en voor de zekerheid mijn dieptemeter had aangezet, ging het alarm af. Dat betekent dat de diepte minder dan 2 meter is en de Sogno d’Oro heeft 1,25 meter diepgang. Ik keek uit de doorzichtige kajuitdeurtjes en zag ik ik nog maar twintig meter van de wal verwijderd was. Het anker had dus toch gekrabt en ik had er niets van gehoord. Hoe kon dat nou weer. Snel motor gestart, anker op en weg van die plek, recht tegen de golven in. Het regende daarnaast ook nog eens flink, dus in een mum van tijd was ik doorweekt. Bij het ophalen van het anker werd duidelijk wat het euvel was, het anker zat helemaal vol met kelp. Grote groene bladeren, en veel. In de pilot over deze Ría werd juist de massieve zandgrond op mijn ankerplaats geprezen. Zeker net even op een ander plekje het anker laten vallen. Op de Middellandse Zee moet je ankeren waar geen donkere plekken zijn, maar hier kun de dat niet zien. Ik ben toen naar de haven gemotord en in de oude haven bij de vissers gaan liggen. Vastgemaakt aan een pakje van vier boten lange lijnen en twee springen. Die weten wel waar ze moeten liggen, want ik lag gelijk helemaal rustig. De jachthaven lag hier nog voor en had veel minder beschutting. Als iemand me zou aanspreken, dan zou ik zeggen dat dit gewoon de beste plek is in dit hondeweer. Want de storm was inmiddels flink aangezweld en blies door de haven, behalve op mijn plekje natuurlijk. Niemand zou mij ongelijk kunnen geven en met name vissers zijn gevoelig voor goed zeemanschap.

De volgende ochtend ben ik om 06.30 uur in de mast geklommen om mijn toplicht te repareren. Mooi overzicht over de haven vanuit die positie, maar geen visser te bekennen. Die komen er blijkbaar zo vroeg niet meer uit na een storm. Toch ben ik om 07.00 uur uitgevaren met gunstige wind en een nog wat onrustige zee. Maar daar is de Sogno d’Oro wel aan gewend, en dat is geen grootspraak maar een feit. Snel weer verder op weg naar Porto Santo. Het is zo’n 700 zeemijlen en de oversteek vanuit Camariñas zou dus zeven dagen mogen duren als de wind goed meedoet.

Op de eerste dag sneuvelde mijn mooie espresso apparaatje die ik in Bad Schwertheim tijdens mijn overwintering in Duitsland had gekocht. Mooie roestvrijstalen onderkant en een porceleinen beschilderde top met dekseltje. Nou ja, vier jaren geleden sneuvelde mijn Bosun caffetière bij de Alderney Race, het is dus niet de eerste keer. Op Madeira maar eens snel kijken naar een vervanger. Ik zag van achteren een zware bui aankomen en de wind veranderde plotseling. Het begon heftig te regenen en de golven werden hoger. Een zo’n golf, een slechte dus, liet mijn boot zoveel slagzij maken dat het espresso apparaatje achter uit een rek, met nog diverse spullen ervoor om hem zeevast te zetten, airborne raakte en met een mooie boog op de metalen rand van een vloerluik terechtkwam. Dat was teveel voor het porcelein.

De tweede dag, dinsdag 11 mei, begon heel somber en heftig. Zware donkere wolken, slagregens die urenlang duurden, veel wind en hoge golven. Ik ben mooi binnen gebleven en in de middag veranderde de lucht in een blauwe heldere lucht met mooie witte wolkjes en een stralende zon. Ik hoop dat ik vanaf nu meer van dit weer zal beleven. Via de Wereldomroep hoor ik dat het in Nederland nog behoorlijk koud is, net als in grote delen van West-Europa. Maar ik ga steeds verder naar het zuiden en via diezelfde omroep hoor ik dagelijks hoe lekker warm het op Madeira is.

En dan gebeurt het. Het is woensdag 12 mei en 13.00 uur als een groot cruiseschip me tegemoet komt. Ik probeer nog mensen op dat schip te zien, en dan zie ik plotseling een golf niet al te ver van mijn boot ontploffen. Veel spray hoog de lucht in. Maar dan zie ik de veroorzaker, een grote walvis. Hij komt schuin op mijn boot af en duikt twintig meter voor mijn boot onder water. Een enorm en prachtig glanzend lichaam dat traag onder water verdwijnt en een staart die op het laatst uit het water omhoog komt. Magistraal om zoiets op die afstand te zien. Bij de Azoren heb ik wel op grote afstand van mijn boot spray gezien en dan wist ik dat er walvissen waren, maar eentje van zo dichtbij bekijken is wel even wat anders. Je kunt je voorstellen dat een botsing met een slapende walvis, op containers na het grootste gevaar voor de oceaanzeiler, slecht kan aflopen voor je boot. Deze dag kan niet meer stuk. Wat een geweldige ervaring.

Donderdag verloopt aanvankelijk eigenlijk heel rustig. De boot maakt zijn mijlen en ik houd me binnen bezig met kwarweitjes die ik anders in de haven zou doen. Er is altijd wel iets te verbeteren en ik houd me vooral bezig met de antenne-aansluiting van de kortegolfradio. Toen ik daarmee goed en wel klaar was brak ineens zonder enige waarschuwing de hel los. Geen donkere wolken en toch zwelde de wind aan tot een dikke windkracht 6. De golven werden hoger en de Ariës windvaanstuurinrichting stuurde het schip halve wind terwijl hij ruime wind was ingesteld. Dat is makkelijk te corrigeren door de ketting op de helmstok een paar gaten strakker te zetten. Die correctie noemen ze correctie van de weatherhelm en dat betekent dat je bij zwaar wind iets moet oversturen om op koers te blijven. Maar ik kon aanvankelijk niet naar buiten. Het was te gevaarlijk. Toen ik even mijn kans schoon zag, dook ik de kuip in me vasthoudend aan de geleidebanden die vast in de kuip gemonteerd zijn en heb toen de ketting versteld. De verandering was duidelijk. Week ik eerst in korte tijd in totaal vijf mijlen van mijn koers af – dat gaat razendsnel met zwaar weer – nu werd alles rustiger aan boord en stuurde de Ariës de boot weer naar zijn oude koers toe. Langzaam telde het verschil af en uiteindelijk lag ik weer op koers. Maar je moet deze techniek wel kennen en gelukkig heb ik in de noordelijke wateren genoeg kunnen oefenen.

De vrijdag begon bewolkt en met regen, maar de middag brak de zon door en heb ik voor het eerst eens lekker in de kuip gezeten. Het was zogezegd warm en dat had ik op zee tot nu toe niet echt meegemaakt. Vaak moest de verwarming bijgezet worden, overdag en zeker ’s nachts. Maar nu konden de kajuitdeurtjes eruit en was het echt genieten. Nou mag dat ook zo langzamerhand wel want ik was nog 260 zeemijlen van Santo Porto verwijderd en al dagenlang werd er bericht dat het weer daar prima was.

Er deed zich nog wel een mysterie voor. Regelmatig was de Sogno d’Oro door een grote golf opgepakt en had daardoor slagzij gemaakt. Dan vliegen er wel eens kleine zaken door de kajuit. En nu was ik toch de gasaansteker voor mijn fornuis kwijt! Overal zoeken, maar niet vinden. Ik heb dat al eens meegemaakt met de afstandbediening van mijn radio/cd-speler. Wekenlang heb ik ernaar gezocht en toen de moed maar opgegeven. Nou is mijn boot niet zo groot, maar als je aan de tafel zit is het toch gemakkelijk, zo´n afstandbediening. Later kwam hij tevoorschijn uit mijn opgerolde rubberboot die ik altijd onder de tafel heb liggen tijdens het varen. Ben benieuwd of ik in dit reisverslag nog kan laten weten of en waar die aansteker uiteindelijk gevonden werd.

Op zaterdagochtend verlies ik voor het eerst in vier en een half jaren een lierhendel. Dat dat niet eerder is gebeurd is een klein wonder als je die sluitingen ziet waarmee je ze vergrendelt en opent. Kleine dingetjes bovenop de handel, het is altijd gefriemel, want vaak moet je hem in de slingering van de boot met één hand uit de lier nemen. Ik hanteer de stelregel, één hand voor het schip en één voor jezelf. Om je dus goed vast te houden als de boot slagzij maakt. Nu ga ik een drijvende uitzoeken met een wat grotere vergrendeling. Niet dat ik ervan uitga dat ik er dan geen meer zal verliezen, want het zal best nog een keer gebeuren. En zo beleef je elke dag wel iets bijzonders.

De zee is verraderlijk kalm en dat kan niet zo blijven als ik de gribfiles nog goed in mijn hoofd heb. Ook de NAVTEX berichten komen niet onder de windkracht 4 tot 5. Maar gisterenavond begon de flauwte en die duurde tot ver in de ochtend door. Alles maar zo strak mogelijk gezet en uiteindelijk de genua ingedraaid. Vanochtend de genua uitgeboomd en daarbij verloor ik dus die lierhendel. Maar alles staat er weer goed bij en ik loop met heel weinig wind toch nog een respectabele 4 knopen.

Zondagochtend naar het programma Vroege Vogels van de Wereldomroep geluisterd. Goed sfeertje, maar ik voel de opwinding van het aankomen in een vreemde haven alweer in me opkomen. Dan ga je spulletjes aan boord opruimen zo goed als dat gaat. De pilot nog eens doorlezen over de navigatie naar de haven. Als solozeiler moet je alles goed in je hoofd hebben zitten als je bij je bestemming in de buurt komt, want soms zijn de omstandigheden er niet naar dat je nog even in je pilot kunt lezen hoe het ook al weer zat. En schreeuwen naar de kajuit dat ze even in het boek moeten kijken levert niets op. Ja, het nadenken over wat je allemaal gaat doen als je op je bestemming aankomt, dat is iets wat je zo’n laatste vaardag behoorlijk bezig kan houden. Maar dan in positieve zin.

In de nacht zie ik op meer dan 20 zeemijlen de drie flashes van het licht van Porto Santo. Het eerste contact met het eiland is er. Dichterbij zie ik de contouren van hoge bergen. Bij nadering merk ik het grote effect van de zgn. valwinden die vanuit de bergen naar beneden komen en de windkracht zo met twee tot drie sterktes in luttele momenten kunnen verhogen. Je kunt het niet echt windstoten noemen want ze kunnen lang aanhouden. Het wordt een avontuurlijke aankomst met die hoge bergen en de lichtjes van de stad. Soms is het even rustig en dan kan ik mijn zeilen opbergen. In de haven kies ik een ankerplaats en dan is het inmiddels 04.30 uur. Voordat ik alles heb gedaan wat ik bij aankomst wilde doen, zoals zeilhoezen aanbrengen en opruimen, is het 06.30 uur. Dan besluit ik even te gaan liggen, want van echt slapen komt het er niet van i.v.m. de opwinding over deze nieuwe omgeving. Een uur later sta ik dan ook op en ga de rubberboot naar buiten slepen en oppompen. Na achten meld ik me bij de Guardia Civil, zal ik het maar voor het gemak even noemen. Hij neemt mijn scheepspapieren en paspoort op en zet de gegevens in zijn computer. Dit zelfde ritueel herhaalt zich bij de beheerders van de haven. Ik hoef niet langs andere autoriteiten, die worden blijkbaar van gegevens voorzien door de guardia civil, want nadat ik in het plaatsje Porto Santo inkopen heb gedaan, wordt ik bij terugkomst aangesproken door een douaneambtenaar die graag een handtekening van mij wil hebben op een inklaringspapier. Alles verloopt eigenlijk heel soepel. De havenbeheerders nemen mijn scheepspapieren in en die krijg ik terug als ik mij meld voor vertrek. Het is voor het eerst dat ik dit meemaak, maar het stond al aangegeven in de pilot. Toch goed dat je door zo’n boek wordt voorbereid op de procedures in een haven.

In Porto Santo kan ik bijna alles vinden wat ik op dit moment nodig had, zelfs een nieuw espresso apparaatje. Ik koop ook een halve ananas en eet die aan boord in een keer op. Ik verbeeld me altijd dat je dan even weer de gemiste vitamines binnen krijgt. Een goed middel tegen scheurbuik zullen we maar zeggen, hoewel Captain Cook al had uitgevonden dat verse citroenen daar het beste middel tegen zijn. Vind ik persoonlijk niet te pruimen. In Porto Santo bezoek ik ook het huisje waar Columbus in heeft gewoond. Hij trouwde namelijk met de dochter van de eerste gouverneur van Porto Santo.

De standen zijn prachtig, de cactussen en planten staan in volle bloei, en de krekels (zo noem ik ze maar even voor het gemak) laten hun tropische geluid permanent horen. Bij de beheerders van de haven heb ik voor acht nachten geboekt. Dan kreeg je 10 procent korting en een week wilde ik toch al blijven. Ik zal me hier de komende week prima vermaken en in het warme zonnige weer kan ik de knop van het koudere noorden even omzetten. Hier eindig ik dit eerste verslag en morgen zal ik het naar jullie mailen. Het is nu maandagavond 23.30 uur op 17 mei 2010 en ik ben anderhalve maand op weg. O ja, bij het opruimen van de keuken vind ik toch de aansteker voor het fornuis terug. Hij had zich door de slingering van het schip in een hoekje verstopt. Zo zie je maar weer, als je er tijd overheen laat gaan lossen de meeste zaken zich vanzelf weer op. De valwinden loeien door de haven en ik draai met mijn twee windgeneratoren goed stroom. Aan de steiger met stroom liggen is twee keer zo duur, maar ik heb dat dus niet nodig. Self supporting zijn is voor de oceaanzeiler het hoogste goed. Het bespaart enorm en het geeft je een goed gevoel van onafhankelijkheid. Je kunt overal naar toe als je self supporting bent. Maar daarvoor moet je de boot wel goed aanpassen en nog steeds breng ik verbeteringen aan waardoor het stroomverbruik neerwaarts wordt bijgesteld. Soms waan ik me op een kleine Ark van Noach. En laat ik daar maar mee besluiten voordat het al te filosofisch wordt. Want met die inslag zijn al genoeg zeilboeken geschreven. Tot de volgende keer. O ja, en ik hoop dat het bij jullie nu echt wat warmer gaat worden!

Groeten.

Henk Oosterwijk
a/b Sogno d’Oro


Laat een reactie achter